Raad van State
Zaaknummer: 200707261/2
Publicatie datum: dinsdag 4 december 2007
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen
Proceduresoort: Voorlopige voorziening
Rechtsgebied: Kamer 2 - Milieu - Vee en andere dieren
---
200707261/2.
Datum uitspraak: 4 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige
voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het
geding tussen onder meer:
, wonend te , gemeente Tubbergen,
en
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2007 heeft verweerder aan
een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4,
eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij
met opslag van natte bijproducten en aspergeteelt aan de te
. Dit besluit is op 3 oktober 2007 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 15
oktober 2007, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2007,
beroep ingesteld.
Bij brief van 18 oktober 2007, bij de Raad van State ingekomen op 19
oktober 2007, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige
voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2007,
waar verweerder, vertegenwoordigd door ing. S.A.J. Scheepers,
ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts is als
partij gehoord , vergezeld door .
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is
niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Ten behoeve van de bij het bestreden besluit vergunde
activiteiten worden de bestaande stallen gesloopt en nieuwe stallen
gebouwd. Voor het verwezenlijken van deze verandering van de
inrichting is een bouwvergunning vereist. Verweerder heeft ter zitting
verklaard dat het geldende bestemmingsplan in de weg staat aan
verlening van deze bouwvergunning. De procedure voor de wijziging van
het bestemmingsplan is reeds gestart, maar niet verwacht wordt dat het
bestemmingsplan binnen zes maanden definitief zal worden vastgesteld.
Gezien het vorenstaande is het niet aannemelijk dat op korte termijn
een bouwvergunning zal worden verleend. Zo lang geen bouwvergunning is
verleend, treedt het besluit tot verlening van de milieuvergunning
ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet in werking. Er is
dan ook geen onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen,
vereist dat in afwachting van de behandeling van het geding in de
bodemprocedure een voorlopige voorziening wordt getroffen.
2.3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van
een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in
tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Fransen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2007
407-541.