Vragenlijst IGK Jaarverslag 2007
Ministerie van Defensie
Postbus 20701
2500 ES Den Haag
Telefoon (070) 318 81 88
Fax (070) 318 78 88
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR Den Haag
Afschrift aan De Voorzitter van de Eerste Kamer
der Staten-Generaal
Binnenhof 22
2513 AA Den Haag
Datum 20 juni 2008
Ons kenmerk HDAB200816013
Onderwerp Vragenlijst IGK Jaarverslag 2007
Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de vragen van de vaste commissie voor Defensie over
het jaarverslag van de inspecteur-generaal der krijgsmacht (IGK) over 2007 (verzoek met
kenmerk 08-DEF-B-093).
DE MINISTER VAN DEFENSIE
E. van Middelkoop
Pagina 1/20
Ministerie van Defensie
1. Wat is er gebeurd met de conclusies en aanbevelingen van de Inspecteur-Generaal
der Krijgsmacht (IGK) over de jaren 2006, 2005 en 2004?
Over de voortgang van de conclusies en aanbevelingen over de jaren 2005 en 2004 bent u
geïnformeerd met kamerstuk 30800 X nr. 114 en vervolgens met kamerstuk 31200 X nr. 78.
De conclusies en aanbevelingen over 2006 hebben betrekking op de themaonderzoeken "de
nieuwe bureaucratie" en "opleiden en trainen bij defensie".
In 2007 zijn diverse maatregelen genomen ter bestrijding van de bureaucratische ergenissen,
waaronder het wegnemen van oorzaken gelegen in de wet- en regelgeving (project Orde in
regels, Regels in orde). In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag 2007 (kamerstuk
31444 X nr. 1) werd daaraan al kort gerefereerd. Andere bereikte resultaten zijn onder
andere het terugbrengen van het aantal personeelsformulieren, het terugdringen van de
administratieve rompslomp bij het aantreden van nieuwe medewerkers en het wegnemen van
onnodige bureaucratische stappen in het verwervingsproces voor kleine bedragen. Het
tegengaan van teveel bureaucratie is iets wat voortdurend de aandacht heeft van het
management.
Ten behoeve van de ontwikkeling van een blauwdruk opleiden & trainen (O&T) is in 2007 een
plan van aanpak opgesteld. Om de uitgangspositie eenduidig vast te stellen, is echter eerst
een "nulmeting' uitgevoerd. Deze wordt momenteel afgerond. De resultaten van deze
nulmeting worden meegenomen bij de nadere uitwerking van de blauwdruk.
Tegelijkertijd wordt een harmonisatie van de opleidingsprocessen doorgevoerd waarbij, onder
behoud van de noodzakelijke functionaliteiten, het ICT-veld op O&T gebied wordt gesaneerd.
Ook deze activiteit is randvoorwaardelijk voor de voorziene ontwikkeling van de blauwdruk,
met als afgeleide daarvan de bedrijfsvoering en ondersteunende IV/ICT.
Voor een integrale benadering van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van O&T is op
initiatief van het Overleg Platform Onderwijsbeleid Defensie (OOD) een kennisnetwerk O&T
ingericht. De activiteiten van dit netwerk hebben geleid tot een gestructureerd integraal
onderzoeksplan met TNO en de NLR.
Op het gebied van samenwerking met civiele opleidingsinstituten wordt een vergaande
samenwerking en uitwisseling met regionale opleidingsinstituten verkend en geconcretiseerd
met ingang van het komende schooljaar. Ook hier zal het OOD een belangrijke
coördinerende rol vervullen.
Pagina 2/20
Ministerie van Defensie
2. Waarom biedt het jaarverslag van de IGK over 2007 geen terugblik op bevindingen
uit vorige jaren? Hoe kan men uit het jaarverslag aflezen of bepaalde onderwerpen die
door de IGK zijn behandeld in dit verslagjaar verbeterd dan wel verslechterd zijn?
Waarom is het kabinet de toezegging zoals gedaan bij de beantwoording van de
schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie over het jaarverslag van de
IGK over 2006 (Kamerstuk 30 800 X, nr. 114, vraag 2) niet nagekomen om in de
aanbiedingsbrief bij het jaarverslag een geactualiseerd overzicht op te nemen van de
stand van zaken van de verschillende aanbevelingen?
Bij de beantwoording van de schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Defensie over
het jaarverslag van de IGK over 2006 is aangegeven dat de IGK in zijn jaarverslagen bij
herhaling aandacht besteedde aan bepaalde onderwerpen indien daar aanleiding toe was.
Bovendien is bij de beantwoording van de vragen toegezegd dat in de komende
jaarverslagen de IGK voortaan een aantal onderwerpen zal benoemen die hij speciaal zal
volgen en waarvan hij verslag zal doen in het volgende jaarverslag. Het jaarverslag 2007
geeft expliciet in de tekst aan welke onderwerpen de IGK zal volgen. In het jaarverslag 2008
zal de IGK in ieder geval op deze onderwerpen terugblikken.
Over de voortgang van de conclusies en aanbevelingen over voorgaande jaren verwijs ik u
naar de beantwoording vraag 1. De daarin opgenomen informatie was nog niet volledig
bekend ten tijde van het aanbieden van het jaarverslag. In de aanbiedingsbrief bij het
volgende jaarverslag zal een overzicht van de dan bekende stand van zaken van de
verschillende aanbevelingen opgenomen worden.
3. Hoeveel, uitgedrukt in voltijdsequivalenten (VTE), tijdelijk personeel is er ingehuurd?
Wat zijn de kosten hiervan? Kunt u dit inzichtelijk maken door beide zaken in een
overzicht op te nemen voor de jaren 2006 en 2007? Zo neen, waarom niet?
In het departementale jaarverslag van Defensie is voor de inhuur van tijdelijk personeel een
bedrag van 45,5 miljoen opgenomen. Dit bedrag kan niet in voltijdsequivalenten worden
herleid, daar de inhuur plaatsvindt voor verschillende categorieën personeel, voor een
Pagina 3/20
Ministerie van Defensie
verschillende tijdsduur en bij verschillende uitzendbureaus, die verschillende inhuurtarieven
hanteren.
De inhuuruitgaven voor tijdelijk personeel over 2006 kunnen niet worden weergegeven omdat
deze uitgaven door Defensie niet op dat detailniveau worden geadministreerd.
4. In welk registratiesysteem is in de loop van het verslagjaar een aantal wijzigingen
ingevoerd? Betreft het hier een geheel nieuw registratiesysteem of zijn er
aanpassingen gemaakt in het bestaande systeem?
Het betreft aanpassingen in het bestaande systeem: het Individuele Registratie Systeem
(IRS). Het IRS is een informatiesysteem dat alleen intern de staf van de IGK wordt gebruikt
en slechts toegankelijk is voor de gebruikers binnen de staf IGK.
5. Hoe vaak heeft de IGK in het jaar 2007 de politieke en ambtelijke leiding van het
ministerie van Defensie ongevraagd van advies voorzien? Op welke onderwerpen
had(den) dit/deze advie(s)(zen) betrekking?
Op basis van de ervaringen die hij en het personeel van zijn staf opdoen bij de werk- en
stafbezoeken is de IGK in een continu adviesproces aan de politieke en ambtelijke leiding
betrokken. Ook individuele bemiddelingen leiden zeer regelmatig tot adviezen aan de leiding.
De IGK rapporteert ieder kwartaal zijn bevindingen aan de politieke en ambtelijke leiding, die
zo nodig leiden tot actiepunten waarvan de afdoening in het overleg met de politieke en
ambtelijke leiding wordt bewaakt.
6. Waarom hebben de kwartaalverslagen van de IGK een vertrouwelijk karakter? Kan
de Kamer inzage krijgen in de kwartaalrapportages van de IGK? Zo neen, waarom niet?
Met brief 15 juni 2006 (kamerstuk 30300 X nr. 118) heeft de minister van Defensie de
voorzitter van de vaste commissie voor Defensie hier uitleg over gegeven. Hierin is
meegedeeld dat de minister en de IGK van mening zijn dat het onwenselijk is om de
kwartaalrapportages, stukken die zijn bedoeld voor overleg binnen zijn ministerie, daar buiten
te brengen. Dit heeft te maken met de werkwijze die de minister en de IGK hebben
afgesproken en die naar tevredenheid functioneert. De werkwijze houdt in dat door de IGK
Pagina 4/20
Ministerie van Defensie
gesignaleerde zaken eens per kwartaal met de politieke en ambtelijke top worden besproken.
Met dit doel stelt de IGK de "kwartaalrapportages" op. De minister besluit vervolgens na
bespreking welke actie moet worden ondernomen. De wetenschap dat de
kwartaalrapportages, stukken die zijn bedoeld voor intern overleg, buiten het ministerie
belanden, belemmert de IGK in zijn vrijheid van advisering aan de minister van Defensie en
schaadt mogelijk de werkwijze. Dit laat onverlet dat de zaken die zijn besproken en waarvan
de IGK vindt dat deze door Defensie onvoldoende worden opgepakt of breder onder de
aandacht moeten worden gebracht door hem in zijn jaarverslag worden opgenomen. De IGK
staat ervoor dat hierbij geen licht schijnt tussen de kwartaalverslagen en het jaarverslag. Een
tweede reden die de minister in genoemde brief heeft aangevoerd om terughoudend te zijn
met het overleggen van de gevraagde stukken is dat hij geen precedent wil scheppen ten
aanzien van het overleggen van stukken van een onafhankelijk functionerende instantie.
Hoewel de IGK onder ministeriële verantwoordelijkheid opereert, bekleedt de IGK een
onafhankelijke positie. Het jaarverslag en de kwartaalverslagen zijn van de IGK en niet van
de minister van Defensie. Om deze reden biedt de minister op de derde woensdag van mei
als verantwoordelijke minister het jaarverslag van de IGK aan voorzien van zijn appreciatie.
7. Wat zijn volgens de IGK de redenen waarom het in de praktijk `niet altijd even
gemakkelijk blijkt te zijn' om personeel te vinden dat bereid is om zitting te nemen in
medezeggenschapscommissies?
Onderkend wordt dat medezeggenschap steeds vaker te maken heeft met vacatures. Dit is
echter niet anders dan in het bedrijfsleven en de overheid. Bij de militaire leden van
medezeggenschapscommissies (MC) speelt daarnaast dat door functieroulaties en
uitzendingen er sprake is van een relatief hoog verloop. De cultuuromslag die binnen
Defensie gemaakt moet worden, is daarom zo belangrijk. Wil de animo voor
medezeggenschap omhoog gaan dan moet de medezeggenschap aantrekkelijker gemaakt
worden. Dit kan op vele manieren zoals:
· Zorgdragen voor een interessante medezeggenschapsagenda zodat zowel MC als
achterban zich hier in kunnen vinden. MC en commandant kunnen dus van te voren
heldere afspraken maken over de belangrijke zaken voor het komende jaar en dit
vastleggen in de jaarplannen.
· Zorgdragen dat de MC een volwaardige plaats binnen de eenheid heeft bijvoorbeeld
door een gezamenlijk optreden van commandant en MC (successen uitdragen) en het
Pagina 5/20
Ministerie van Defensie
stimuleren van deelname aan medezeggenschap door de commandant
(voorbeeldfunctie).
· In het nieuwe Besluit Medezeggenschap Defensie is ook een aantal zaken
opgenomen die de animo kunnen bevorderen zoals meer faciliteiten, maar ook een
verlaging van drempels om mee te mogen doen.
Tijdens het onlangs gehouden Medezeggenschapssymposium `Samen aan de slag!', is ook
aan dit onderwerp uitgebreid aandacht besteed.
8. Waarin uitten zich de door de IGK diverse malen geconstateerde
`motivatieproblemen' en `afnemende steun van het thuisfront' bij personeel dat in korte
tijd vier tot zes keer is uitgezonden?
Veelvuldige uitzendingen vormen een grote belasting voor de militair en het thuisfront van de
militair. Dit komt tot uiting in de antwoorden die gegeven worden bij exitinterviews op de
vraag naar de reden(en) van vertrek. De hoge uitzenddruk, de (on)balans tussen werk en
privé en de "uitzending voor een uitzending" worden dan onder andere genoemd. Met de
laatste reden bedoelt men het oefen- en opwerkprogramma in voorbereiding op een
uitzending waarbij de militair ook al veel nachten niet thuis is bij zijn of haar gezin. Bij
personeel dat in korte tijd vaak is uitgezonden (dit betreft veelal personeel in schaarse
categorieën) wordt dit sterker ervaren.
9. Kan de Kamer een overzicht krijgen van het aantal militairen bij wie in 2007 de
uitzendbescherming niet strikt is gehanteerd? Kan tevens een overzicht worden
gegeven waarin dezelfde cijfers zijn opgenomen voor de jaren 2004, 2005 en 2006,
opdat een eventuele trend zichtbaar kan worden? Zo neen, waarom niet?
Voor militairen geldt een uitzendbescherming tussen twee uitzendingen. Deze bedraagt twee
maal de periode van de laatste uitzending. Indien hiervan wordt afgeweken, is het beleid dat
dit alleen maar kan op initiatief van betrokken militair, waarbij de militair aangeeft geen
bezwaar te hebben. In die gevallen vindt er altijd nog een sociaal medisch onderzoek plaats.
Deze uitzonderingen worden niet geregistreerd, waardoor het niet mogelijk is een overzicht
aan te leveren.
Pagina 6/20
Ministerie van Defensie
10. Werd de mening van de betrokken militairen over het nut van de Uruzgan-missie
ook door de IGK onderzocht? Zo ja, wat was de uitslag van zulk onderzoek?
De IGK heeft hier geen specifiek onderzoek naar verricht.
11. Welke eenheden hebben problemen ondervonden bij het aanpassen van de
bedrijfsvoering aan de Arbeidstijdenwet? Waarin uitten zich deze problemen? Wat is
en wordt eraan gedaan om te voorkomen dat deze problemen worden opgelost?
De naleving van de in de Arbeidstijdenwet (ATW) en het Arbeidstijdenbesluit (ATB)
opgenomen normen voor het verrichten van aanwezigheidsdiensten veroorzaakt bij een
aantal Defensieonderdelen, waaronder bij het Commando Zeestrijdkrachten (CZSK),
problemen in de bedrijfsvoering, die niet direct kunnen worden opgelost. Bij CZSK gaat het
hierbij om het verrichten van wachtdiensten aan boord van aan de wal liggende schepen en
de aanwezigheidsdiensten bij het Korps marinebrandweer (KMB). In overleg met de centrales
van overheidspersoneel is een tijdelijke voorziening getroffen voor bedoelde onderdelen van
Defensie. Daarbij is afgesproken dat tijdelijk kan worden afgeweken van de ATB-normen.
Gedurende deze periode wordt de bedrijfsvoering bij de onderdelen in overeenstemming
gebracht met de ATW/ATB-normen. Tevens bestaat gedurende deze periode aanspraak op
compensatie, voor zover wordt afgeweken van de normen. Voor de wachtdiensten aan boord
van schepen is de einddatum gesteld op 1 augustus 2008. Op die datum zal het nieuwe
geautomatiseerde walbewakingssysteem bij de Koninklijke marine zijn ingevoerd. Voor het
KMB is de einddatum gesteld op 1 januari 2010. Tot dat moment zal een aantal extra
medewerkers worden geworven en opgeleid.
12. Onderschrijft u het oordeel van de IGK dat met voortvarendheid moet worden
gestreefd naar aanpassingen in de regelgeving, opdat het koppelen van de benodigde
databases van de verschillende handhavingdiensten van de Kustwacht mogelijk
wordt? Zo ja, welke actie(s) zal u dientengevolge nemen?
Ja, ten behoeve van het Informatie Gestuurd Optreden (IGO) door de Kustwacht is het delen
van informatie door de verschillende diensten van groot belang. Door de Kustwacht is
inzichtelijk gemaakt welke informatie benodigd is om als Kustwacht informatie gestuurd te
kunnen optreden. Op basis hiervan wordt thans onderzocht welke aanpassingen in wet- en
Pagina 7/20
Ministerie van Defensie
regelgeving zijn vereist voor het delen van informatie van de verschillende diensten, voor
zover dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede taakuitoefening.
Zolang dit onderzoek niet is afgerond en de wet- en regelgeving niet zijn aangepast, is het
uitvoeren van integrale risicoanalyses op het Kustwachtcentrum (KWC) nog niet haalbaar. De
handhavingsdiensten hebben aangegeven vooralsnog zelf deze risicoanalyses uit te voeren
en de resultaten daarvan beschikbaar te stellen aan het KWC door tussenkomst van de
liaisons.
13. Hoe beoordeelt u de constatering van de IGK dat de eenheden die niet gepland
staan voor de International Security Assistence Force (ISAF)-missie te kampen hebben
met achterblijvende toewijzing van opleidingen en cursussen en een tekort aan
materieel, met het gevolg dat het niveau van deze eenheden daalt?
Zie beantwoording vraag 14
14. Hoe beoordeelt u de constatering van de IGK dat het voor het Commando
Landstrijdkrachten steeds moeilijker wordt om binnen de beschikbare capaciteit en
middelen de gereedstelling voor missies tijdig te realiseren?
De constatering van de IGK dat er als gevolg van de ISAF missie op het Commando
Landstrijdkrachten een grote druk ligt, is juist. Zoals de IGK in het jaarverslag al aangeeft,
heeft de Commandant Landstrijdkrachten in 2007 een aantal besluiten genomen en een
aantal andere maatregelen ter besluitvorming aan de Commandant der Strijdkrachten
voorgelegd teneinde de schaarste (defensiebreed) het hoofd te bieden. Hierdoor slaagt het
Commando Landstrijdkrachten er in om binnen de beschikbare capaciteit en middelen de
Gereedstelling voor missies binnen de beschikbare tijd te realiseren.
De zorg die de IGK uit ten aanzien van de steeds moeilijkere Gereedstelling, dient in de tijd
enigszins te worden genuanceerd. Ten eerste neemt de implementatie van de maatregelen
die moeten leiden tot een lastenverlichting (zoals het herstel of vervanging van materieel en
het opleiden van extra personeel) tijd in beslag. Hierdoor worden de positieve effecten van
deze maatregelen pas in de loop van 2008/2009 waarneembaar. Ten tweede wordt op dit
moment door de Defensiestaf de ISAF missie geëvalueerd waarbij onder andere wordt
bezien hoe het gestelde in de Artikel 100 Brief "Verlenging ISAF missie" kan worden
geïncorporeerd. In deze brief is onder meer gesteld dat de Nederlandse troepenbijdrage de
Pagina 8/20
Ministerie van Defensie
komende jaren zal reduceren. Deze ontwikkeling heeft eveneens een positief effect op de
belasting van het Commando Landstrijdkrachten.
15. Kan de Kamer concrete cijfers ontvangen van het aantal personeelsleden,
onderverdeeld in de verschillende categorieën (technisch, beleidsmatig, etc.) dat op dit
moment niet beschikt over certificeringbevoegdheid?
Op Soesterberg zijn er tekorten bij zowel de Chinook (28) als de Cougar (21). Probleem daar
is enerzijds het tekort aan ervaring, anderzijds dat mensen met de bevoegdheid om een
luchtvaartuig vrij te geven voor inzet niet meer werkzaam zijn op een functie waar die
bevoegdheid benodigd is.
16. Op welke categorieën wordt er gedoeld wanneer vermeld wordt dat de IGK van
oordeel is dat de constructie waarbij uitwisseling van personeel plaatsvindt tussen het
Defensie en Relatieziekenhuizen wellicht ook toepasbaar is bij andere schaarse
categorieën personeel?
Hierbij is niet specifiek gedoeld op bepaalde categorieën. De constructie die wordt toegepast
bij medisch personeel in samenwerking met Relatieziekenhuizen is aangehaald als mogelijke
oplossing van schaarste bij andere categorieën. Naar aanleiding van de parlementaire
behandeling op 16 april 2008 van het Actieplan Werving & Behoud is een aantal
deelprojecten opgestart. Een van de deelprojecten behelst een onderzoek naar
uitbreidingsmogelijkheden van de genoemde constructie. Uiterlijk 15 oktober 2008 zal de
Kamer worden geïnformeerd over de categorieën waar mogelijkheden worden onderkend en
het zinvol wordt geacht de IDR-constructie toe te passen.
17. Wat wordt bedoeld met `of deze introductie strookt met de Gedragscode Defensie'?
Hoe is deze vraag geoperationaliseerd? Hoe, en door wie wordt bepaald of een
incident tijdens de introductieperiode al dan niet noemenswaardig is? Kan de Kamer
een overzicht ontvangen van het aantal incidenten dat zich in 2007 tijdens de
introductie heeft voorgedaan, noemenswaardig of niet?
De IGK heeft bij zijn werkbezoek aan de NLDA gesproken met C-NLDA, zijn personeel,
cadetten en adelborsten. Hierbij is gebleken dat C-NLDA richtlijnen heeft gegeven om bij de
Pagina 9/20
Ministerie van Defensie
introductie- en coördinatieperiode binnen de termen van de gedragscode te blijven. Op basis
van deze richtlijnen zijn door C-NLDA geaccordeerde protocollen en draaiboeken ontwikkeld,
die zijn gehanteerd bij de uitvoering van genoemde introductie. Adviseurs (in casu officieren
die gedurende de gehele coördinatieperiode aanwezig zijn) zijn aangesteld die eventuele
voorvallen rechtstreeks bij C-NLDA dienen te melden. Hij bepaalt of er sprake is van een
incident. In 2007 hebben zich tijdens de introductie bij de NLDA geen incidenten voorgedaan.
18. Zal u de aanbeveling overnemen om een evaluatie uit te voeren met als doel te
bezien of de veteranen zich kunnen vinden in de constatering van de IGK dat er met de
herinrichting van de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg een forse stap voorwaarts
is gezet met de zorgverdeling rondom uitzendingen en de veteranenzorg? Zo ja, door
wie zal deze evaluatie worden uitgevoerd?
Ja. De zorgverlening aan veteranen vanuit het Landelijk Zorgsysteem Veteranen (LZV) zal
worden geëvalueerd mede aan de hand van de adviezen van de Raad voor de civiel-militaire
Zorg en Onderzoek (RZO). Omdat het LZV enige tijd nodig heeft om zich verder te
ontwikkelen, zal een dergelijke evaluatie volgend jaar worden uitgevoerd.
19. Welke cultuurverandering(en) is/zijn volgens de IGK nodig om van de herinrichting
van de personeelsorganisatie een succes te maken? Binnen welke termijn verwacht de
IGK dat een dergelijke herinrichting met bijbehorende cultuurverandering realiseerbaar
is?
De herinrichting van het personele functiegebied houdt een heroriëntatie in van taken en
bevoegdheden van lijnmanagers, P&O-functionarissen en overige medewerkers op alle
niveaus binnen de Defensie organisatie. Het Defensiepersoneel als klant moet hierop
adequaat worden voorbereid, zodat vanuit een reëel verwachtingspatroon een beroep op de
P&O-dienstverlening wordt gedaan. Daarbij wordt van het Defensiepersoneel meer
zelfredzaamheid en eigen initiatief verwacht, met name op het gebied van administratieve
zaken en persoonlijke ontwikkeling.
Het Dienstencentrum HR in Enschede is steeds meer de primaire vraagbaak op P&O-gebied.
Dit ondersteunend dienstencentrum staat weliswaar op meer afstand van het personeel,
maar is vaktechnisch beter toegerust om het Defensiepersoneel toereikende ondersteuning
en advies te kunnen bieden.
Pagina 10/20
Ministerie van Defensie
Het accent binnen het werk van de P&O-adviseurs verschuift van actieve dienstverlening aan
het personeel naar advisering van het lijnmanagement. Zowel de P&O-functionarissen, het
lijnmanagement als het Defensiepersoneel worden opgeleid om vanuit het juiste
verwachtingspatroon samen te kunnen werken. Opleidingen en informatievoorziening zijn van
het grootste belang om deze transitie te laten slagen. Hiertoe is onder andere een HRM-
Academie opgericht.
De IGK verwacht dat het opleidings- en vormingstraject van het betrokken personeel volgens
de planning van deze reorganisatie in de loop van 2010 is te realiseren. Aandacht voor het
attitude veranderingsproces blijft vereist, opdat iedereen vanuit een afgestemd
verwachtingspatroon blijft samenwerken. Hiertoe is een separaat deelproject
Verandermanagement en Communicatie ingericht.
20. Waarom is er, ondanks de plannen deze medio 2007 al in werking te laten treden,
nog steeds geen onafhankelijke en professionele integriteitorganisatie opgericht?
Wanneer zal dit orgaan wel worden opgericht en inwerkingtreden?
De commissie Staal heeft in 2006 onderzoek gedaan naar ongewenst gedrag binnen de
Krijgsmacht. Eén van de aanbevelingen naar aanleiding van dit onderzoek betrof het
omvormen van de huidige organisatie van integriteitzorg tot een georganiseerd vangnet van
onafhankelijke professionals. Het integreren van de voorwaarden die nodig zijn om deze
gewenste onafhankelijkheid te bereiken, vergde echter meer tijd dan aanvankelijk werd
verwacht. Voorwaarden zijn onder meer de aansluiting bij de rollen en bevoegdheden van de
verschillende actoren binnen defensie op het terrein van integriteitschendingen en het
creëren van draagvlak in de gehele organisatie voor het centraliseren van het
aandachtsgebied. Hierdoor is de oorspronkelijk gestelde datum van een volledige realisatie
niet gehaald. Er is gekozen voor een `stap voor stap' benadering, waarbij inmiddels de staf en
het meldpunt operationeel zijn. Eind dit jaar zal de reorganisatie van de volledige
professionele, onafhankelijke en defensiebrede integriteitorganisatie zijn afgerond.
21. Hoeveel burgerambtenaren voeren op dit moment werkzaamheden in
operatiegebieden uit? Kan een overzicht worden gegeven van het aantal
burgerambtenaren dat in operatiegebieden werkzaam is geweest in de jaren 2004,
2005, 2006 en 2007? Zo neen, waarom niet?
Pagina 11/20
Ministerie van Defensie
Op dit moment zijn 36 gemilitariseerde burgerambtenaren werkzaam in operatiegebieden. In
het personeelsinformatiesysteem is deze informatie tot en met 2006 terug te vinden. In juni
2007 betrof het 31 en in juni 2006 betrof het 10 gemilitariseerde burgerambtenaren.
22. Hoe kan binnen het Flexibel Personeel Systeem invulling worden gegeven aan de
voorkeur van de IGK voor loopbaanpatronen voor militairen met bepaalde
specialistische achtergrond?
Het Flexibel Personeelssysteem (FPS) maakt het mogelijk dat medewerkers zelf meer sturing
geven aan hun loopbaan. Daarvoor is een goed inzicht in de loopbaanmogelijkheden
noodzakelijk. Zo draagt de intensivering van de loopbaanbegeleiding hieraan bij.
Medewerkers worden beter geadviseerd en begeleid bij het maken van hun loopbaankeuzes.
Daarnaast zal ook het loopbaanbeleid worden geoptimaliseerd. Het ontwikkelen van
loopbaanpatronen maakt daar onderdeel van uit. Op dit moment hebben de
defensieonderdelen op verschillende wijze hun loopbaanpatronen vastgelegd. De komende
periode zal worden bezien in hoeverre het loopbaanbeleid kan worden geharmoniseerd.
Daarbij zal gestreefd worden naar een balans tussen loopbaanpatronen in specialistische
functiegebieden en meer generieke loopbaanpatronen.
23. Welke termijn staat er voor de afhandeling van klachten en aanvragen binnen de
ICT-dienstverlening? Hoe lang duurt het in de huidige praktijk voor een klacht of
aanvraag is afgehandeld?
Binnen de ICT-dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen aanvragen voor standaard
diensten en niet-standaard diensten. De verhouding tussen standaard en niet standaard is
circa 80-20. Standaard diensten worden via een geautomatiseerd bestelportaal door
geautoriseerde functionarissen afgeroepen en - afhankelijk van de dienst - binnen maximaal
vijf werkdagen afgehandeld. Het aanvragen van niet-standaard diensten verloopt via een
procedure waarbij met name de doelmatigheidsvraag een belemmerende factor is als het
gaat over de doorlooptijd. Niet-standaard diensten zijn immers duurder dan standaard
diensten en de financiële situatie van Defensie staat niet toe dat elke vraag kan worden
toegewezen.
Pagina 12/20
Ministerie van Defensie
Indien de klant ontevreden is over de afhandeling van de aanvraag of over de dienstverlening
in zijn algemeenheid kan hij een klacht bij de ICT dienstverlener indienen. Van deze klachten
wordt 70% binnen 15 werkdagen afgehandeld. Dat is binnen de norm.
24. Wat is op dit moment de stand van zaken voor wat betreft de studie naar een
gemeenschappelijk hoofdkwartier?
Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan het plan van aanpak voor het project
Oprichting Permanent Gezamenlijk Hoofdkwartier (PGHK). Dit plan beschrijft onder meer de
projectorganisatie en de fasering van het project vanaf de verdiepingsstudie naar de taken,
verantwoordelijkheden en organisatie van het PGHK tot en met het implementatietraject.
25. Zijn de IGK gevallen bekend waarin personeel in hun arbeidscarrière of anderszins
nadelen hebben ondervonden na zittingneming in een medezeggenschapscommissie?
Zo ja, welke nadelen betrof het?
De IGK zijn geen gevallen bekend. In sommige conflictsituaties is door personeelsleden een
relatie gelegd met het lidmaatschap van een MC waarbij echter een dergelijk verband niet is
aangetoond.
26. Hoe beoordeelt de IGK het gegeven dat de Algemene Rekenkamer (ARK) in 2006
heeft besloten een bezwarenonderzoek in te stellen naar de bedrijfsvoering van het
ministerie van Defensie, omdat zij al een aantal jaren dezelfde of vergelijkbare
onvolkomenheden constateerde? Deelt de IGK de constatering van de ARK dat het
ministerie van Defensie structurele problemen heeft in haar bedrijfsvoering, zowel op
het gebied van financieel beheer als materieelbeheer? Zo neen, waarom niet?
De IGK houdt geen toezicht op de gehanteerde materieel logistieke en financiële procedures.
Hij richt zich met name op de beleving van het personeel van het gevoerde beleid in de
breedste zin. De IGK heeft er overigens wel op gewezen dat het ambitieniveau van Defensie
erg hoog is waarbij mede door ICT ontwikkelingen grote ingrepen in de organisatiestructuren
plaatsvinden. Dit gekoppeld aan prioriteitstellingen gericht op operationele inzet en vacatures
maakt dat de hiervoor genoemde bedrijfsvoering onder druk staat.
Pagina 13/20
Ministerie van Defensie
27. Hoe verhoudt zich de indruk van de IGK over de hoge motivatie van het personeel
op pagina 34 van het jaarverslag met de op pagina 12 geconstateerde
motivatieproblemen bij personeel dat in korte tijd vier tot zes keer is uitgezonden?
Het gestelde in de samenvatting op pagina 12 gaat specifiek over het voortzettingsvermogen
van de groep van schaarse specialisten die veelvuldig uitgezonden worden (zie ook
paragraaf 3.2.1.). Pagina 34 geeft een oordeel over de motivatie van het personeel in het
algemeen.
28. Waarom is, ondanks de eerder gedane aanbeveling van de IGK en de
inwerkingtreding van PeopleSoft, nog steeds geen individueel registratiesysteem
opgezet waarmee kan worden bijgehouden hoeveel nachten medewerkers per jaar van
huis zijn?
In 2007 is besloten een analyse van de belasting van personeel en het thuisfront gerelateerd
aan het aantal "nachten van huis" uit te voeren. Vervolgens is gestart met een onderzoek
naar de ervaringen met de totale belasting van personeel en de door Operationele
Commando's gehanteerde normen voor zowel de uitzendbelasting als de totale belasting
gerelateerd aan het aantal nachten van huis. Na de beschouwing van de Nederlandse
situatie is de praktijk bij andere westerse krijgsmachten - Duitsland, Engeland, VS,
Noorwegen en Zweden - onderzocht. Op basis van de resultaten van deze analyse is
vastgesteld dat accuraat inzicht nodig is in de belasting op individueel niveau en er valide en
betrouwbare gegevens geregistreerd moeten gaan worden. In het bijzonder ten behoeve van
commandanten voor het evenredig reguleren van de belasting van de eenheden en de
individuele militair. In maart is besloten dat prioriteit zal worden gegeven aan het inrichten van
de registratie van het aantal nachten van huis. Naar verwachting zal dit in de eerste helft van
2009 zijn gerealiseerd.
29. Hoe beoordeelt u de constatering van de IGK dat `door het opheffen van vier
eenheden van compagniegrootte met een gelijkblijvend ambitieniveau en zelfs een
taakuitbreiding de druk op het personeel verder wordt opgevoerd'?
De constatering van de IGK dat `door het opheffen van vier eenheden van compagniegrootte
Pagina 14/20
Ministerie van Defensie
met een gelijkblijvend ambitieniveau en zelfs een taakuitbreiding de druk op het personeel
verder wordt opgevoerd' is juist.
Allereerst is bij het opheffen van de twee tankeskadrons en twee batterijen veldartillerie
onderkend dat deze eenheden personeel bevatten die defensiebreed als knelpuntcategorie
wordt aangemerkt, zoals waarnemersgroepen en geneeskundig personeel. Door
herschikking konden deze groepen personeel behouden blijven en heeft het opheffen van de
vier eenheden niet direct geleid tot een hogere druk voor deze specifieke groepen.
Daarnaast is het echter zo dat, hoewel tankeskadrons momenteel niet als organieke eenheid
worden ingezet voor ISAF, en van de afdelingen veldartillerie eenheden van pelotons grootte
voor ISAF wordt ingezet, het hier typen eenheden betreft die in het verleden konden worden
aangesproken voor het uitvoeren van bijzondere, aanvullende operationele taken, zoals de
wachtversterking voor de ISAF-missie. Hierdoor konden andere eenheden worden ontzien
die al planmatig een bijdrage aan ISAF moesten leveren. Verder zouden de opgeheven
eenheden ook in aanmerking zijn gekomen voor het leveren van een bijdrage in het kader
van het overnemen van de taken van de marinierscompagnie op Curaçao vanaf augustus
2009. Vanuit dit licht gezien zal met het wegvallen van de vier eenheden van
compagniesgrootte de druk op de resterende eenheden dus inderdaad toenemen.
30. Hoeveel tijd wordt proportioneel en absoluut besteed aan de operationele inzet en
training voor de nucleaire missie? Maakte de nucleaire taak van (een deel van) de F-
16's op Volkel ook deel uit van de NAVO-evaluatie (OPEVAL)?
In het kader van bondgenootschappelijke afspraken wordt op deze vraag geen antwoord
gegeven.
31. Zijn er door burgers klachten gemeld over de inzet van vliegtuigen of helikopters
bij trainingsvluchten? Zo ja, kunt u een lijst van die klachten aan de Kamer
voorleggen?
Indien burgers klachten hebben over het vliegverkeer kunnen zij deze telefonisch melden, of
wel bij het centrale klachtennummer, dat op internet is te vinden of bij Staf Voorlichting van de
Pagina 15/20
Ministerie van Defensie
Vliegbases in Nederland. Ook deze telefoonnummers zijn te vinden op internet en worden
bovendien regelmatig in de lokale en regionale media gepubliceerd.
Op elke klacht volgt een reactie van Defensie, tenzij de klachtindiener nadrukkelijk heeft
aangegeven dat niet te willen. Medewerkers van Defensie leggen uit welk vliegtuig het was
en waarom het op dat moment in de omgeving van de klachtindiener vloog. De klachten
worden per kwartaal gerapporteerd aan de Commissie van Overleg en Voorlichting
Milieuhygiëne (COVM) . In deze commissie zitten vertegenwoordigers van de provincie,
afgevaardigden van de betrokken gemeenten en omwonenden, vertegenwoordigers van de
regionale inspecteur Ruimtelijke Ordening en Milieu, van milieuorganisaties en ook van
Defensie. Het is niet aan te geven welke klachten het gevolg zijn van trainingsvluchten en
welke klachten het gevolg zijn van operationele vluchten.
32. Wat veroorzaakt de versnelde uitstroom van het personeel van het Commando
Luchtstrijdkrachten? Speelt de inzet in Uruzgan hier een specifieke rol?
Onderzoek wijst uit dat de voornaamste vertrekredenen zijn het gebrek aan
loopbaanperspectief en aan invloed op de loopbaan, de onevenwichtige verhouding tussen
werk en privéleven en de afnemende baanzekerheid. Daarnaast betreft het aspecten van de
werkomgeving, zoals het gebrek aan reservedelen en uitrusting en aan oefen- en
trainingsmogelijkheden en de tijd die het kost om veranderingen voor elkaar te krijgen, zoals
bij reorganisaties. De specifieke inzet in Uruzgan wordt niet genoemd als een van de redenen
van vertrek.
33. Zijn er verdere praktische problemen geweest bij de samenwerking tussen de
Koninklijke Marechaussee en de Mariniers, dan wel andere delen van de krijgsmacht?
Zo ja, wat is dan de precieze aard van die problemen? Speelt de kwestie van het
oorlogsrecht in Uruzgan of elders een rol?
Nee, er zijn verder geen praktische problemen geweest bij de samenwerking tussen
Koninklijke marechaussee en mariniers, dan wel bij andere onderdelen van de krijgsmacht
onderling. De toepassing van het oorlogsrecht leidt zowel in Uruzgan als elders niet tot
controverses in de samenwerking. Tijdens uitzendingen wordt het humanitair oorlogsrecht,
Pagina 16/20
Ministerie van Defensie
als minimum garantie, altijd beleidsmatig toegepast door de Nederlandse krijgsmacht, los van
de vraag of dit recht formeel wel of niet van toepassing is.
34. Waarom is de vacaturebank van het Dienstencentrum Human Resources in
Enschede moeilijk benaderbaar? Wat wordt eraan gedaan om dit te verbeteren?
De vacaturebank is eenvoudig bereikbaar via het Selfservice. Ook de vacatures bij het
Dienstencentrum Human Resources zijn daarin opgenomen. Wel kan de
gebruikersvriendelijkheid worden verbeterd. Hieraan wordt momenteel gewerkt.
35. Waarom wordt Enschede voor potentieel personeel gezien als een onaantrekkelijke
werklocatie? Wat zal eraan gedaan worden om in de toekomst de problemen rondom
de vulling van specialistische functies op te lossen?
Veel defensiepersoneel ervaart de werklocatie Enschede als onaantrekkelijk vanwege de
grote afstand ten opzichte van hun huidige werkkring. De mobiliteit onder met name het lager
kader blijkt minder groot te zijn dan onder het hogere kader. Teneinde personeel te
enthousiasmeren is potentieel personeel uitgenodigd in Enschede om op locatie goede
voorlichting te krijgen over het wonen en werken in de regio Enschede. Voorts is
Defensiepersoneel tijdelijk tewerk gesteld in Enschede en wordt gebruik gemaakt van
inhuurkrachten. Dit laatste mede om in te spelen op piekbelastingen van het
Dienstencentrum HR. Het defensiepersoneel dat reeds werkzaam is in Enschede is over het
algemeen zeer tevreden.
Ondanks bovenstaande blijkt de animo gering om te verhuizen naar Enschede. Om de vulling
van (specialistische) functies te realiseren wordt dan ook een toenemend beroep gedaan op
de regionale arbeidsmarkt. Naar verwachting kan hiermee de vulling worden zeker gesteld.
36. Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Directeur van de Dienst Vastgoed Defensie in
de uitzendbehoefte kan voorzien door vrijwilligers in te zetten, maar dat hiervoor een
beleidsuitspraak nodig is om ook voor de toekomst de inzet voor missies te
waarborgen?
Het uitgangspunt bij missies is nog steeds dat deze worden vervuld door militairen die
regulier in de staande defensieorganisatie voorkomen. In het verleden is het voorgekomen
Pagina 17/20
Ministerie van Defensie
dat burgermedewerkers op uitzending gaan wanneer het niet mogelijk bleek de functies met
militair personeel te vullen. Dit is geen wenselijke situatie. Alle inspanningen zijn er dan ook
op gericht om de genie eenheden van het Commando Landstrijdkrachten te vullen met
voldoende en adequaat opgeleid personeel, zodanig dat de uitzending van
burgermedewerkers tot een minimum beperkt blijft. Op dit moment zijn er geen concrete
plannen om het burgerpersoneel bij Defensie op structurele basis als militair te bestemmen
voor uitzendingen.
37. Wordt bij het uitzenden van burgerpersoneel ook gebruikt gemaakt van
werknemers van commerciële bedrijven? Vervullen zij gevechts- dan wel
bewakingstaken? Zo ja, welke rechtspraak is op hen van toepassing bij eventuele
misdrijven?
Bij uitzondering wordt bij het uitzenden van burgerpersoneel ook gebruik gemaakt van
werknemers van commerciële bedrijven. Momenteel is één specialist techniek Chinook van
een burgerbedrijf in een operatiegebied werkzaam. Deze mensen vervullen geen gevechts-
of bewakingstaken.
38. Kan de Kamer het onderzoeksrapport `Take it or Leave it' ontvangen? Zo neen,
waarom niet?
Ja. Het rapport verschijnt naar verwachting in juli in boekvorm en zal u dan per omgaande
worden aangeboden.
39. Onderschrijft u de door de IGK onderschreven aanbevelingen uit het
onderzoeksrapport `Take it or Leave it'? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke acties zal
u ondernemen om deze aanbevelingen om te zetten in beleid?
Ja. Naar aanleiding van de behandeling op 16 april 2008 van het Actieplan Werving &
Behoud is een aantal deelprojecten opgestart. Een van de deelprojecten behelst het
"Terugdringen van het opleidingsverloop". Ook de uitkomsten en aanbevelingen van het
onderzoeksrapport "Take it or leave it" worden daarbij meegenomen.
Op dit moment worden twee van de aanbevelingen al uitgevoerd, te weten een betere
voorlichting aan de aspirant-militairen over het militair zijn en de opleiding, en het beter
Pagina 18/20
Ministerie van Defensie
inspelen op de uitkomsten van de exit-gesprekken en de daarin genoemde redenen van
vertrek.
40. Spelen de gebeurtenissen in Uruzgan een rol in het grote verloop van de leerlingen
van de initiële opleidingen? Zo neen, wat dan wel?
Uitstroomonderzoek uit de initiële opleidingen vindt plaats via exitinterviews door het
Dienstencentrum Gedragswetenschappen. Uit deze gegevens blijkt dat het vooruitzicht om
uitgezonden te worden altijd al een (top 5) reden is geweest om te stoppen met de opleiding.
De uitval heeft echter vooral te maken met een gebrek aan motivatie en
doorzettingsvermogen. Daarnaast is de maatschappelijke acceptatie van stopzetting van een
opleiding of verandering van carrière toegenomen. Ook worden redenen als heimwee naar
huis, een andere voorstelling van het militaire leven en dat leerlingen onder invloed van
influentials (ouders, familie, partner, vrienden) afzien van een militaire loopbaan genoemd.
Zie ook beantwoording vraag 39.
41. Waarom zijn in de afgelopen jaren wel, en in het huidige jaarverslag geen
voorbeelden opgenomen van individuele bemiddeling? Welke risico's zouden hieraan
verbonden zijn?
In het jaarverslag is aangegeven dat geen voorbeelden zijn gegeven omdat in het verleden in
een enkel geval herleidbaarheid is gebleken. Belangrijke randvoorwaarde voor het
functioneren van de IGK is de waarborg van vertrouwelijkheid. Bovendien is niet zozeer het
individuele geval maar trendvorming van belang.
42. Is er een toename van lichamelijke dan wel psychologische klachten, zoals
bijvoorbeeld Post Traumatic Stress Syndrome, dat onder Amerikaanse veteranen veel
voorkomt, waarneembaar nu dat onze krijgsmacht meer dan voorheen wordt ingezet in
oorlogsomstandigheden? Is dit onderzocht en zijn er cijfers bekend? Zo ja, kunt u deze
cijfers en de ondersteunende onderzoeken aan de Kamer voorleggen? Welke rol speelt
de Raad van Civiel-Militaire Zorg en Onderzoek in zulk onderzoek naar de medische en
psychologische gevolgen van uitzending?
Sinds 2007 worden bij de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg kengetallen gegenereerd
inzake psychische problematiek. Het is nu nog te vroeg om daar trends uit te halen. Tot op
Pagina 19/20
Ministerie van Defensie
heden is er vanuit de hulpverlening geen indicatie dat er sprake zou zijn van een toename in
de psychische problematiek na de recente uitzendingen. In het onderzoek van mw. dr.
Engelhard (kamerstuk 30139, nr. 40) is gerapporteerd over de uitzending naar Irak. Uit dat
onderzoek bleek dat 3,5 % van de 479 respondenten, die afkomstig waren van drie
verschillende gevechtseenheden vijf maanden na terugkeer PTSS had ontwikkeld.
De Raad voor de civiel-militaire Zorg en Onderzoek adviseert, gevraagd en ongevraagd
Defensie ten aanzien van (de richting) van het wetenschappelijk onderzoek op het gebied
van aandoeningen gerelateerd aan uitzendingen en draagt zorg voor en bewaakt de
noodzakelijke convergentie tussen onderzoeken. De Raad maakt daarbij gebruik van een
programma-adviescommissie voor onderzoek. De adviezen zullen meegenomen worden bij
de besluitvorming over nieuw in te zetten onderzoek naar de medische en psychologische
gevolgen van uitzendingen.
Pagina 20/20
---- --
Ministerie van Defensie