Rapport Veredelde zaken
19 april 2010 - kamerstuk
Kamerbrief met het rapport Veredelde zaken van Wageningen UR over de
toekomst van de plantenveredeling. In de brief komen eveneens het
kabinetsstandpunt en een aantal voorgestelde acties aan de orde.
3
Geachte Voorzitter,
Hierbij bieden wij, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
alsmede de minister van Economische Zaken u het eerder toegezegde rapport
'Veredelde zaken' aan over de toekomst van de plantenveredeling in het licht van
de ontwikkelingen in het octrooirecht en het kwekersrecht. Dit rapport is
uitgebracht door het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN). Het
rapport wordt vergezeld van ons standpunt daarover, neergelegd in deze brief.
In deze brief zal achtereenvolgens worden ingegaan op de achtergronden van de
problematiek, de kern van de discussie, het CGN rapport, het gevoerde ambtelijke
overleg met partijen en onze voorgenomen acties.
Achtergronden van de problematiek
Voordat het rapport wordt besproken is het van belang te verduidelijken tegen
welke achtergronden deze discussie eigenlijk gevoerd wordt. De plantenveredeling
kan en zal een belangrijke bijdrage moeten leveren voor het vinden van
oplossingen bij het complexe vraagstuk van een groeiende wereldbevolking in een
veranderend klimaat. Dit in een wereld waarin grondstoffen steeds schaarser
worden en de hoeveelheid vruchtbare landbouwgrond (onder andere als gevolg
van verstedelijking en verzilting) onder toenemende druk staat. Verbeterde rassen
die efficiënter gebruik maken van grond en grondstoffen zijn nodig.
De commerciële plantenveredeling heeft de afgelopen decennia een stormachtige
ontwikkeling doorgemaakt onder invloed van enerzijds liberalisering van de
wereldhandel en anderzijds ontwikkelingen in de (bio-)technologie. Nederlandse
bedrijven hebben volop deel uitgemaakt van deze ontwikkeling. Op het gebied van
groenten, sierteelt en aardappelen zijn in Nederland gevestigde bedrijven leidend
op de wereldmarkt. Sommige van deze bedrijven maken deel uit van multinationale
ondernemingen. Voor landbouwgewassen als granen, mais en soja ligt
de leidersrol elders. Volgens de branchevereniging Plantum exporteren de in
Nederland gevestigde bedrijven jaarlijks voor circa ¤ 2,0 miljard aan zaad- en
pootgoed.
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 2 van 12
De sector is zeer kennis- en kapitaalsintensief; jaarlijks wordt 15-20% van de
bruto omzet besteed aan het ontwikkelen van nieuwe rassen en circa 24% van de
totale wereld exportwaarde aan plantaardig uitgangsmateriaal komt van
Nederlandse bodem. In Nederland levert dit werkgelegenheid op voor circa 11.000
personen. Naast een zeer actief bedrijfsleven spelen ook de Nederlandse
kennisinstellingen een vooraanstaande rol in de wereld.
Intellectueel eigendomsrecht dat bescherming biedt aan creatieve prestaties is
nodig om voldoende innovatiestimulansen te bieden voor bedrijven. Het is van
groot belang dat ook de resultaten van plantenveredelaars bescherming genieten.
Het verwerven van veredelingsresultaten kost geld, tijd en veel inspanning.
Zonder een kans om deze investeringen terug te verdienen zullen deze
inspanningen niet of nauwelijks nog commercieel verantwoord zijn.
In verscheidene internationale fora wordt aandacht gevraagd voor het belang van
beschikbare genetische diversiteit om goed uitgangsmateriaal te kunnen
ontwikkelen. In 2009 heeft de 17e VN Commissie voor Duurzame Ontwikkeling
onder Nederlands voorzitterschap een centrale positie gegeven aan landbouw in
de aanpak van duurzame ontwikkeling en armoede-bestrijding. Stimuleren van
landbouw-ontwikkeling wordt van groot belang geacht voor het bereiken van de
Milenniumdoelstelling ''Armoe en Honger de wereld uit''. Daarvoor is de
ontwikkeling van locale variëteiten van groot belang evenals het onbelemmerd
kunnen gebruiken van de genetische variëteit die wereldwijd beschikbaar is.
In de World Seed Conference die in september 2009 in Rome werd georganiseerd
door de FAO, OECD, UPOV ISTA, ISF en ITGPRFA (voor de betekenis van de
afkortingen zie bijlage 1) werd geconcludeerd dat plantveredeling een belangrijke
bijdrage levert aan voedselzekerheid en duurzame ontwikkeling. Nieuwe
plantenrassen kunnen bijdragen aan het verminderen van effecten van
klimaatverandering, watertekorten en van uitputting van fossiele grondstoffen.
Intellectuele eigendomsbescherming voor nieuwe rassen wordt cruciaal geacht om
(locale) investeringen in de ontwikkeling daarvan aan te moedigen. Daarbij is het
van groot belang dat de uitwisseling van genetisch materiaal zo min mogelijk
wordt belemmerd. De ´breeders exemption´, de kwekersvrijstelling in het
kwekersrecht, die hierna nog uitgebreider aan de orde zal komen, wordt als
daartoe geschikt middel gezien.
Daarnaast staat het vraagstuk van het risico van monopolisering van genetisch
materiaal in Nederland, maar ook internationaal nadrukkelijk op de agenda.
Eventuele oplossingen ervan zullen vooral ook internationaal gevonden moeten
worden. We achten dat ook nodig vanwege het mondiale belang van het
vraagstuk en het belang van behoud van geharmoniseerde regelgeving op
internationaal niveau.
Kern van de discussie
Het intellectueel eigendomsbeleid tracht een balans te vinden tussen een tijdelijke
bescherming van creatieve prestaties (in dit verband dus in de vorm van
kwekersrecht op rassen en octrooirecht op plantgerelateerde uitvindingen) in ruil
voor openbaarmaking daarvan zodat anderen daarvan vrijelijk kennis kunnen
nemen en erop kunnen voortbouwen.
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 3 van 12
Deze tijdelijke bescherming met het oog op commerciële exploitatie biedt een
kans, maar zeker geen garantie, om gedane investeringen terug te kunnen
verdienen. De actuele discussie vindt in grote lijnen plaats tussen ''traditionele''
bedrijven die als hoofdactiviteit veredeling hebben en overwegend gebruik maken
van kwekersrecht en veredelingsbedrijven die onderdeel uitmaken van grotere
agro-chemische multinationals die in toenemende mate gebruik maken van
octrooirecht. Bescherming van creatieve prestaties (zoals nieuwe rassen met
verbeterde eigenschappen) is wenselijk om voldoende stimulans te blijven bieden
om te innoveren.
Kwekersrecht
In het kwekersrecht is de bescherming van creatieve prestaties op dit gebied uitgewerkt
in een exclusief recht van vermarkting van het teeltmateriaal van het beschermde ras,
mits dat nieuw, onderscheidbaar, homogeen en bestendig is. Het is zonder voorafgaande
toestemming van de houder van het kwekersrecht niet toegestaan dergelijk teeltmateriaal
te vermeerderen of op de markt te brengen. Vermeerdering voor eigen gebruik (''farmers
privilege'') is in beperkte mate toegestaan bij landbouwgewassen.
Octrooirecht
Het octrooirecht is het recht van de octrooihouder om anderen te verbieden de uitvinding,
die nieuw, inventief en industrieel toepasbaar moet zijn, voor commerciële of industriële
doeleinden te exploiteren. De octrooihouder heeft niet zonder meer het recht om de
geoctrooieerde uitvinding zelf toe te passen, want wettelijke verboden of beperkingen
kunnen dat belemmeren. Essentie van de bio-octrooi richtlijn is dat uitvindingen inzake
producten of werkwijzen met betrekking tot biologisch materiaal octrooieerbaar zijn.
Uitgesloten zijn o.a. plantenrassen en werkwijzen van biologische aard voor de
voortbrenging van planten. Voor plantenrassen kan immers kwekersrecht worden
verkregen. Daarentegen is een uitvinding die betrekking heeft op planten wel
octrooieerbaar als de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt
tot een bepaald planten- of dierenras. Het is dus mogelijk om voor een geoctrooieerde
uitvinding die zich technisch gezien niet beperkt tot één ras, voor elk ras waarin die
uitvinding wordt verwezenlijkt een kwekersrecht te verwerven. Creatieve prestaties die
voldoen aan de vereisten kunnen dus in dergelijke gevallen zowel beschermd worden via
octrooirecht als via het kwekersrecht (per te onderscheiden nieuw ontwikkeld ras).
Essentie voor het octrooirecht met betrekking tot plantgerelateerde uitvindingen is
dat het octrooirecht zich uitstrekt tot al het afgeleide materiaal dat de door de
uitvinding verkregen eigenschappen vertoont. Het octrooirecht is dus veel
omvattender dan een recht met betrekking tot een enkel ras, zoals het kwekersrecht,
omdat het zich uitstrekt over al het plantaardig materiaal ongeacht het ras
waartoe dat materiaal behoort. Gevolg van de reikwijdte is dat een kweker een
licentie moet hebben om commerciële handelingen te verrichten met plantaardig
materiaal waarop een octrooirecht rust.
Verschil tussen octrooirecht en kwekersrecht m.b.t. innovatie
Een belangrijk verschil tussen kwekersrecht en octrooirecht betreft de
zogenoemde ''breeders exemption'', de kwekersvrijstelling. Alleen in het
kwekersrecht bestaat de kwekersvrijstelling (geregeld in artikel 57, derde lid,
onder c, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005).
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 4 van 12
De kwekersvrijstelling houdt in dat veredelaars zonder voorafgaande toestemming
van de houder van het kwekersrecht handelingen mogen verrichten voor het
kweken van nieuwe rassen. Deze nieuwe rassen kunnen zonder toestemming van
de oorspronkelijke houder van het kwekersrecht commercieel worden
geëxploiteerd.
In het octrooirecht is dat anders geregeld. Daar bestaat een zogenoemde
´research exemption´, een onderzoeksvrijstelling (geregeld in artikel 53, derde
lid, van de Rijksoctrooiwet 1995). Deze vrijstelling houdt in dat de geoctrooieerde
uitvinding slechts gebruikt mag worden voor onderzoeksdoeleinden zonder
commercieel oogmerk. Gevolg is dat een kweker die teeltmateriaal wil gebruiken
waarop een octrooi rust een licentie nodig heeft van de octrooihouder, zowel voor
de ontwikkelingsfase van een nieuw ras als voor de exploitatiefase ervan (althans
zolang het biologisch materiaal de eigenschappen heeft, veroorzaakt door de
geoctrooieerde uitvinding).
Gevolg van dit verschil is dat binnen het kwekersrecht onafhankelijke innovatie en
commerciële exploitatie mogelijk is met nieuw teeltmateriaal afgeleid van
kwekersrechtelijk beschermd kweekmateriaal, terwijl binnen het octrooirecht
slechts afhankelijke innovatie en commerciële exploitatie mogelijk is met
octrooirechtelijk beschermde uitvindingen. Als de eigenschap veroorzaakt door de
geoctrooieerde gengerelateerde uitvinding essentieel is, dan kan in beginsel met
één octrooi de markt voor een bepaald gewas gedomineerd worden, althans in de
landen waar het betrokken octrooirecht geldt.
Bespreking van het rapport
In het rapport wordt op deze discussie uitgebreid ingegaan. Het rapport schetst
welke ontwikkelingen op het gebied van technologie en op het gebied van
globalisering bepalend zijn geweest voor de huidige structuur van de sector. Het
rapport gaat in op het belang van plantenveredeling voor maatschappelijke doelen
zoals voedselzekerheid, milieu, duurzaamheid en de totstandkoming van groenere
economie. Binnen de plantenveredeling is sprake van continue innovatie. Onder
druk van concurrentie worden steeds nieuwe variëteiten ontwikkeld die voldoen
aan de vraag van producenten of consumenten. Plantenveredeling gedijt het beste
in een omgeving waar specifieke kennis, nieuwe technologie, toegang tot
genetische bronnen en kapitaal beschikbaar zijn. Die specifieke mix is in
Nederland weliswaar goed ontwikkeld, omdat hier al een lange traditie bestaat in
de veredeling van gewassen, maar staat onder druk.
De technologische ontwikkeling is in de afgelopen decennia snel gegaan.
Ontwikkelingen in moleculaire biologie (oorspronkelijk buiten de landbouw)
hebben sneller dan verwacht hun intrede gedaan in de sector. Met nieuwe
technieken kan de 'klassieke' veredeling efficiënter en effectiever verlopen. Met
deze technieken heeft ook het octrooirecht door richtlijn 98/44/EG (hierna biooctrooirichtlijn)
een plaats verworven in de sector. Bescherming van het
intellectuele eigendom van deze nieuwe technieken staat niet ter discussie. De
discussie is of de resultaten ervan in de vorm van veranderde eigenschappen van
planten - en daarmee in de markt aanwezige rassen - wel onder de exclusieve
bescherming van de octrooihouder mogen blijven vallen.
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 5 van 12
Waar onder het kwekersrecht concurrenten vrijelijk van elkaars rassen gebruik
mogen maken voor het creëren en commercieel exploiteren van nieuwe rassen,
geldt zoals hiervoor al is uiteengezet, dat voor het gebruik van octrooirechtelijk
beschermd plantenmateriaal een licentie van de octrooihouder nodig is.
Door de hiervoor geschetste ontwikkelingen ontstaat voor veredelaars en kwekers
een situatie van rechtsonzekerheid. Vragen die dan opdoemen zijn bijvoorbeeld:
Zijn er octrooirechten van toepassing, welke en van wie en is wellicht een licentie
nodig, en zo ja, tegen welke voorwaarden? In het bevestigende geval kan de
afhankelijkheid worden versterkt door restrictieve licentievoorwaarden. Blijkens
het rapport heeft in de afgelopen decennia als gevolg van de technologische
ontwikkelingen en de globalisering een grote consolidatieslag plaatsgevonden.
Voor de meest belangrijke voedselgewassen is wereldwijd nog slechts een beperkt
aantal bedrijven actief. De onderzoekers indiceren dat mede door de wijze waarop
octrooirechten nu worden verleend en uitgeoefend genetisch materiaal wordt
afgeschermd, verdere vermindering in diversiteit aan veredelingsbedrijven dreigt
te ontstaan en innovatie in de plantenveredeling dreigt te blokkeren. De balans
lijkt nu sterk uit te slaan in het voordeel van multinationale agro-chemische
bedrijven.
Het rapport doet onder andere aanbevelingen op het gebied van aanpassing van
wet- en regelgeving, op het gebied van verbetering van de kwaliteit van octrooien
en de wijze van omgaan met intellectueel eigendom.
Overleg met partijen
Wij onderschrijven het beeld dat de verhouding tussen het kwekersrecht en het
octrooirecht uit balans lijkt. Alles in ogenschouw nemend, vinden we dat het zaak
is dat de balans tussen kwekersrecht en octrooirecht zowel nationaal als
internationaal kritisch tegen het licht wordt gehouden. De toegang tot genetisch
materiaal door de plantenveredelingssector moet zo min mogelijk belemmerd
worden, gelet op de uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid waar deze
sector mede oplossingen voor moet aandragen. Naar aanleiding van de studie is
ambtelijk overleg van LNV en EZ gevoerd met uiteenlopende partijen, waarbij
voor- en tegenstanders van aanpassing van regelgeving zijn gehoord. De
argumenten die daarbij naar voren zijn gebracht zijn opgenomen in bijlage 2.
De uitkomsten van de ambtelijke gesprekken hebben ons duidelijk gemaakt dat er
grote verschillen tussen de opvattingen van de partijen zijn en de discussie binnen
de branche nog niet is afgerond. Dit geldt in het bijzonder ook in internationaal
verband waarbij partijen zoals de European Seed Association (ESA) en de
International Seed Federation (ISF) zich naar aanleiding van de actuele discussie
bezinnen op (aanpassing van) hun standpunt. Ook is reeds overleg gaande tussen
ESA/ISF en het Europees Octrooibureau over verbetering van de kwaliteit van de
octrooiverlening.
Voorgestelde acties
Het is tijdens het overleg met de sector duidelijk geworden dat mogelijke
oplossingen voor de geschetste problematiek op nationale schaal slechts beperkt
of niet mogelijk zijn, terwijl de aard van de problematiek om een internationale
oplossing vraagt. Daar komt bij dat Nederland gehouden is om verplichtingen die
voortvloeien uit verdragen en communautaire regelgeving te respecteren.
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 6 van 12
We zullen dan ook stappen zetten om deze discussie breder te trekken en voort te
zetten in nationaal en internationaal verband. Daartoe voorzien we de volgende
activiteiten:
1. Aanpassen van wet- en regelgeving
Een wetsvoorstel om een beperkte kwekersvrijstelling op te nemen in de
Rijksoctrooiwet 1995 zal worden voorbereid. De beslissing voor formele indiening
van deze wetswijziging zal worden overgelaten aan een nieuw kabinet.
Met een dergelijke kwekersvrijstelling zal het in navolging van Duitsland, Frankrijk
en Zwitserland mogelijk zijn om plantenmateriaal waarop een octrooirecht rust, te
gebruiken voor het ontdekken en kweken van nieuwe rassen, zonder dat sprake is
van inbreuk op het recht van de octrooihouder en zonder dat diens toestemming
nodig is voor het gebruik van dat materiaal voor die doeleinden. Voor deze
wetswijziging is naar ons oordeel geen wijziging van de bio-octrooirichtlijn nodig.
Deze nationale wetsaanpassing lost het gesignaleerde probleem van de
belemmering van de innovatie echter niet geheel op. Voor de productie en
verkoop van plantmateriaal van aldus nieuw ontwikkelde rassen waarin zich door
derden geoctrooieerde eigenschappen bevinden dienen veredelaars immers nog
steeds een licentie te verkrijgen. Eventueel wenselijke verdergaande wijzigingen
van het octrooirecht, ten gunste van kwekersactiviteiten zijn niet mogelijk zonder
wijziging van internationale regelingen en afspraken waar Nederland aan is
gebonden (onder andere Richtlijn 98/44/EG en het Europees Octrooiverdrag).
Daar is op dit moment geen internationaal draagvlak voor.
2. Evaluatie van de Europese kwekersrechtverordening en de biooctrooirichtlijn
Een oplossing voor de problematiek zal niet alleen op Nederlandse schaal moeten
worden gezocht of kunnen plaatsvinden. Minimaal op Europees niveau, en
mogelijk zelfs op het niveau van de WTO (de TRIPS-overeenkomst) zullen - indien
daar overeenstemming over zou worden bereikt- aanpassingen in wet- en
regelgeving moeten worden doorgevoerd. Een eerste stap is een verkenning hoe
de Europese Unie tegen dit vraagstuk aankijkt. De Minister van LNV zal dit CGNrapport
dan ook aan de Europese Commissie overhandigen en er op aandringen
dit mee te nemen bij de in 2010 uit te voeren evaluatie van de Communautaire
Kwekersrechtverordening 2100/94.
Voorts zal de minister van EZ de Europese Commissie verzoeken om aan dit
vraagstuk aandacht te besteden in het kader van het jaarlijks op grond van artikel
16, onder c van de bio-octroorichtlijn te verschijnen verslag over de
ontwikkelingen en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en
de gentechnologie. Verder zal de Europese Commissie gevraagd worden om
simultaan of zo spoedig mogelijk na de evaluatie van de Europese kwekersrechtverordening
ook de bio-octrooirichtlijn te evalueren en bij voorrang daarbij
aandacht te besteden aan de kwekersproblematiek.
3. Verbeteren van de kwaliteit van octrooiverlening.
Het gaat hierbij om het strenger toetsen aan de octrooivereisten zodat er minder
triviale octrooien worden verleend, die geen enkele bijdrage leveren aan
technologische innovatie.
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 7 van 12
Aan dit onderwerp ("Raising the bar") wordt sinds 2005 aandacht besteed door
het Europees Octrooibureau en de landen aangesloten bij het Europees
Octrooiverdrag, op initiatief van Duitsland, Denemarken en Nederland. Een
kritischer analyse van nieuwheid en ontwikkeling van striktere maatstaven voor
beoordeling van inventiviteit van uitvindingen maken onderdeel uit van het
lopende initiatief ´Raising the bar´.
"The overall goal of the Domain "Raising the Bar" is to enable the EPO to grant patents
only for innovations with sufficient inventive merit meeting needs of society. In order to
raise the bar with respect to inventive step, current examination practice will be
strengthened within the existing legal framework by taking into account stricter case law
of the Board of Appeals concerning the definition of the person skilled in the art and the
problem-and-solution approach."
Dat er nu al meer octrooiaanvragen worden afgewezen dan voorheen, laat zien
dat er in de octrooiverleningspraktijk van het EOB van verandering sprake is.
Wat betreft de veronderstelde te ruimhartige octrooiverlening voor uitvindingen
met betrekking tot werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de
voortbrenging van planten zij opgemerkt dat het EOB hierover geen standpunt
heeft ingenomen. Wel zijn er twee rechtszaken (G2/07 en G1/08) over de
betekenis van dit begrip nog aanhangig bij de Grote Kamer van Beroep van het
EOB, waarvan de uitkomst zal moeten worden afgewacht.
Voorts wordt met veel hogere tarieven gestreefd naar kortere octrooiaanvragen
en minder claims daarin. Octrooiaanvragen zijn aanmerkelijk duurder geworden
naarmate deze meer dan 10 respectievelijk 50 claims bevatten. Met cascades van
afgesplitste aanvragen konden octrooiaanvragers tot voor kort octrooiaanvraagprocedures
eindeloos traineren ('evergreening'), tot last van het EOB en tot
nadeel van derden. Mede dankzij de inzet van Nederland is de mogelijkheid om
Europese octrooiaanvragen te splitsen, sinds 1 april 2010 aanzienlijk ingeperkt.
4. Voorlichting over (gebruik van het) octrooirecht bevorderen
We hebben gemerkt dat in de zaaizaad- en plantgoedsector niet zonder meer
voldoende kennis aanwezig is over de inhoud en de betekenis van het
octrooirecht. Daardoor kan het zijn dat deze sector zichzelf tekort doet. Meer
voorlichting over het octrooirecht kan bijdragen aan een beter begrip van de
economische meerwaarde die het octrooirecht voor de sector kan hebben en
daarmee aan een goed gebruik ervan. We stellen ons in deze context voor dat de
Raad voor Plantenrassen en NL Octrooicentrum (sinds kort een onderdeel van
Agentschap NL) gezamenlijk optrekken in voorlichtingsactviteiten. Zo kunnen zij
de sector - naast al geleverde inspanningen - beter op de hoogte brengen van de
mogelijkheden om hun innovatie- en concurrentiekracht verder te vergroten door
bescherming van hun intellectuele eigendom, in het bijzonder door een beter
gebruik van het octrooirecht.
5. Kenbaarheid van rassen die vallen onder reikwijdte van een octrooi
verbeteren.
Momenteel is het voor een kweker moeilijk te achterhalen of een bestaand ras
reeds door anderen geoctrooieerde eigenschappen bevat.
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 8 van 12
Dit leidt tot onzekerheid en het gevolg van deze onzekerheid kan zijn dat een
kweker potentieel waardevol materiaal niet wil gebruiken om te voorkomen dat hij
wellicht wordt geconfronteerd met octrooi-inbreuk en dan zijn
veredelingsactiviteiten moet staken, een schadevergoeding moet betalen of een
licentie moet nemen. Dat betekent dat de loutere onzekerheid over de
rechtspositie in feite al kan leiden tot afnemende vrije beschikbaarheid van
genetisch materiaal. Om deze onzekerheid te voorkomen is het noodzakelijk dat
het in de toekomst voor kwekers eenvoudig te achterhalen is of een bestaand ras
geoctrooieerde eigenschappen bevat. De minister van LNV zal in overleg treden
met de Raad voor Plantenrassen en met Plantum hoe deze kenbaarheid kan
worden verbeterd.
6. Binnen de sector (bij voorkeur internationaal) ontwikkelen van
gedragscodes
De sector zelf kan een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor dit
vraagstuk. Idealiter vindt juist binnen de branche ook de dialoog plaats over
zelfregulering en een gedragscode (aanbeveling 3 van het CGN Rapport). Dit is
een belangrijke aanbeveling aan de branche. Immers de problemen worden door
de sector zelf veroorzaakt. Het proces van licentieverlening is momenteel zeer
ondoorzichtig, en afhankelijk van de commerciële strategie van de houder van de
licentie. Dit kost (juridische) inspanningen, levert in het bijzonder voor de
traditionele veredelingsbedrijven onzekerheden op en belemmert een open en
onafhankelijke innovatie.
Nationale c.q. internationale gedragscodes voor het vergemakkelijken van het
gebruik van octrooien en verkrijgen van licenties zijn gebruikelijk in andere
industriële sectoren. Tot op heden zijn de diverse partijen dit gesprek uit de weg
gegaan. Het is van belang, dat besprekingen over een dergelijk systeem
plaatsvinden en dat alle betrokken belanghebbende partijen daartoe een serieuze
inspanning leveren. Een dergelijke gedragscode zal uit kunnen gaan van
zogenoemde FRAND-licenties. Dit zijn licenties onder´Fair, Reasonable and Non
Discriminatory conditions'. Dat betekent dat licenties op eigenschappen voor
iedere belanghebbende beschikbaar gesteld worden tegen redelijke condities. In
internationaal verband vindt dergelijk overleg ook al plaats tussen partijen zoals
de ESA en ISF over mogelijke oplossingen voor de geconstateerde problemen.
Gezien het belang van de veredelingssector en de kennis die in Nederland
beschikbaar is, is gebruik van de Nederlandse kennis en ervaring wenselijk bij de
totstandkoming van zo'n gedragscode. Een dergelijke gedragscode zal wel moeten
worden bezien op eventuele mededingingsvraagstukken.
Weliswaar is het bedrijfsleven hier allereerst aan zet, maar daar waar nuttig en
mogelijk zal de overheid dergelijk overleg faciliteren door het beschikbaar stellen
van expertise of anderszins. Voorts zal Nederland dit onderwerp zowel binnen als
buiten Europa actief op de agenda zetten teneinde de oplossing van deze
problematiek te bespoedigen.
7. Overige activiteiten
Het rapport doet nog enkele andere aanbevelingen op het gebied van
biodiversiteit, ontwikkelingsbeleid en kennisbeleid.
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 9 van 12
Gemeenschappelijk kenmerk van deze aanbevelingen is de zorg dat zowel kennis
als genetische bronnen voldoende toegankelijk blijven, zodat het innovatief
vermogen van het Nederlandse veredelingsbedrijfsleven (groot en klein) op peil
blijft. Daarover is het volgende op te merken.
Nederland als belangrijke kennisbasis
Ongeacht de uitkomst van discussie over intellectuele eigendomsrechten is een
aantal activiteiten van groot belang voor de ontwikkeling van de veredelingssector
en voor het behoud van de positie van Nederland als aantrekkelijke vestigingsplaats
voor plantenveredelingsbedrijven. Nederland heeft een sterke en unieke
positie op het terrein van plantenveredeling, plantenvermeerdering, teelt, logistiek
en handel. Deze commerciële activiteiten vormen een dynamische en competitieve
markt die bedrijven en kennisinstellingen dwingt om continu te innoveren en in te
spelen op trends op basis van ondernemerschap, excellent publiek- en privaat
onderzoek en onderwijs. Hieraan heeft Nederland haar positie in de wereld te
danken als belangrijk land op het terrein van veredeling en productie van
plantaardig uitgangsmateriaal. Het gaat hier vooral om groenten, bloemen,
aardappelen en grassen, waarin Nederlandse bedrijven wereldwijd marktleider
zijn. Bedrijven hebben voor relevante kennisvragen dicht bij huis een krachtige
academische kennisbasis nodig. Onderscheidend en excellent onderzoek aan
kennisinstellingen is voor bedrijven in de veredelingssector dan ook bijzonder
belangrijk. Via de financiering van Wageningen Universiteit en Research Centrum,
maar ook via publiek-private samenwerkingsverbanden als CBSG en TTI Groene
Genetica levert de overheid een belangrijke bijdrage aan deze kennisbasis. Het is
onze intentie deze kennisbasis de komende jaren te versterken. Momenteel werkt
de Minister van LNV aan een visie op duurzame plantaardige ketens. Onderdeel
van die visie zal zijn hoe deze kennisbasis structureel kan worden versterkt.
Toegang tot genetische bronnen wereldwijd
Toegang tot genetische bronnen is van het grootste belang om rassen te kunnen
blijven ontwikkelen voor een groeiende populatie in een veranderend klimaat.
Op diverse fronten levert Nederland bijdragen aan het stimuleren van
beschikbaarheid en gebruik van genetische bronnen. Daarbij wijs ik onder andere
op het Biodiversiteitsverdrag en het Internationaal verdrag met betrekking tot
plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw. Nederland is een van de
pleitbezorgers geweest van de in deze verdragen vastgelegde principes. Voor
Nederland speelt het CGN (Centrum voor Genetische Bronnen Nederland) in
opdracht van LNV zowel nationaal als internationaal een actieve rol in de
totstandkoming en het beheer van genenbanken.
Cogem-onderzoek
Onlangs is gebleken, dat de COGEM op korte termijn een inventarisatie wil laten
uitvoeren van schaalvergroting en mogelijke monopolisering in de veredelingswereld
wereldwijd en de eventuele gevolgen hiervan. Tevens zal daarbij een
analyse worden gemaakt van mogelijkheden die overheden hebben om negatieve
gevolgen van een eventuele monopolisering tegen te gaan. Mogelijk werpen de
uitkomsten van dit nieuwe onderzoek ook nog licht op de situatie.
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 1
0
van 12
Wij vertrouwen erop dat met de constructieve inzet van alle betrokkenen,
rekening houdend met hun kennis van en ervaring met de praktijk van
octrooirecht en kwekersrecht, in een open dialoog oplossingen zullen kunnen
worden gevonden die internationaal bruikbaar zullen zijn.
DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE
VOEDSELKWALITEIT, ZAKEN,
G. Verburg M. van der Hoeven
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 1
1
van 12
Bijlage 1 gebruikte afkortingen
CBSG Centre for Biosystems and Genomics
CGN Centrum voor Genetische Bronnen Nederland
EOB Europees Octrooi Bureau
ESA European Seed Association
FAO Food and Agriculture Organization
ISF International Seed Federation
IP Intellectual Property
ISTA International Seed Testing Association
ITGPRFA International Treaty on Plant Genetic Resources for Food and
Agriculture
NIABA Nederlandse Biotechnologie Associatie
OECD Organisation for Economic Co-operation and Development
TTI-GG Technologisch Top Instituut Groene Genetica
UPOV Internationale Conventie over het kwekersrecht
WIPO World Intellectual Property Organization
Agroketens en Visserij
Datum
19 april 2010
Onze referentie
AKVL. 2010/594
Pagina 1
2
van 12
Bijlage 2 voor- en tegenstanders van aanpassing van regelgeving
Standpunt Plantum
Plantum, de belangenvereniging voor de plantenveredelingssector in Nederland,
had al in mei 2009 een standpunt in deze discussie geformuleerd. Plantum
vindt dat octrooirechtelijk beschermd materiaal net zo vrijelijk als onder het
kwekersrecht moet kunnen worden gebruikt, zowel in de fase van ontdekking
en ontwikkeling van nieuwe rassen, als in de fase van het vermarkten ervan in
afwijking van het hiervoor al uiteengezette vigerende octrooirecht. Een
minderheid van de Plantum leden verzet zich tegen het Plantum standpunt.
Tegenstanders van dit standpunt
Tegenstanders van dit standpunt hebben o.a. aangegeven dat het standpunt
van Plantum in strijd is met internationale, regionale en nationale wetgeving en
hebben de wens te kennen gegeven dat de Nederlandse regering het Plantum
standpunt niet honoreert, maar een evenwichtige positie kiest die rekening
houdt met de belangen van investeerders. Volgens hen is het octrooirecht
bijzonder geschikt voor het beschermen van nieuwe eigenschappen en
moleculaire veredelingsprocessen die breed toepasbaar zijn en welke vaak het
resultaat zijn van jarenlang onderzoek. Zonder octrooibescherming kan volgens
hen dergelijk onderzoek niet of onvoldoende vermarkt worden en zou derhalve
de ontwikkeling van dergelijke eigenschappen stil komen te liggen of ernstig
worden vertraagd. Zij stellen dat de mogelijkheid om dergelijke innovaties te
ontwikkelen een direct resultaat is van de zekerheid waarin het octrooirecht
voorziet. In hun ogen is een robuust intellectueel eigendomsrecht en de
mogelijkheid om de investeringen in onderzoek en ontwikkeling te beschermen
essentieel om door te kunnen gaan met het brengen van nieuwe producten en
landbouwgerelateerde oplossingen voor kwekers over de hele wereld. Ze geven
ook aan meer tijd te willen hebben voor overleg binnen de branche. Verder zien
de tegenstanders van het Plantum standpunt wel mogelijkheden voor
verbeteringen in het octrooiverleningsproces. Voorts is de suggestie gedaan
om, vanwege de lange ontwikkelingstijden in de veredelingssector, een abc,
een aanvullend beschermingscertificaat voor plantgerelateerde uitvindingen te
introduceren in het octrooirecht, naar analogie met geneesmiddelen en
gewasbeschermingsmiddelen. Een dergelijk abc zou de geldigheidsduur van een
octrooi dan verlengen van maximaal 20 tot maximaal 25 jaar.
Niaba, de belangenvereniging van ca 70 Nederlandse bedrijven en instellingen
op het gebied van de biotechnologie, vindt dat biotechnologische uitvindingen
octrooieerbaar moeten zijn, verwijzend naar de bio-octrooirichtlijn (die ook is
geïmplementeerd in de Rijksoctrooiwet 1995) en naar internationale
octrooiverdragen die Nederland heeft onderschreven. Mogelijke oplossingen
voor de problematiek moeten volgens Niaba het bouwwerk van deze richtlijn
intact laten. Niaba wil eerst kennis te nemen van de openbare uitkomsten van
het onderzoek en via een dialoog tot een meer gedetailleerd standpunt te
komen.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit