Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Inhoud pagina: Brief aan Tweede Kamer over Motie Van Raak tot instelling van
een klokkenluidersfonds
18 december 2007
Op 4 december jl. heeft uw Kamer de motie-Van Raak aangenomen (31 200
VII, nr. 29). Deze motie verzoekt de regering een fonds voor
klokkenluiders in het leven te roepen. Tijdens het ordedebat van 4
december jl. verzocht het lid Van Raak om een brief van de minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waarin wordt gemeld hoe
het kabinet uitvoering gaat geven aan bedoelde motie.
De motie is in het kabinet besproken. Deze brief die mede namens de
ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Justitie en
Economische Zaken is opgesteld, beoogt de verlangde duidelijkheid te
verstrekken.
Het is goed daartoe te resumeren wat reeds aan de motie-Van Raak is
vooraf gegaan.
Bij brief van 21 juni 2004 antwoordde de Minister-President op vragen
van het lid De Wit (SP) dat er gelet op de reeds bestaande
beschermingsregels in de publieke sector en de gedragsregels in de
marktsector geen dringende redenen zijn voor het instellen van een
klokkenluidersfonds. Wel werd toegezegd dat de minister van SZW in
reactie op het aan de Sociaal-Economische Raad gevraagde advies over
klokkenluiders hierop nog nader zou ingaan. Dit is gebeurd bij brief
van 5 april 2005, waarin de ministers van EZ, SZW en Justitie
concludeerden dat er onvoldoende aanleiding bestond voor de oprichting
van een klokkenluidersfonds.1
Ook de SER zag geen noodzaak voor een fonds voor klokkenluiders, onder
verantwoordelijkheid van sociale partners. Een werknemer die een
misstand meldt volgens de regels die de Stichting van de Arbeid
ontworpen heeft, kan rekenen op bescherming. Werkgever en werknemer
dienen zich tegenover elkaar te gedragen als goed werknemer en goed
werkgever. Indien de werknemer als gevolg van zijn melding door de
werkgever zou worden benadeeld, kan hij zijn schade terugvorderen op
grond van bestaande wetgeving. Die biedt daarvoor verschillende
aanknopingspunten, zoals de mogelijkheid van (schade)vergoeding bij
ontslag, bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst en wegens
onrechtmatige daad.2
Op 12 oktober 2007 stelde het lid Van Raak vragen aan de minister van
BZK over de heer Ad Bos die de bouwfraude aan het licht heeft
gebracht. De achterliggende vraag was gericht op de instelling van een
klokkenluidersfonds.
Op 1 november 2007 stelden de leden Vermeij en Heijnen eveneens vragen
over de heer Bos aan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Ook
hier werd gevraagd naar de bereidheid de instelling van een
klokkenluidersfonds te heroverwegen. Op beide sets vragen heeft de
minister van SZW geantwoord mede namens de ministers van EZ en
Justitie dat er geen noodzaak is dit standpunt in heroverweging te
nemen.3
Ten aanzien van ambtenaren die als klokkenluiders optreden bestaat die
noodzaak evenmin. Ik wijs u op de voor ambtenaren geldende
rechtsbeschermingsbepalingen die expliciet zijn opgenomen in de
Ambtenarenwet, de Militaire Ambtenarenwet 1931 en de Politiewet 1993.
Thans is aan de orde de motie-Van Raak, waarin uw Kamer verzoekt een
fonds voor klokkenluiders in het leven te roepen. De instelling van
een dergelijk fonds van overheidswege zal echter weinig toevoegen aan
de bescherming die reeds geboden wordt en die als adequaat wordt
gezien. Knelpunten en blinde vlekken die ertoe zouden kunnen leiden
dat een klokkenluider financieel nadeel niet vergoed kan krijgen zijn
er niet of nauwelijks. In het SER-advies van december 2004 worden als
mogelijke knelpunten onder meer genoemd, de situatie waarin de
klokkenluider als gevolg van het faillissement van de werkgever de
(inkomens) schade niet kan verhalen en de situatie waarin de
klokkenluider zich genoodzaakt ziet zijn juridische procedure wegens
gebrek aan financiële middelen te staken. Deze situaties zijn, zoals
in de brief van 5 april 2005 is opgemerkt, niet specifiek voor
klokkenluiders, maar kunnen ook andere werknemers of derden raken. Zo
kunnen klokkenluiders evenals andere justitiabelen die juridische
procedures starten, van dezelfde voorzieningen gebruik maken voor de
kosten van juridische procedures. De klokkenluider heeft recht op een
toevoeging in het kader van de Wet op de rechtsbijstand als hij binnen
de door deze wet gestelde inkomensvermogensgrenzen valt.
Het behoort tot de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers
(zowel publiek als privaat) om maatregelen te treffen als het
noodzakelijk wordt gevonden aanvullende compensatie te bieden voor
klokkenluiders die in financiële problemen komen. Hierover kunnen in
CAO's afspraken worden gemaakt. Onder verwijzing naar de door de Kamer
aanvaarde motie-Van Raak zal ik de sociale partners verenigd in de
Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) wijzen op hun
verantwoordelijkheid terzake en hen vragen te bezien of actie op dit
punt noodzakelijk is. Voorts zal de minister van SZW de Stichting van
de Arbeid verzoeken (zo nodig) een aanbeveling op te stellen in
aanvulling op de reeds bestaande aanbeveling betreffende voorschriften
die klokkenluiders in acht dienen te nemen om als zorgvuldig handelend
te kunnen worden aangemerkt.
De door de indiener van de motie gestelde vraag hoe de overheid ervoor
kan zorgen dat meer mensen weer zoveel vertrouwen krijgen dat ze
bereid zijn om misstanden te melden is een belangrijke. Het antwoord
daarop schuilt volgens het kabinet niet in de instelling van een
klokkenluidersfonds. Veeleer moet worden gedacht aan goede maatregelen
aan de `voorkant', zoals de instelling van vertrouwenspersonen ook in
de marktsector (op ondernemings- of bedrijfstaksniveau). Voorts heeft
nadere analyse van klokkenluiderswetgeving in het Verenigd Koninkrijk
ertoe geleid dat de betrokken ministers gaan onderzoeken of het
instellen van een advies- en verwijspunt naar het voorbeeld van het
Engelse `Public Concern at Work' een mogelijk belangrijk hulpmiddel
voor (potentiële) klokkenluiders in Nederland zou kunnen zijn. U zult
op een later moment een bredere brief over de bescherming van de
klokkenluiders tegemoet mogen zien, waarin deze thema's aan de orde
zullen komen.
Overigens zal ik de Kamer in het voorjaar van 2008 kunnen berichten
over de uitkomsten van de evaluatie naar de werking van en ervaringen
met de klokkenluidersregelingen binnen de openbare sector, Politie en
Defensie.
DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,
Mevrouw dr. G. ter Horst
1) Kamerstukken, vergaderjaar 2004-2005, 28 244, nr. 98
2) SER advies Klokkenluiders, publicatienummer 14, 22 december 2004
3) Kamerstukken, vergaderjaar 2007-2008, Aanhangsel, 740 en 741
Naar boven
---
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties