Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Inhoud pagina: Zevende voortgangsrapportage terrorismebestrijding
29 november 2007
De rapportage behandelt de voortgang die het afgelopen half jaar is
geboekt bij de ontwikkeling en uitvoering van de verschillende
onderdelen van het antiterrorismebeleid.
Bestanden
* Zevende voortgangsrapportage terrorismebestrijding | Pdf-bestand
In juni 2007 ontving uw Kamer de zesde voortgangsrapportage terrorismebestrijding1 .
Met deze brief bieden wij u de zevende voortgangsrapportage aan. De rapportage
behandelt de voortgang die het afgelopen half jaar is geboekt bij de ontwikkeling en
uitvoering van de verschillende onderdelen van het antiterrorismebeleid. Daarbij gaat
het achtereenvolgens om de internationale samenwerking, het tegengaan van polarisatie
en radicalisering, het creëren van een slagvaardige organisatie en instrumenten, het
treffen van veiligheidsmaatregelen, het voorbereid zijn op (de gevolgen van) een
mogelijke aanslag en communicatie en voorlichting. De voortgangsrapportage begint
zoals gebruikelijk met een samenvatting van het meest recente Dreigingsbeeld
Terrorisme Nederland (DTN). Het DTN wordt vier keer per jaar opgesteld door de
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) en valt onder zijn
verantwoordelijkheid. Bij de voortgangsrapportage is een actiepuntenlijst gevoegd.
1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 29 754, nr. 100
Nationaal Coördinator
Terrorismebestrijding
Postadres: Postbus 16950, 2500 BZ Den Haag
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Bezoekadres
Oranjebuitensingel 25
2511 VE Den Haag
Telefoon (070) 3 15 03 15
Fax (070) 3 15 03 20
Onderdeel Directie Beleid en Strategie
Datum 27 november 2007
Ons kenmerk 5516003/07/NCTb
Bijlage(n) 1
Onderwerp Zevende voortgangsrapportage terrorismebestrijding
1. Samenvatting Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland oktober 2007
Het dreigingsniveau voor Nederland is beperkt. De kans op een terroristische aanslag
wordt op dit moment als relatief gering ingeschat. Tijdens de afgelopen maanden
hebben zich ontwikkelingen voorgedaan, die een aanslag in Nederland meer
voorstelbaar hebben gemaakt. Die toegenomen voorstelbaarheid heeft te maken met de
toename van de internationale invloed op de jihadistische dreiging in West-Europa als
geheel. Dit kwam tot uiting in recente voorvallen waarbij aan al Qa'ida gelieerde
groeperingen training en strategische sturing gaven aan lokale cellen in Duitsland en
Denemarken. Net als ten tijde van het vorige dreigingsbeeld geldt echter dat er geen
directe aanwijzingen zijn dat ook Nederland geconfronteerd zal worden met een
aanslag. Met name ten aanzien van de weerstand tegen terrorisme zijn interessante
ontwikkelingen te melden. Deze ontwikkelingen worden dan ook als eerste behandeld.
Weerstand
Weerbaarheid
In het voorlaatste dreigingsbeeld is gemeld dat er sprake lijkt te zijn van een zekere
berusting onder brede lagen van de moslimbevolking in Nederland over het felle
islamdebat. Moslims reageren minder heftig op beledigende uitspraken over de islam
dan enkele jaren geleden. Het bovenstaande laat echter onverlet dat beledigende
uitspraken over de profeet en de islam nog steeds heftige emoties kunnen oproepen. Het
opgelaaide islamdebat van afgelopen zomer (waarover in het vorige dreigingsbeeld is
gerapporteerd) laat dit zien. Hoezeer islamkritische uitlatingen in de media en politiek
leiden tot felle reacties bij bepaalde delen van de moslimgemeenschap is afhankelijk van
onder andere de aard van de uitlating, de aanwezigheid van andere onderwerpen die de
media beheersen en de vraag of anti-islamitische sentimenten op dat moment aan de
oppervlakte drijven. Bij felle reacties is het niet altijd duidelijk of de discussie blijft
voortduren en onderliggende gevoelens en attitudes blootlegt, of dat het gaat om een
korte, hevig oplaaiende discussie die binnen een week weer uitdooft. Met andere
woorden, bij felle reacties op islamkritische uitlatingen is het moeilijk te duiden of deze
het gevolg zijn van diepgewortelde gevoelens en attitudes, of van het zich laten
meeslepen door 'de waan van de dag' en de publieke discussie op dat moment. Vooral
op internet speelt deze 'waan' een grote rol bij de reacties op islamkritische uitlatingen.
De moslimgemeenschappen in Duitsland, Denemarken en Oostenrijk hebben in sterke
bewoordingen afstand genomen van moslims die in genoemde landen zijn gearresteerd
wegens terroristische en/of jihadistische activiteiten. Moslimvertegenwoordigers in de
drie landen waarschuwen er tegelijk voor alle moslims over één kam te scheren. In
Denemarken zeggen moslims het gevoel te hebben twee stappen achteruit te zetten,
zodra moslims verdacht worden van een aanslag. Overigens namen ook in Nederland
moslims na de moord op Theo van Gogh nadrukkelijker afstand van jihadistische
activiteiten en hebben diverse moslimleiders ook bij andere gelegenheden geweld
veroordeeld. Een recent voorbeeld hiervan is de voorzitter van de Nederlandse
Vereniging voor Imams, die aan de zijde van enkele ex-moslims verklaarde dat geweld
tegen afvalligen uit den boze is.
Vanaf februari 2006 is in dreigingsbeelden bericht over de toenemende weerbaarheid
onder moslims tegen het islamistische geweld. Uit recent grootschalig onderzoek van het
onderzoekscentrum PEW Global Attitudes blijkt deze ontwikkeling zich ook wereldwijd
te manifesteren. Uit dit onderzoek blijkt dat minder inwoners van moslimlanden
zelfmoordaanslagen een geoorloofd middel vinden om de islam te verdedigen. Dit
vijfjaarlijkse onderzoek, waarbij 45.000 mensen in 47 landen zijn bevraagd, laat zien dat
in landen als Libanon, Bangladesh, Jordanië, Pakistan en Indonesië de steun voor
zelfmoordaanslagen gehalveerd is in vergelijking met vijf jaar geleden. Opvallend is dat
in genoemde landen sinds 2002 (zelfmoord)aanslagen hebben plaatsgevonden. Hieruit
kan worden afgeleid dat burgers eerder geneigd zijn terroristische aanslagen af te keuren
als zij zelf meer kans hebben hierdoor getroffen te worden. Overigens blijkt uit de
reacties op de website van de Arabischtalige nieuwszender Aljazeera dat een
meerderheid van de lezers die gereageerd hebben aanslagen tegen onschuldige moslims
afkeurt.
Tegen deze achtergrond mag evenmin het belang onderschat worden van een
ideologische koerswijziging in het intellectuele debat in de islamitische wereld, die zich
de afgelopen maanden aftekent. Een aantal prominente geestelijke leiders heeft namelijk
afstand genomen van de huidige jihadpraktijk (zelfmoordaanslagen, religieus geweld in
Irak etc.). Het is echter niet uit te sluiten dat dergelijke acties mede te maken hebben
met pogingen van overheden in het Midden-Oosten om een positiever beeld van zichzelf
in het westen te scheppen.
Tegenmaatregelen
Op 19 augustus 2007 diende de beroepszaak die een Keniaanse imam van de
Eindhovense Al Fourqaanmoskee had aangespannen tegen zijn uitzetting. Het betreft
één van de drie imams van deze moskee tegen wie procedures tot uitzetting zijn gestart.
Eén van hen vertrok zelf uit Nederland, een andere werd reeds uitgezet. De imams
zouden onvoldoende zijn opgetreden tegen de activiteiten van ronselaars voor de jihad
in en om hun moskee. De zaak van de Keniaanse imam is anders dan die van de eerder
uit Nederland verwijderde imam, omdat eerstgenoemde onder het Gemeenschapsrecht
valt op grond van zijn huwelijk met een Zweedse onderdaan. In de regel biedt dit een
sterkere positie in het vreemdelingenrecht. De rechter oordeelde op 10 oktober 2007 dat
het eind 2005 uitgebrachte ambtsbericht van de AIVD inzake de Keniaanse imam op
inhoudelijk juiste gronden is gebaseerd. Het bezwaar van de imam tegen zijn uitzetting
uit Nederland is ongegrond verklaard.
Door een burgerinitiatief van leden van het Amerikaanse freewebs forum in de
Verenigde Staten zijn ruim veertig jihadistische websites door hun hostbedrijven uit de
lucht gehaald, waarvan enkele behoren tot de meest invloedrijke jihadistische websites
ter wereld. Ook Nederlandse jihadisten en radicale moslims bezochten deze websites.
Hoewel enkele websites vrijwel direct weer ergens anders hostingfaciliteiten hadden
gevonden, zijn de meeste op dit moment nog niet opnieuw online. Voor zover bekend
hebben de Amerikaanse veiligheidsdiensten geen relatie met dit burgerinitiatief. Het uit
de lucht halen van de site doorkruist ook de inlichtingenbelangen van de Amerikaanse
overheid. Een voordeel is echter dat nu inzicht kan worden verkregen in de gevolgen van
het sluiten van jihadistische sites: hoe lang duurt het bijvoorbeeld voordat de websites
weer online komen en waar laten zij zich dan hosten?
Terrorisme
Contacten tussen lokale autonome netwerken en internationale netwerken, zoals kern al
Qa'ida of daaraan gelieerde groepen in het grensgebied van Pakistan/Afghanistan, lijken
binnen Europa breder aanwezig dan alleen in het Verenigd Koninkrijk. Dit uitte zich in
de mislukte en verijdelde aanslagen in Denemarken en Duitsland en leidde in het vorige
dreigingsbeeld tot de slotsom dat de voorstelbaarheid van dreiging vanuit internationaal
georiënteerde jihadistische netwerken ook voor Nederland groter was geworden, zeker
omdat er ook overeenkomsten zijn tussen het profiel van Denemarken en Duitsland en
dat van Nederland. Tegelijk ontbraken aanwijzingen voor een op handen zijnde aanslag,
kenden genoemde incidenten ook enkele voor de betreffende landen specifieke
achtergronden en zijn vraagtekens te plaatsen bij de professionaliteit van de opgerolde
netwerken. Bovendien was het beeld van de door de Nederlandse diensten gekende
netwerken vooralsnog niet verontrustend. Dit is nog steeds zo. Hieronder wordt een
aantal factoren genoemd, dat de situatie rond de voorstelbaarheid van de dreiging voor
Nederland nader inkleurt.
Ten tijde van het vorige dreigingsbeeld is aandacht besteed aan bekeerlingen als
risicogroep voor deelname aan terroristische netwerken. Een andere risicogroep vormen
moslims die zich recent in westerse landen hebben gevestigd. Hun gewelddadige
radicalisering verloopt gemiddeld sneller en met grotere stappen dan bij moslims die
hier geboren zijn of al veel langer hier wonen. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de
aanslagplegers op Glasgow Airport (29 juni 2007) en de daders van de mislukte
aanslagen op treinen in Duitsland (juli 2006). Als verklaring kan gewezen worden op de
mogelijkheid dat er bij recent naar Europa gekomen moslims een grotere discrepantie
bestaat tussen hun opvattingen en de praktijk in hun nieuwe omgeving. De praktijk
heeft ten aanzien van genoemde voorbeelden laten zien dat de pasgevestigde
moslimmigranten niet tijdig onder de aandacht van inlichtingen- en veiligheidsdiensten
zijn gekomen. Blijkbaar is deze groep daarom voor terroristische netwerken aantrekkelijk
als doelgroep, en mogelijk aantrekkelijker dan de hier opgegroeide jongeren, die bij
contacten met bijvoorbeeld geestverwanten in Pakistan al snel in het vizier zullen komen
van de terrorismebestrijders.
De gebeurtenissen in de bekende islamitische strijdtonelen, de Nederlandse politieke en
militaire bemoeienis met Afghanistan en Libanon en samenwerking daarbij met de
Verenigde Staten hebben de speciale aandacht van sommige hier te lande woonachtige
radicale moslims en blijven voor hen een inspiratiebron om op jihad te gaan. De bij de
lokale netwerken aanwezige intenties om deel te nemen aan de jihad in het buitenland
groeien. Momenteel zouden er in deze netwerken geen personen zijn met kennis over de
routes naar de strijdgebieden. Men beschikt niet over de juiste contacten om een
dergelijke jihadreis te organiseren. Er moet rekening mee worden gehouden dat
Nederland in de toekomst, net als onze buurlanden, te maken kan krijgen met
individuen die naar die gebieden reizen met als doel daarna aanslagen te plegen tegen
Nederlandse militairen ter plekke of doelen in Nederland zelf. Transnationale
netwerken, die ook in Nederland vertakkingen hebben, zouden dit kunnen faciliteren.
Daarmee zou de dreiging tegen Nederland of tegen Nederlandse belangen in het
buitenland op termijn kunnen toenemen.
Tenslotte zijn er aanwijzingen van financiële steun op beperkte schaal vanuit ons land
aan in het Pakistaans/Afghaanse grensgebied aanwezige jihadistische groeperingen.
Ten aanzien van de Nederlandse besluitvorming over verlenging van de Nederlandse
missie, is beïnvloeding van de nationale politiek door bedreigingen en ontvoeringen van
Nederlanders in het buitenland voorstelbaar. Met name uit de recente casus in
Duitsland is op te maken dat Westerse landen met een militaire presentie in Afghanistan
te maken hebben met een verhoogd dreigingsprofiel, vooral wanneer zij nog niet
getroffen zijn door een jihadistische aanslag.
Radicalisering en polarisatie
In eerdere dreigingsbeelden is gerapporteerd over de voortgaande verspreiding van het
salafisme in Nederland, waardoor steeds meer moskeeën onder salafistische invloed
komen te staan. Naast deze ideologische beïnvloeding deinzen salafisten er niet voor
terug om tweedracht binnen moskeeën te zaaien. Deze recente ontwikkelingen in
Nederland vertonen overeenkomsten met die in Frankrijk. Daar hanteren de salafisten
volgens de bekende islamkenner Samir Amghar de strategie van parasitage om
verbreiding van hun geloofsovertuiging te bewerkstellingen. Met parasitage wordt
bedoeld dat een groep salafisten besluit een moskee of een islamitisch cultureel centrum
te bezoeken. Wanneer deze groep zich sterk genoeg voelt, doet zij een greep naar de
macht door het bestuur en de imam te vervangen. In Frankrijk zijn reeds verschillende
moskeeën via deze strategie onder invloed gekomen van salafisten.
Opvallend is dat (met name de politiek georiënteerde) salafisten transparant zijn over
hun ambities de da'wa in Nederland zo breed mogelijk te verspreiden. Zo is de
'salafistische agenda' vrij op internet te raadplegen. Deze agenda geeft niet alleen aan in
welke plaats een lezing zal worden verzorgd, maar geeft veelal ook de locatie aan waar
de lezing verzorgd zal worden, het onderwerp en de doelgroep van de lezingen, en de
naam (soms aliassen) van de prediker. Deze transparantie is opvallend, omdat de
politieke salafisten weten dat zij de aandacht hebben van de overheid en samenleving.
Het is mogelijk dat de openheid bedoeld is om de samenleving het idee te geven dat zij
niets te verbergen hebben en dat de samenleving ook niets van ze te vrezen heeft.
Overigens staan de lezingen weliswaar op internet, maar men is niet transparant over de
boodschap die men verspreidt en 'onbekenden' zijn veelal niet welkom. De schijnbare
openheid kan dus ook een manifestatie zijn van de door de salafisten gevoerde
façadepolitiek.
Nederland telt ongeveer 550 moskeeën, waarvan ongeveer veertig procent als
Marokkaans gekwalificeerd kan worden. Thans bereiken de salafisten zo'n dertig
Marokkaanse moskeeën. Dit betekent dat in ten minste een kleine vijftien procent van
de Marokkaanse moskeeën in Nederland salafistische predikers optreden. Het is niet
ongebruikelijk dat rond de honderd jonge Nederlandse Marokkanen een dergelijke
lezing bijwonen. Hierbij wordt opgemerkt dat de intensiteit van de beïnvloeding kan
variëren. In sommige moskeeën worden op structurele basis lezingen verzorgd door
salafistische predikers. In andere gevallen gaat het om moskeeën waar de beïnvloeding
beperkt blijft tot één of enkele lezingen per jaar.
Met betrekking tot radicaliseringstendensen onder personen van extreemrechtse
signatuur kan gemeld worden dat in Lelystad een groep van vijf jonge nationalistische
jongens is veroordeeld wegens brandstichting en pogingen daartoe in een islamitische
supermarkt, een synagoge, een krakerspand en een islamitische school, eind 2006 in
Almere en Amsterdam. De jongens stellen dat hun nationalistische gedachtegoed de
drijfveer voor hun acties is en dat zij handelen als 'beschermers van de nationale
cultuur'. De rechter sprak uit dat hij ernstig rekening heeft gehouden met gevoelens van
maatschappelijke onrust die zij teweeg gebracht hebben en dat resoluut opgetreden
moet worden tegen extremistische acties die bijdragen aan verdere radicalisering.
Dergelijke kwesties reflecteren de zorg die momenteel leeft omtrent extreemrechts.
2. Internationale ontwikkelingen
Europese Unie
De Europese Unie (EU) is ook op het terrein van terrorismebestrijding voor Nederland
een belangrijk multilateraal kader voor samenwerking. Het stemt tot tevredenheid dat,
na een periode waarin de functie van EU Coördinator Terrorismebestrijding vacant was,
in september 2007 de Belg Gilles de Kerchove tot nieuwe coördinator werd benoemd. De
Coördinator Terrorismebestrijding vervult binnen de EU een spilfunctie bij het
afstemmen en doorvoeren van maatregelen tegen terrorisme. Ook vervult hij, als het
gezicht van de EU op dit terrein, een belangrijke rol in de samenwerking met derde
landen. Bij brief van de minister van Justitie van 3 oktober jongstleden zijn de Staten-
Generaal reeds geïnformeerd over het mandaat van de nieuwe coördinator, dat niet
wezenlijk anders luidt dan dat van zijn voorganger2.
Basisdocumenten van de Unie met betrekking tot het terrorismevraagstuk zijn de
antiterrorismestrategie van december 2005 en het bijbehorende actieplan, dat in april
2007 werd geactualiseerd. Eén van de taken van de EU Coördinator
Terrorismebestrijding is toe te zien op de implementatie van deze strategie en van het
actieplan en de afspraken met derde landen te bewaken. Het meest recente rapport (21
mei 2007) over de implementatie van de strategie werd nog voorbereid door de vorige
coördinator, de Nederlander Gijs de Vries, maar werd pas na zijn vertrek afgerond. Dit
2 Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 34 490, nr. 472
rapport constateert dat inmiddels meer voortgang wordt geboekt bij de implementatie
van de strategie en bij de omzetting van maatregelen in nationale wetgeving. Tegelijk
pleit het rapport voor verdere intensivering van de politiesamenwerking en van de
informatie-uitwisseling tussen lidstaten ter bestrijding van zowel terrorisme als gewone
criminaliteit. Tegen deze achtergrond is het positief dat het Portugese voorzitterschap
terrorismebestrijding tot één van zijn prioriteiten heeft verklaard en zich inspant om
verdere maatregelen op dit gebied tot stand te brengen.
In de EU is, mede op Nederlandse aansporing, tevens veel aandacht besteed aan het
vraagstuk van de radicalisering. Het is van groot belang gevaarlijke vormen van
radicalisering tegen te gaan en te voorkomen dat deze in terreurdaden uitmonden. Met
het oog hierop werd in december 2005 een EU-strategie en actieplan voor het tegengaan
van radicalisering en rekrutering aangenomen. Dit actieplan werd in februari 2007
geactualiseerd. Onder het huidige voorzitterschap is vooral aandacht besteed aan het
tegengaan van radicalisering onder jeugd en de rol van eerstelijns werkers en onderwijs
in dit verband. Speciale aandacht verdient voorts het internet, dat onder meer een grote
rol speelt bij de verspreiding van radicale propaganda. Dit wordt nog eens onderstreept
door de recente arrestaties in Spanje van de leden van een jihadistisch netwerk, dat via
het internet communiceerde en vrijwilligers voor de jihad probeerde te rekruteren.
Internet is binnen de EU, zowel onder Duits als Portugees voorzitterschap, uitgebreid
aan de orde geweest. Daarbij zijn met name de mogelijkheden besproken om sites die
tot geweld aansporen beter in de gaten te houden en hierover de informatie-uitwisseling
te versterken op basis van het project "Check the Web". In dat verband vinden er
regelmatig expert bijeenkomsten plaats in samenwerking met Europol. De Europese
Commissie is voorts doende voorstellen te ontwikkelen om het "Kaderbesluit inzake
terrorismebestrijding" van 2002 aan te vullen met bepalingen omtrent misbruik van
internet voor terroristische doeleinden.
Tevens wordt er in Europees verband gewerkt aan de voorbereiding van een tweede
ronde van wederzijdse evaluaties om de voorzieningen ter voorbereiding op een
mogelijke aanslag nader te onderzoeken. Deze evaluatiebezoeken, die in 2008 zullen
worden uitgevoerd, zullen leiden tot aanbevelingen en voorbeelden van best practices.
Daarnaast heeft de Commissie aangekondigd binnenkort met een pakket maatregelen te
komen, waaronder een actieplan ter beveiliging van explosieven en detonatoren. De
beveiliging van explosieven, precursoren en ontstekers is één van de prioriteiten van het
Voorzitterschap. Bij de implementatie van dit onderwerp wordt onder meer
teruggegrepen op de mededeling van de Commissie van september 2005 (COM (2005)
329) en een speciale task force voor de beveiliging van explosieven die het eerste half
jaar van 2007 aanbevelingen heeft gedaan, evenals de uitkomsten van een conferentie
over explosieven die in juli dit jaar plaats heeft gevonden in Braga, Portugal. Deze
aanbevelingen zien op de verbetering van informatie-uitwisseling, de ontwikkeling van
dreigingsanalyses, onderzoek, training van personeel, regulering en controle van
transacties, identificatie en detectie. Deze aanbevelingen vormen de basis voor het EUactieplan
dat de Commissie heeft aangekondigd en dat naar verwachting op begin
november zal worden uitgebracht. Nederland staat positief tegenover dit initiatief en zal
de nodige inzet plegen om een effectieve implementatie van de beveiligingsmaatregelen
te bereiken.
Vermeld zij voorts dat op 11 juli 2007 de Europese Commissie het Groenboek
Bioparaatheid gepubliceerde. Door middel van dit Groenboek raadpleegt de Commissie
overheden en private instellingen over de wijze waarop de risico's van bioterrorisme
kunnen worden beperkt en de voorbereiding en respons op deze risico's
('bioparaatheid') verbeterd kunnen worden. De regering verwelkomt het Groenboek over
bioparaatheid. De noodzaak van een Europese aanpak wordt onderschreven. Nederland
onderschrijft de door de Commissie voorgestelde "all-hazards approach" om alle
mogelijk biologische risico's in te perken. Tegen de dreiging van bioterrorisme is
uiteraard tevens een mondiale strategie nodig. Op 5 oktober jongstleden is de
kabinetsreactie op het Groenboek aan uw Kamer aangeboden3.
De regering acht het van belang dat de Europese Unie zich actief profileert in haar
externe betrekkingen en dit geldt ook voor het terrein van de terrorismebestrijding. Het
terrorismevraagstuk vormt een belangrijk agendapunt in het overleg dat de EU voert met
derde landen en met andere regionale organisaties. Voorts speelt de EU een
motorfunctie binnen de Verenigde Naties (VN) en relevante gespecialiseerde VNorganisaties
zoals UNODC (Bureau voor Drugs en Criminaliteit). Daarnaast verleent de
EU op bilaterale basis technische assistentie bij de bestrijding van terrorisme aan een
reeks ontwikkelingslanden, waaronder een aantal landen van de Maghreb. In juli 2007
sprak de EU voorts de bereidheid uit het instituut van de Afrikaanse Unie voor de
terrorismestudies, gevestigd te Algiers, financieel te ondersteunen. Speciale vermelding
verdient de dialoog tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten over
terrorismevraagstukken, waarbij ook de mensenrechten en de bescherming van
persoonsgegevens nadrukkelijk aan de orde worden gesteld.
Tijdens onderhandelingen op 27 juni 2007 hebben de Europese Commissie en het Duitse
voorzitterschap overeenstemming bereikt met de Verenigde Staten over een tekst voor
een nieuwe overeenkomst over de behandeling en overdracht van passagiersgegevens,
doorgaans aangeduid als "Passenger Name Records" (PNR). Tevens is een akkoord
bereikt over een bijbehorende briefwisseling tussen de Verenigde Staten en de Europese
Unie, waarin de nodige verzekeringen van de Verenigde Staten zijn neergelegd voor het
behandelen van persoonsgegevens (Trb. 2007, 129). De nieuwe overeenkomst heeft een
looptijd van zeven jaar4. De uitonderhandelde tekst komt inhoudelijk in belangrijke mate
overeen met voorgaande overeenkomsten tussen de EU en de VS. De regering is van
oordeel dat de onderhandelingen zijn uitgemond in een uitgebalanceerde overeenkomst,
die voldoet aan de eerdere richtsnoeren en als een goed onderhandelingsresultaat van
het voorzitterschap en de Commissie kan worden beschouwd. Overeenkomstig het
bepaalde in artikel 15, vierde lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
3 Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 22 112, nr. 571
4 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30 861, nr. 5
verdragen wordt het bovengenoemde verdrag vanaf 26 juli 2007 voorlopig toegepast.
Nadat het advies van de Raad van State zal zijn ingewonnen, zal het verdrag ter
uitdrukkelijke goedkeuring bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden
ingediend5. Belangrijk in dit verband is ook dat de Europese Commissie, als onderdeel
van het pakket nieuwe antiterrorismemaatregelen dat op 6 november werd
aangekondigd, het voorstel deed om een Europees PNR-systeem in te stellen
Terrorismelijsten in Europese Unie en Verenigde Naties
De Eerste Kamer heeft via de motie-Francken c.s.6 de regering verzocht zich in te zetten
voor de totstandbrenging van "een transparante en verantwoorde procedure" rond de
plaatsing op de terrorismelijsten van de Verenigde Naties en de Europese Unie. Ook de
wijze waarop men van de lijst kan worden verwijderd werd in de motie genoemd. De
Eerste Kamer is in januari, maart en op 10 oktober 2007 per brief geïnformeerd over de
verbeteringen die de Europese Unie heeft doorgevoerd in de procedure van plaatsing op
de lijst van personen en entiteiten waarop de financiële sancties uit Verordening
2580/2001 van toepassing zijn (de zogeheten 'exogene lijst'). Nederland heeft bij de
totstandkoming van deze verbeteringen een actieve rol gespeeld. Allereerst is de
rechtsbescherming versterkt door een procedure van hoor en wederhoor. Ingeval van
plaatsing op de lijst worden de betrokken personen en organisaties nader geïnformeerd
over de redenen voor plaatsing, over welke nationale bevoegde autoriteit een besluit
heeft genomen in de zin van artikel 1(4) van het Gemeenschappelijk Standpunt 931/2001
en over de wijze waarop eventuele argumenten en bewijzen die voor verwijdering van de
lijst pleiten, onder de aandacht van de Raad kunnen worden gebracht. Om de
effectiviteit van de preventieve maatregelen niet te ondergraven worden personen en
organisaties die worden toegevoegd aan de lijst geïnformeerd nadat de maatregel van
kracht is geworden, omdat zij anders in staat worden gesteld middelen weg te sluizen
voordat de maatregel van kracht wordt. Ook bij het periodieke heronderzoek van de lijst
zijn verbeteringen doorgevoerd. Indien de Raad voornemens is om personen of
organisaties op de lijst te handhaven, worden zij daarover op voorhand geïnformeerd en
in de gelegenheid gesteld om opmerkingen bij de Raad in te dienen. Ingeval van
opmerkingen zal de Raad deze elementen in de heroverweging betrekken. Indien de
Raad definitief besluit tot continuering van de plaatsing, wordt het Raadsbesluit met
toelichting (de zogeheten "statement of reasons") aan de betrokkenen toegestuurd en
worden deze gewezen op de mogelijkheid van beroep bij het Gerecht van Eerste Aanleg.
Om de rechtsbescherming verder te vergroten heeft de Raad voorts besloten de
besluitvorming voortaan in een reguliere Raadswerkgroep te laten plaatsvinden, wat de
besluitvorming transparanter zal maken. De werkzaamheden van de nieuwe
Raadswerkgroep zijn openbaar en de documenten die in de besluitvorming worden
betrokken kunnen dan ook op basis van Verordening 1049/2001 worden opgevraagd,
tenzij deze als staatsgeheim zijn geclassificeerd. Deze werkgroep heet de "Werkgroep
5 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30 861, nr. 6
6 Eerste Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 28 764, E
voor de implementatie van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB", kortweg de
GS 931-werkgroep.
In de zesde voortgangsrapportage werd vermeld dat de VN Veiligheidsraad in resoluties
1730 en 1735 aanpassingen heeft doorgevoerd in de VN-procedures voor plaatsing op
dan wel verwijdering van de VN-terrorismelijst. Zoals aangekondigd in bovengenoemde
brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de Eerste Kamer van
10 oktober jongstleden zal de regering, in samenwerking met gelijkgestemde landen,
zich blijven inzetten voor verdere verbeteringen van VN-procedures.
Verenigde Naties
Zoals vermeld in de vijfde voortgangsrapportage nam de Algemene Vergadering van de
Verenigde Naties in september 2006 bij consensus de "Global Counter-Terrorism
Strategy" aan. Bij deze strategie is ook een actieplan gevoegd. Het is van belang dat de
VN er in slaagt om vooruitgang te boeken bij de implementatie van deze mondiale
strategie en het bijbehorende actieplan. Een belangrijk instrument daarbij is de
"Counter-Terrorism Implementation Task Force" (CTITF), die wordt voorgezeten door
Assistent Secretaris -Generaal, Robert Orr. Deze task force brengt de verschillende VNgelederen
die met terrorismebestrijding te maken hebben, bij elkaar. Nederland heeft
zich tegenover de voorzitter van de CTITF bereid verklaard op geselecteerde terreinen
werkzaamheden van de CTITF te ondersteunen in de vorm van kennis en expertise dan
wel financiële steun. Een belangrijke aanbeveling van de "Global Counter-Terrorism
Strategy" betreft voorts de assistentie bij de opbouw van capaciteit in
ontwikkelingslanden ter bestrijding van terrorisme. Daarbij gaat het tevens om capaciteit
om de verplichtingen op dit gebied in de relevante VN-verdragen en -resoluties na te
leven. Nederland is in dit opzicht op diverse fronten actief. Zo is recentelijk
samenwerking in gang gezet met Marokko en Algerije.
Conferentie over radicalisering
Van 22 tot en met 24 oktober 2007 werd door de NCTb, namens de Ministers van Justitie
en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een internationale conferentie
georganiseerd over het tegengaan van radicalisering. De conferentie bracht zo'n
tweehonderd mensen uit een groot aantal landen bij elkaar. Er waren
vertegenwoordigers uit onder meer Australië, Indonesië, Maleisië, India, Pakistan,
Koeweit, Libanon, Egypte, Algerije, Marokko, een groot aantal EU-lidstaten, Canada en
de VS. Bovendien waren er officiële vertegenwoordigers van de Organisatie van de
Islamitische Conferentie, de VN, de OVSE en het EU-voorzitterschap. Het doel van de
conferentie was om een uitwisseling van ervaringen op gang te brengen tussen
wetenschappers, overheden en niet gouvernementele actoren, over tegenmaatregelen
die in gang zijn gezet om radicalisering tegen te gaan. Dit alles uitdrukkelijk met
vertegenwoordigers van en uit Arabische en islamitische landen. Daarnaast beoogde de
conferentie om bij te dragen aan de uitwerking van de VN strategie op het terrein van
tegengaan van radicalisering. De resultaten van de conferentie in de vorm van
"Chairmans conclusions" zullen door de VN en de OVSE verder worden uitgewerkt.
Daarnaast zal Nederland een rol nemen bij de wereldwijde implementatie van de, in
september 2006 tot stand gekomen, VN strategie op dit onderdeel.
Bilaterale samenwerking
Marokko vormt één van de prioriteitslanden voor de samenwerking op het gebied van
terrorismebestrijding. Om die samenwerking te concretiseren vond in juli 2007 de
Nederlands-Marokkaanse startconferentie terrorismebestrijding plaats. Thema's die aan
de orde kwamen betroffen het tegengaan van radicalisering, financiering van terrorisme,
de rol van het internet bij radicalisering en terrorisme, documentenfraude in relatie tot
terrorisme en het opsporen en onschadelijk maken van explosieven. Deze conferentie,
die voor beide zijden het karakter had van een terreinverkenning, leverde goede
resultaten op. Voor een aantal thema's werden mogelijkheden voor nauwere
samenwerking en technische assistentie geïdentificeerd. Momenteel wordt dit nader
uitgewerkt.
Ook met Algerije wordt samenwerking in gang gezet. Deze richt zich op
kennisoverdracht met betrekking tot de beveiliging van grote havens.
Al geruime tijd ondersteunt Nederland de opbouw en professionalisering van de
Indonesische politie. Zo verzorgt de Nederlandse politie opleidingen voor Indonesische
politiefunctionarissen op diverse terreinen, waaronder dat van de beveiliging van
luchthavens en vliegverkeer.
3. Tegengaan polarisatie en radicalisering
Het kabinet zet de brede benadering van terrorismebestrijding voort. Het belang van
deze benadering blijkt ook uit de samenvatting van het DTN. De aanpak van het kabinet
is verbreed naar het tegengaan van polarisatie. In augustus 2007 heeft uw Kamer het
actieplan Polarisatie en Radicalisering 2007-2011 met de kabinetsvoornemens op dit
terrein ontvangen7. Op 11 oktober jongstleden is het actieplan met uw Kamer besproken.
Meer specifiek is in de afgelopen periode aandacht besteed aan het in kaart brengen van
salafistische stromingen in Nederland en het ontwikkelen van beleid ten aanzien van de
omgang met deze groeperingen die in sommige gevallen een voedingsbodem kunnen
vormen voor gewelddadige radicalisering. In oktober is aan uw Kamer gelijktijdig met
het AIVD-rapport Radicale dawa in verandering het kabinetsstandpunt ten aanzien van
de omgang met het salafisme in Nederland verzonden8. Bij de omgang met salafistische
groeperingen hanteert het kabinet een drie sporenbeleid: weerbaar maken van de
samenleving om weerwoord te kunnen bieden tegen de radicaal salafistische beweging.
Confronteren en delegitimeren van rigide uitingen en manifestaties van de ideologie van
radicale salafistische groeperingen om het publieke debat hierover te stimuleren. En
handhaving indien strafbare feiten worden gepleegd. Binnen elk van deze drie sporen
horen verschillende activiteiten en projecten die deels reeds zijn gestart en deels binnen
7 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 29 754, nr. 103
8 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 29 754, nr. 106
de komende periode een aanvang zullen nemen. Bij brief van 17 oktober 2007 is het
kabinetsstandpunt nader geconcretiseerd met een beschrijving van een aantal
activiteiten en projecten op het terrein van beleid gericht op salafistische groeperingen9.
Over het AIVD-rapport, het bijbehorende kabinetsstandpunt en de nadere concretisering
hebben wij op 18 oktober 2007 met uw Kamer van gedachten gewisseld.
Eén van de initiatieven is de intensivering van het rechtstreekse contact van de
landelijke overheid met gemeenten die te maken hebben met rondreizende salafistische
predikers vanuit de radicaliseringshaarden en jongeren die ontvankelijk zijn voor deze
salafistische boodschap, of waar sprake is van beginnende radicaliseringsproblematiek.
In juni 2006 waren de burgemeesters van deze gemeenten uitgenodigd voor een
informatieve bijeenkomst waarbij informatie is gegeven over de werkwijze van salafisten
en de predikers in het bijzonder. In september en oktober van dit jaar hebben
gesprekken met een aantal gemeenten plaatsgevonden. Tijdens de gesprekken
verkennen het Rijk en de gemeenten hoe de verspreiding van het salafisme te duiden is,
welke problemen er (kunnen) ontstaan, wat de reactie van de gemeente tot dusver is
geweest en hoe we met een gezamenlijke inspanning anti-integratieve en
antidemocratische tendensen en radicalisering kunnen voorkomen en tegen kunnen
gaan. De landelijke en lokale ervaringen van de afgelopen jaren met de aanpak van
radicalisering worden tijdens de gesprekken benut. Het Rijk kan gemeenten helpen bij
de ontwikkeling van een lokale strategie over de aanpak van radicalisering. Ook reikt het
Rijk instrumenten en methodieken aan. Maatwerk is daarbij uiteraard essentieel. De
gemeenten bekijken momenteel welke acties zij naar aanleiding van het gesprek gaan
ondernemen.
Aanpak gebruik internet voor radicale en terroristische doeleinden
Bestrijding van het internetgebruik voor radicale en terroristische doeleinden vindt
vanuit verschillende invalshoeken plaats. Van belang daarbij is het verkrijgen en
behouden van het zicht op aard en omvang van de problematiek opdat de juiste
maatregelen kunnen worden getroffen. De projecten op het gebied van monitoring,
surveillance en het meldpunt cybercrime zijn hier voorbeelden van. Over voortzetting
respectievelijk verdere vormgeving van deze initiatieven zal de eerste helft van 2008
worden besloten. Bij de aanpak van het internetgebruik voor radicale en terroristische
doeleinden ligt de focus op het tegengaan van bepaalde uitingen en informatie. Het
plegen van aanvallen via of tegen het internet wordt op dit moment niet waarschijnlijk
geacht; de resultaten van een recentelijk in het nieuws verschenen enquête over
informatiebeveiliging hebben dan ook niet tot andere inzichten geleid.
Mede ter invulling van het voornemen uit het Coalitieakkoord wordt geïnvesteerd in het
ontwikkelen van maatregelen om uitingen of informatie op het internet te blokkeren.
Hiertoe wordt een breed toepasbare systematiek uitgewerkt om websites of content
daarop in samenwerking met internetproviders ontoegankelijk te maken.
Toepasbaarheid van een dergelijke systematiek op radicale en terroristische content
9 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 29 754, nr. 108
wordt specifiek onderzocht. In dit kader spelen enkele juridische en praktische
vraagstukken die uitwerking behoeven en bepalend zijn voor de afweging al dan niet tot
blokkering over te gaan. Conform de tijdens het algemeen overleg op 10 oktober 2007
gedane toezegging zal uw Kamer het eerste kwartaal van 2008 per aparte brief worden
geïnformeerd over de voorwaarden waaronder radicale en terroristische content op het
internet kan worden geblokkeerd. In het verlengde daarvan wordt eveneens een notitie
opgesteld over de rechtshandhaving op het internet in den brede. Bevindingen in dat
kader zullen in genoemde brief worden verwerkt.
De inspanningen richten zich tenslotte op het tot stand brengen en versterken van de
samenwerking met andere landen. Binnen de EU wordt geparticipeerd in een project
gericht op uitwisseling van informatie over trends en ontwikkelingen die via monitoring
van het internet wordt gegenereerd. Daarnaast is het van belang dat landen meer gaan
samenwerken bij de bestrijding van content op het internet. Alleen dan kan de
effectiviteit van maatregelen worden verhoogd. Vanuit Nederland worden de Europese
ontwikkelingen op dit terrein ondersteund. De Europese samenwerking dient echter
vooral bij te dragen aan het verkrijgen en behouden van het zicht op aard en omvang
van de problematiek.
4. Slagvaardige organisatie en instrumenten
Persoonsgerichte aanpak
In de vorige voortgangsrapportage is uitgebreid ingegaan op de persoonsgerichte
aanpak. Zoals daarin aangekondigd hebben wij u via een separate brief geïnformeerd
over de juridische basis, de verantwoordelijkheid en het gezag betreffende de
persoonsgerichte aanpak.10
CBRN-terrorisme / Zelfgemaakte explosieven
De dreigingsappreciatie die in het voorjaar 2007 is opgesteld door de
inlichtingendiensten geeft aan dat de kans op een aanslag in Nederland waarbij
biologische, radiologische of nucleaire (CBRN)-middelen worden ingezet volgens de
inlichtingendiensten klein is, maar reëel. Deze inschatting leidt tot de conclusie dat,
gezien de disproportionele effecten die een CBRN-aanslag teweeg kan brengen, een
gecoördineerde inspanning gericht op het minimaliseren van de kans op CBRNterrorisme
noodzakelijk blijft. Het reeds ingezette traject gericht op verhoging van de
CBRN-security krijgt een extra impuls, doordat 96,8 miljoen euro beschikbaar is
gekomen voor de periode 2008-2013. Het leeuwendeel van de middelen wordt ingezet
voor weerstandsverhoging bij risicovolle CBRN-onderzoeksinstellingen, zoals
ziekenhuizen, laboratoria en universiteiten. Voor de gehele periode van 2008-2013 gaat
het daarbij om 76 miljoen euro. Tevens is voor deze periode 20,8 miljoen euro
beschikbaar voor de versterking van de mogelijkheden tot forensisch onderzoek op het
gebied van CBRN. Zo wordt de opsporingstaak versterkt en kan betere respons
plaatsvinden in geval er zich een incident voordoet.
10 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 29 754 en 30 977, nr. 104
Het project zelfgemaakte explosieven is opgezet naar aanleiding van de observatie dat
het merendeel van alle (pogingen tot) aanslagen in Europa plaatsvindt met explosieven
op basis van vrij verkrijgbare chemicaliën. Het doel van het project is om de fabricage en
inzet van zelfgemaakte explosieven te bemoeilijken. In theorie zijn talloze chemicaliën
geschikt om explosieven mee te maken. Een studie van RIVM en TNO, die inmiddels is
voltooid, heeft deze precursor-chemicaliën geselecteerd en is op basis van zorgvuldig
onderzoek tot een hanteerbare shortlist gekomen. Thans wordt in samenwerking met
het bedrijfsleven onderzocht welke maatregelen effectief en proportioneel zijn voor
welke stoffen. Men kan hierbij denken aan de melding van verdachte transacties en
restricties op de verkoop van bepaalde hoeveelheden en zuiverheden aan de consument.
De Nederlandse aanpak van precursoren explosieven loopt parallel aan het eerder in
deze brief genoemde Europees Actieplan over de veiligheid van explosieven dat op 7
november 2007 door de Europese Commissie zal worden gepubliceerd. Een aanpak van
zelfgemaakte explosieven is alleen zinnig als hierover op Europees niveau afspraken
worden gemaakt. Nederland heeft actief bijgedragen aan de totstandkoming van dit
actieplan en investeert in de Europese aanpak van dit onderwerp .
Strafrechtelijke handhaving
Op 17 september 2007 heeft het gerechtshof in Amsterdam Samir A. alsnog veroordeeld
voor het bezit van voorwerpen die kennelijk bedoeld waren voor het plegen van een
aanslag. Samir A. werd op 18 november 2005 in tweede instantie vrijgesproken door het
gerechtshof in Den Haag voor het hem onder meer ten laste gelegde voorbereiden van
een of meer bomaanslagen op (overheids)gebouwen. Het ressortsparket te Den Haag
heeft hierop op 24 november 2005 cassatie ingesteld bij de Hoge Raad waarbij het
cassatieberoep zich uitsluitend richtte tegen de vrijspraak voor de
voorbereidingshandelingen. Op 20 februari 2007 oordeelde de Hoge Raad tot
vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof in
Amsterdam. Het hof legde Samir A. een straf op van vier jaar met aftrek van voorarrest.
Het hof was van oordeel dat bij de beoordeling van de voorwerpen die Samir A. in zijn
bezit had, met name moet worden gekeken naar het doel dat hij met het bezit van die
middelen voor ogen had. Als dat doel het plegen van aanslagen is kan het bezit van
voorwerpen die op zichzelf (nog) niet schadelijk zijn, toch strafbaar zijn.
5. Veiligheidsmaatregelen
Bevindingen van incidenten in de burgerluchtvaart
Tijdens het mondelinge vragenuur van 12 oktober 2004 heeft de minister van Justitie
toegezegd om de Tweede Kamer te informeren over de bevindingen van incidenten in
de burgerluchtvaart, met name over procedures, communicatie en lijnen. Naar
aanleiding van een voorzorgslanding op luchthaven Schiphol van een passagierstoestel
van de vliegtuigmaatschappij British Airways met een mogelijk explosief aan boord op 30
september 2004 is onder onze verantwoordelijkheid een evaluatierapport opgesteld over
de incidentafhandeling. Uit de evaluatie bleek dat de procedures voor de betrokken
partijen in beginsel helder zijn. Echter, er was behoefte aan meer duidelijkheid over de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende betrokkenen, de coördinatie van
de informatievoorziening en de organisatie van de voorlichting. Alle aanbevelingen uit
het evaluatierapport zijn inmiddels opgevolgd.
De procedures rond incidentafhandeling in de burgerluchtvaart, worden regelmatig
geoefend. De oefeningen hebben inzichtelijk gemaakt dat er duidelijke verbeteringen
van de communicatielijnen zijn opgetreden. Daarnaast zijn er door de Staatssecretaris
van Verkeer en Waterstaat, in overleg met luchtverkeersleiding Nederland en de
Ministeries van Defensie, Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere
regels en procedures opgesteld over de luchtverkeersdienstverlening, de
verantwoordelijkheidsverdeling en het eventueel beperken van baan- en routegebruik bij
onderscheppingen.
Beveiliging van de burgerluchtvaart
In het kader van research and development wordt onderzoek verricht naar verbeteringen
in de technologische toepassingen teneinde de effectiviteit van beveiligingsmaatregelen
te vergroten. Sinds 14 mei 2007 worden op Schiphol als proef op verschillende locaties
security scanners ingezet voor zowel de beveiligingscontroles als voor douanecontroles.
Tijdens de proef gaan personen op basis van vrijwilligheid door de security scan.
Passagiers krijgen de keuze tussen de reguliere controle en de security scan. De
testresultaten geven aan dat de security scanners een kwalitatieve verbetering laten zien
ten opzichte van de huidige reguliere beveiliging.
Daarnaast zal in het kader van research and development op initiatief van de NCTb en
Amsterdam Airport Schiphol nieuwe apparatuur worden getest ter verbetering van de
controle van handbagage.
6. Reageren op crisis
Oefenen
De NCTb en de vitale bedrijfssectoren in Nederland hebben samen een breed
functionerend waarschuwingssysteem voor terroristische dreiging ontwikkeld, het
Alerteringssysteem Terrorismebestrijding (ATb). Een van de pijlers van het ATb is een
gedegen oefenprogramma. De ATb oefencyclus bestaat - per aangesloten sector - uit een
workshop, een "tabletop" oefening waarbij de besluitvormingsprocedures worden
beoefend en een operationele oefening waarbij maatregelen concreet worden uitgevoerd
in de praktijk. De evaluaties van de in de eerste helft van 2007 gehouden operationele
oefeningen met de sectoren "Spoor" en " Drinkwater" zijn afgesloten en de "lessons
learned" zijn intensief besproken met de betrokken sectoren. De resultaten van beide
oefeningen zijn door alle deelnemer als positief beoordeeld. In juni is een operationele
ATb oefening gehouden voor de sector " luchthavens". De te nemen maatregelen zijn
daadwerkelijk uitgevoerd op de luchthaven Schiphol. In het najaar zal een operationele
oefening worden georganiseerd voor de sector "Nucleair".
Het besluitvormingstraject met betrekking tot de inzet van de Dienst Speciale
Interventies (DSI) is beoefend als onderdeel van de nationale crisisoefening Voyager op
3 oktober 2007.
Eind oktober is in samenwerking met het Air Operations and Control Station van de
Koninklijke Luchtmacht voor de tweede maal dit jaar de "Renegade-procedure"
geoefend11. In deze procedure worden de afwegingen gemaakt over de noodzaak tot en
de wijze van optreden in geval van luchtvaartterrorisme.
7. Communicatie & Voorlichting
In februari 2006 is de NCTb gestart met de meerjarige massamediale publiekscampagne
'Nederland tegen terrorisme'. De campagne draagt bij aan het verhogen van de kennis
van de burger over terrorisme en terrorismebestrijding, het vertrouwen in wat de
overheid doet aan terrorismebestrijding en geeft aan wat de burger daar zelf aan kan
bijdragen. Centraal in alle campagneperiodes staan 'de professionals' die - ieder op
hun eigen wijze - een bijdrage leveren aan terrorismebestrijding in Nederland. Dit
najaar brengt de campagne diverse professionals in beeld uit het lokaal bestuur, het
jongerenwerk , de politie en het onderwijs.
Het totale bereik van de campagne is onder het algemeen publiek en de doelgroep
bedrijfsleven hoog. Op het hoogste punt herkent 92% van het algemeen publiek
tenminste één van de campagne-uitingen. In het algemene jaarlijkse onderzoek naar
terrorismebeleving zien we dat het vertrouwen in de overheid toe blijft nemen als het
om terrorismebestrijding gaat.
De bezorgdheid over terrorisme en terroristische aanslagen is sterk afgenomen, van 29%
vorig jaar, naar 12 % dit jaar. Opvallend is dat het veelal aan terrorisme gekoppelde
onderwerp radicalisering juist een omgekeerde ontwikkeling laat zien; van 12% naar 21
%. Algemeen gesteld voelt men zich ook op de meeste locaties redelijk veilig. Wel
worden de grote steden, het openbaar vervoer en grote evenementen nog altijd gezien
als de belangrijkste risicogebieden voor een mogelijke aanslag. Niettemin zien we een
toename van de gepercipieerde veiligheid in vliegtuigen van 61% naar 69%.
Lokaal bestuur
De campagnewebsite is in september uitgebreid met een nieuw hoofdstuk voor lokale
professionals. Het doel is om hen te ondersteunen bij de lokale aanpak van terrorisme.
De informatie op http://www.nederlandtegenterrorisme.nl/lokaalbestuur is ontleend
aan de 'Handreiking Terrorismebestrijding op lokaal niveau'12. Via advertenties in
vakpublicaties zijn professionals op lokaal niveau attent gemaakt op deze informatie.
Jongerenwerkers, wijkagenten en docenten
Daarnaast gaat in november 2007 een nieuwe massamediale campagneperiode van start
die het werk van drie groepen professionals in beeld brengt, die specifiek te maken
11 Regeling 5348913/505 van 20 april 2005 "houdende het verlenen van militaire bijstand ten
behoeve van de bewaking van het Nederlandse luchtruim en inzet van defensiemiddelen tegen
terroristische dreigingen vanuit de lucht"
12 Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 29 754, nr. 68
hebben met de thematiek van radicalisering onder jongeren. Feitelijk volgt de campagne
hier twee sporen. Wát de jongerenwerkers, wijkagenten en docenten doen wordt in
beeld gebracht via televisiespots, radiospots en (print)advertenties. Daarnaast wordt
materiaal ontwikkeld en aangeboden dat met name docenten kan helpen met het
faciliteren van gesprekken in de klas over de thematiek van radicalisering. Bij de
voorbereiding van deze campagneperiode is focusgroep-onderzoek gedaan onder de drie
genoemde beroepsgroepen; bevindingen uit deze onderzoeken zijn verwerkt in de
verdere campagneontwikkeling.
De Minister van Justitie, De Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties,
---
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties