Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
De voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
ostbus 20018
P
2500 EA Den Haag
Den Haag Ons kenmerk Uw brief van Uw kenmerk
30 oktober 2008 HO&S/BS/69736 1 oktober 2008 08-RU-B-046
Onderwerp
Lijst van vragen over het rapport van de Algemene
Rekenkamer
Hierbij zend ik u het antwoord op de vragen van de Commissie voor Rijksuitgaven van uw Kamer inzake
het rapport van de Algemene Rekenkamer in samenwerking met het Rekenhof van België.
De vragen werden mij toegezonden bij uw bovenaangehaalde brief met kenmerk 08-RU-B-046
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
dr. Ronald H.A. Plasterk
6
44
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OCW 11 Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag, T +31-70-4123457 F +31-70-4123456 www.minocw.nl
blad 2/5
Antwoorden op de schriftelijke vragen van de commissie voor Rijksuitgaven van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ingezonden d.d. 1 oktober
2008 kenmerk 08-RU-B-046)
1. Vraag: Waardoor komt het dat het beroepenveld in het wetenschappelijk onderwijs slecht van de
grond komt, veel slechter dan in het hoger beroepsonderwijs?
Antwoord: Wo-opleidingen zijn in veel mindere mate dan hbo-opleidingen beroepsopleidingen. In
het hoger beroepsonderwijs zijn voor veel gebieden landelijke beroepsprofielen opgesteld met
behulp van het georganiseerde beroepenveld. Ook bij de meer beroepsgerichte wo-opleidingen
(m.n. de medische en technische opleidingen) is het beroepenveld vrijwel altijd structureel
betrokken. De meeste wo-opleidingen zijn echter geen opleidingen voor een specifiek beroep; in
deze gevallen ontbreekt vaak een goed georganiseerd beroepenveld dat als partner kan worden
aangesproken door de universitaire opleidingen.
2. Vraag: Hoe vaak kwam het voor dat verschillende commissies verschillend oordeelden over
onderwerpen die bij opleidingen binnen eenzelfde instelling op precies dezelfde manier zijn
vormgegeven? Bij welke instellingen gebeurde dit? Is hierin een verschil tussen België en
Nederland?
Antwoord: Het is mij niet bekend hoe vaak zich dit heeft voorgedaan. De Rekenkamer vermeldt dat
dit verschijnsel "wel eens" voorkwam bij de beoordeling van de interne kwaliteitszorg. Het is mij
niet bekend welke opleidingen van welke instellingen dit betrof. Ook naar het oordeel van de NVAO
zijn deze verschillen slechts zelden voorgekomen. Ik merk hierbij op dat het niet volledig uit te
sluiten is dat verschillende beoordelaars eenzelfde situatie verschillend beoordelen. Dat is
inherent aan het stelsel van peer reviews dat in alle volwassen externe kwaliteitszorgstelsels in het
hoger onderwijs een belangrijke rol vervult. Bovendien heeft de wetgever in Nederland, anders
dan in België, de clustergewijze beoordeling losgelaten. Omdat er echter voldoende
correctiemechanismen in het accreditatiesysteem zijn ingebouwd hebben deze mogelijke
verschillen geen nadelige gevolgen voor de betrouwbaarheid van het eindoordeel. Het uniforme
accreditatiekader, het toezicht dat de NVAO houdt op eenduidige toepassing daarvan en de interne
procedures binnen de NVAO bevorderen een consistente besluitvorming (zie ook het antwoord op
vraag 5).
3. Vraag: Klopt het dat bij studenten, medewerkers en de Algemene Rekenkamer de indruk bestaat
dat de NVAO bij accreditatie teveel nadruk legt op de proceskant en te weinig op de inhoud. Kunt u
bevestigen dat de NVAO dat ten zeerste bestrijdt. Waar komt dit verschil in inzicht door? Wat kan
er aan gedaan worden om deze kritiek te voorkomen?
Antwoord: Hoewel het niet systematisch is onderzocht is het aannemelijk dat veel medewerkers
en instellingsbesturen van oordeel zijn dat teveel nadruk ligt op de proceskant en te weinig op de
inhoud. Er zullen weinig studenten zijn die hierover een oordeel hebben. De NVAO licht haar
bezwaar tegen deze stelling toe in haar brief van 17 juli 2008 aan de President van de Algemene
Rekenkamer. In de beleidsnota "Focus op kwaliteit" wordt hieromtrent de volgende analyse
gemaakt. Hoewel in het accreditatiekader de inhoudelijke facetten van onderwijskwaliteit een
belangrijke plaats hebben, maken enkele factoren dat in het accreditatieproces de neiging
ontstaat om veel aandacht te besteden aan processen en de randvoorwaarden van het onderwijs.
Aan het verlies van accreditatie zijn zware sancties verbonden en de wettelijke regeling van
accreditatie heeft de werkwijze geformaliseerd en geüniformeerd ten opzichte van de
kwaliteitszorg in de periode daarvoor. Het gevaar dreigt dat doordoor de rol van de beoordelaars
wordt gereduceerd tot het scoren op voorgeschreven criteria en het inhoudelijke oordeel van de
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag, T +31-70 - 4123457 F +31-70-4123456 www.minocw.nl
blad 3/5
beste deskundige op het desbetreffend vakgebied in het gedrang komt. Het voorstel voor de
vernieuwing van het accreditatiestelsel heeft onder meer tot doel om meer gewicht te geven aan
de inhoudelijke oordeelsvorming door vakdeskundigen, het "timmermansoog".
4. Vraag: Waardoor is de marktwerking van de visiterende en beoordelende instanties (VBI's) zo
gebrekkig van de grond gekomen? Waarom moet de marktwerking dan heroverwogen worden? Wat
is het alternatief?
Antwoord: Marktwerking was niet de belangrijkste doelstelling bij het introduceren van de VBI's in
het accreditatiestelsel. Het doel was in de eerste plaats om meer variëteit in de aanpak van de
beoordelingsmethodiek mogelijk te maken en duidelijk te maken dat de verantwoordelijkheid voor
de kwaliteitszorg bij de instellingsbesturen ligt. De instellingsbesturen kiezen een VBI die bij hun
instelling past. In het wetsontwerp aanpassing accreditatie dat begin volgend jaar aan de Tweede
Kamer zal worden aangeboden zal een conclusie worden getrokken over de vraag in hoeverre
heroverweging van de positie van de VBI's nodig is. Ik wil daar nu nog niet op vooruitlopen.
5. Vraag: In hoeverre is de beoordeling van een instelling of van een deel van een instelling
gestandaardiseerd? Hoe groot kan de ruimte zijn tussen twee verschillende commissies wanneer
zij beide dezelfde accreditatie zouden verrichten?
Antwoord: Standaardisatie wordt nagestreefd door het gebruik van één accreditatiekader en
training van commissieleden door de VBI's. In een systeem met peer reviews bestaat echter altijd
de mogelijkheid van verschillende interpretaties en afwegingen. De NVAO moet erop toezien dat
de beoordelende commissies een gefundeerd en consistent oordeel over de
accreditatiewaardigheid van een opleiding geven.
6. Vraag: Hoe lang bestaat het geconstateerde gebrek aan transparantie al?
Antwoord: met de Algemene Rekenkamer ben ik van oordeel dat de transparantie van de oordelen
verder kan worden verbeterd. De NVAO werkt aan verbetering ervan. Dat betekent echter niet dat
de huidige oordelen van de NVAO onvoldoende beargumenteerd of niet inzichtelijk zouden zijn. De
NVAO besteedt veel aandacht aan de motiveringen van haar besluiten om daardoor een maximale
transparantie te bewerkstellingen.
7. Vraag: Welke instrumenten heeft de NVAO om aanvullende informatie in te winnen of aanvullend
onderzoek te doen? Wat is de oorzaak van de tekortschietende instrumenten om aanvullende
informatie in te winnen dan wel aanvullend onderzoek te doen?
Antwoord: De NVAO heeft een aantal instrumenten om, indien nodig, nadere informatie in te
winnen:
het stellen van aanvullende vragen om uitleg, nadere toelichting of meer informatie aan de
betreffende opleiding en VBI;
een gesprek voeren met de beoordelingscommissie;
het instellen van een zogenaamde verificatiecommissie, wanneer de NVAO gerede twijfel heeft
over de oordelen van een commissie.
Het wettelijk systeem is echter zo ingericht dat de NVAO in beginsel de oordelen van de VBI-panels
overneemt als de panels op de goede wijze zijn samengesteld en als zij goed beargumenteerde
rapporten met duidelijke conclusies hebben opgesteld. De NVAO is terughoudend met het instellen
van verificatiecommissies omdat in een dergelijk geval een groot deel van de visitatie opnieuw
moet worden gedaan. Ik bestrijd de conclusie dat het instrumentarium van de NVAO tekortschiet,
met uitzondering van het volgende. Gesignaleerd is dat de mogelijkheid ontbreekt om onderzoek te
doen indien een opleiding tijdens de periode van zes jaar, waarvoor de accreditatie geldt, ernstige
kwaliteitsproblemen lijkt te vertonen. Dat zal in het wetsvoorstel aanpassing accreditatie dat
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag, T +31-70 - 4123457 F +31-70-4123456 www.minocw.nl
blad 4/5
begin 2009 naar de Kamer gaat worden aangevuld. Dit wetsvoorstel is aangekondigd in de
beleidsbrief "focus op kwaliteit"(Kamerstukken II 2007/08, 31288, nr. 21).
8. Vraag: Hoe vaak en bij welke instellingen is het in Nederland gebeurd dat de NVAO een
visitatierapport afkeurt omdat het niet aan de formele eisen voldoet, terwijl zij in feite de kwaliteit
van de opleiding onvoldoende vindt?
Antwoord: De NVAO meldt dat er geen rapport is afgekeurd terwijl zij eigenlijk van oordeel was dat
de kwaliteit van de opleiding onvoldoende was. De NVAO keurt rapporten af indien deze de NVAO
niet in de gelegenheid stellen om een oordeel uit te spreken, bijvoorbeeld omdat een opleiding in
een omvangrijke omvorming zit of omdat een opleiding over zoveel locaties en varianten beschikt
dat één rapport deze complexiteit niet afdoende kan beschrijven.
9. Vraag: Bij de accreditatie van welke instellingen heeft de NVAO tegen een aantal Nederlandse
commissies geen bezwaar gemaakt, hoewel de bewijzen van onafhankelijkheid en deskundigheid
ontbraken?
Antwoord: Dit is een puur formeel-administratief punt: de formele onafhankelijkheids-
verklaringen die nu gebruikelijk zijn, werden in de eerste periode niet gevraagd. Dat neemt niet
weg dat de onafhankelijkheid en deskundigheid van de commissieleden bij iedere visitatie is
getoetst en goed bevonden.
10. Vraag: Hoe vaak en bij welke instellingen is de accreditatie van de onderzochte opleidingen
verleend op basis van plannen en niet op basis van bewezen kwaliteit?
Antwoord: Voor accreditatie moet de feitelijke kwaliteit van de opleiding kunnen worden
beoordeeld. De NVAO meldt dat bij eerst recent opgestarte of geactiveerde opleidingen (m.n. van
"aangewezen instellingen") en bij universitaire masteropleidingen de visitatiecommissies hun
oordeel mede hebben gebaseerd op de plannen. De universitaire masteropleidingen zijn immers
meestal pas in september 2005 van start gegaan. De beoordeling van masteropleidingen in de
jaren tot en met 2006 moest dus mede gebaseerd worden op de plannen van de opleidingen.
11. Vraag: In hoeverre is in het nieuwe accreditatiestelsel sprake van marktwerking bij accreditaties?
Antwoord: In verschillende evaluaties is er op gewezen dat de "tussenlaag" van VBI's onvoldoende
meerwaarde heeft. In het wetsontwerp aanpassing accreditatie dat begin volgend jaar aan de
Tweede Kamer zal worden aangeboden zal omtrent deze vraag een conclusie worden getrokken.
12. Vraag: Hoe kan het dat de beoordelingen in de visitatierapporten vaak te procedureel van aard
zijn? In hoeveel rapporten is dit het geval? Hoe vaak heeft dit geleid tot een onvolledige
accreditatie?
Antwoord: Als enig visitatierapport overwegend procedureel van aard zou zijn geweest, zou geen
accreditatie kunnen zijn verleend. Het rapport zou dan niet hebben voldaan aan het
accreditatiekader dat immers (ook) een inhoudelijke beoordeling vraagt. Zie in dit verband ook het
antwoord op vraag 3. De wet laat geen onvolledige of voorwaardelijke accreditatie toe.
13. Vraag: Kan het kabinet meedelen welke opleidingen wel voor bekostiging in aanmerking zijn
gekomen terwijl de opleiding niet geaccrediteerd is.
Antwoord: Ik heb de IB-groep gevraagd dit te onderzoeken. Ik zal u nader berichten wanneer de
informatie beschikbaar is. Hierbij wil ik wijzen op het volgende. Een instelling met een opleiding
waarvan de accreditatie is vervallen dient de opleiding gedurende een redelijke termijn in stand te
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag, T +31-70 - 4123457 F +31-70-4123456 www.minocw.nl
blad 5/5
houden om de zittende studenten de gelegenheid te bieden de opleiding af te maken. Dit was het
geval bij de opleiding die aanleiding was voor de kritiek van de Rekenkamer. Gedurende die op
grond van art. 5a.12 WHW bepaalde termijn heeft de instelling nog aanspraak op bekostiging voor
de desbetreffende opleiding. Er is in die periode dus geen sprake van onrechtmatig verkregen
bekostiging, hoewel de opleiding niet meer was geaccrediteerd.
14. Vraag: Hoe vaak en bij welke accreditaties is er sprake van geen of onvoldoende betrokkenheid
van alumni en/of het beroepenveld dat afgestudeerden opneemt?
Antwoord: Naar het oordeel van de NVAO is er bij geen enkele verleende accreditatie sprake
geweest van onvoldoende betrokkenheid van alumni en/of het beroepenveld. Zie het antwoord op
vraag 1.
15. Vraag: Hoe vaak en bij welke accreditaties is er sprake geweest van commissieleden die slechts in
een beperkt deel van de vakdiscipline deskundig zijn of van een situatie waarin er in het geheel
geen domeindeskundigen in de commissie zitting hebben?
Antwoord: Naar het oordeel van de NVAO hebben zich geen situaties voorgedaan waarin panels
niet over domeindeskundigheid beschikten. Domeindeskundigheid bestaat uit vakdeskundigheid
en/of werkvelddeskundigheid. De NVAO heeft in 2004 een protocol opgesteld voor VBI's waarin
o.a. de eis met betrekking tot de deskundigheid van de panels is opgenomen. Hierin is bepaald dat
het panel over vak- en werkvelddeskundigheid dient te beschikken. Na de eerste ervaringen met
de beoordeling van aanvragen accreditatie en de door de VBI's samengestelde panels, heeft de
NVAO het VBI-protocol verder verduidelijkt in augustus 2005. De ervaring tot nu toe is dat in het
wo de deskundigheid van panels geen twijfel oproept. In het hbo beschikken de panels altijd over
voldoende werkvelddeskundigheid, maar is soms een betere vakdeskundigheid gewenst. Het is
echter gebleken dat VBI's goede vakdeskundigen niet altijd makkelijk kunnen vinden. De
beoordelingspanels waren echter niet onvoldoende van kwaliteit.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag, T +31-70 - 4123457 F +31-70-4123456 www.minocw.nl