Gemeente Elburg
De raad der gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 april 2007
gelet op de artikelen 8, 19 vijfde lid, 23 derde lid en 35 van de Wet inburgering;
overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de informatieverstrekking door de
gemeente aan inburgeringsplichtigen, het aanbieden van een inburgeringsvoorziening aan bijzondere groepen
inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
inburgeringsvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij verordening het bedrag dient vast te stellen van
de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd;
b e s l u i t :
vast te stellen de verordening wet inburgering gemeente Elburg
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
a. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg;
b. de wet: de Wet inburgering;
c. het Besluit: Het Besluit tot uitvoering van de wet inburgering (Besluit inburgering);
d. inburgeringsvoorziening: voorziening gericht op het behalen van het inburgeringsexamen.
e. inburgeringsplichtige: de persoon zoals omschreven in artikel 3 van de wet;
f. inburgeringstraject: geheel van voorzieningen gericht op het behalen van het inburgeringsexamen
gecombineerd met een tweede doelstelling zoals arbeidsmarkttoeleiding of opvoedingsondersteuning;
g. Wwb: wet werk en bijstand
2. De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende regelingen zijn van toepassing op de
begrippen die in deze verordening worden gebruikt.
Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen
1. Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een doeltreffende en doelmatige wijze
worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de
toegang tot inburgeringsvoorzieningen.
2. Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de
volgende middelen:
a. Mondelinge informatie bij het intakegesprek;
b. Algemene voorlichting, bijvoorbeeld via folders in hal gemeentekantoor, website gemeente Elburg
en berichten in de huis-aan-huis;
c. Persoonlijke informatie via beschikking en/of brief;
3. Het college beoordeelt periodiek de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad.
Hoofdstuk 2. Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening
Artikel 3 Aanwijzen van de doelgroepen (gemeentelijk aanbod)
Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waaraan hij bij voorrang een inburgeringsvoorziening
kan aanbieden op basis van de volgende criteria:
1. Aan de groepen inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 19, lid twee van de wet, biedt het
college een inburgeringsvoorziening aan:
a. Aan asielgerechtigde inburgeringsplichtigen en geestelijk bedienaren die zich als
nieuwkomer in de gemeente vestigen, zal uiterlijk binnen 8 weken na de intake een aanbod
worden gedaan;
b. Aan een inburgeringsplichtige die in een eerdere gemeente reeds een aanbod tot een
inburgeringsvoorziening heeft geaccepteerd, zal in geval van verhuizing naar de gemeente
Elburg eenzelfde of gelijkwaardig inburgeringsinitiatief worden geboden.
2. Aan inburgeringsplichtigen uit de doelgroepen als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de wet, kan
het college een inburgeringsvoorziening aanbieden. Bij voorrang wordt een inburgeringsvoorziening
ingezet ten behoeve van:
a. personen die een periodieke uitkering voor levensonderhoud ontvangen van de gemeente
Elburg;
b. personen die zichzelf daarvoor melden.
Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening
1. Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van de inburgeringsvoorziening aan
geestelijke bedienaren, af op het startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.
2. Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt
het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op arbeidsinschakeling
wordt afgestemd.
3. Een inburgeringsvoorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, een of meer van de volgende
onderdelen bevatten:
a. Maatschappelijke begeleiding;
b. Één of meer (reïntegratie)voorzieningen zoals geregeld in de reïntegratieverordening WWB
gemeente Elburg.
Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage
1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet wordt in ten hoogste 12 maandelijkse
termijnen betaald.
2. Het college legt in de beschikking tot toekenning van een inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling
vast.
3. Indien mogelijk int het college de eigen bedrage als bedoeld in lid 1 middels het verstrekken van een
vergoeding als bedoeld in artikel 16 eerste en tweede lid onder e en/of artikel 18 eerste lid van de
reïntegratieverordening WWB gemeente Elburg dan wel bijzondere bijstand.
Artikel 6 Opleggen van verplichtingen
Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen:
a. het deelnemen aan de aangeboden inburgeringscursus;
b. het deelnemen aan (voortgangs)gesprekken met de klantmanager en/of trajectbegeleider;
c. voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen op een tijdstip dat door het college wordt
bepaald;
d. het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante omstandigheden niet aan de verplichtingen in
de beschikking kan worden voldaan;
e. het meewerken aan een onderzoek om een eventuele ontheffing als bedoeld in artikel 6 van de wet te
kunnen objectiveren.
Hoofdstuk 3. Het aanbod van een inburgeringsvoorziening
Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod
1. Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod
wordt gezonden naar het adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke basisadministratie is
ingeschreven.
---
2. In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de inburgeringsvoorziening die wordt aangeboden
en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan de inburgeringsvoorziening worden verbonden.
3. De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt binnen 4 weken het college schriftelijk
mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt.
4. Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het college binnen 4 weken na ontvangst
van deze mededeling het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening, overeenkomstig het
gedane aanbod.
Artikel 8 De inhoud van de beschikking
Het besluit tot vaststelling van een inburgeringsvoorziening bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de inburgeringsvoorziening;
b. een opgave van de rechten en verplichtingen van de inburgeringsplichtige;
c. de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn gedaan en behaald;
d. de termijnen en wijze van betaling eigen bijdrage; en
e. ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld
in artikel 26 van de wet, aanvangt.
Hoofdstuk 4. De bestuurlijke boete
Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes ex artikel 34 van de wet
1. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 250,00 indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten
aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of
onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet.
2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 500,00 indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende
medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld
in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening.
3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 500,00 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in
artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31,
tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.
4. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 1.000,00 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door
het college op grond van artikel 32 en 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft
behaald.
5. Conform artikel 38 lid 2 WI wordt de boete afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van
verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden. Tevens kan het college afzien van het opleggen van
een boete indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 10 Nadere regels
Nadere bepalingen ten aanzien van deze verordening kunnen worden opgenomen in beleidsregels en/of
werkinstructies en in bijzondere gevallen kan het college ten gunste van inburgeringsplichtige afwijken
van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van
overwegende aard leidt.
Artikel 11 Citeertitel en inwerkingtreding.
Deze verordening
a. wordt aangehaald als de `verordening wet Inburgering gemeente Elburg';
b. treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007;
c. vervangt de `boeteverordening wet inburgering nieuwkomers', vastgesteld in de openbare
raadsvergadering van 16 december 2004.
Aldus besloten door de raad der gemeente Elburg
in zijn vergadering van 21 mei 2007
de voorzitter, de griffier,
drs. H. Visser Mr. Ir. M.C. Luiting-Kamminga.
---
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Spreekt voor zich. Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden gebruikt in
respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering, de Regeling inburgering etc. ook van toepassing zijn
op deze verordening.
Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen
De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te informeren over de rechten en
plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze
de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel bepaalt artikel 8 WI dat de
gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod
van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.
Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. Gemeenten kunnen er voor kiezen om
in de verordening alleen de kaders vast te stellen voor een adequate informatievoorziening door het college aan
de inburgeringsplichtigen. In dat geval kan met opnemen van het eerste en derde lid in de verordening worden
volstaan. Er kan ook voor worden gekozen om in de verordening vast te leggen welke middelen het college (in
ieder geval) moet aanwenden om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen te organiseren. In dat
geval moet het tweede lid in de verordening worden opgenomen, waarbij tevens een keuze moet worden
gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden ingezet.
Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit artikel de kaders vast voor een
adequate informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af aan de raad.
De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren worden vormgegeven. Zo kunnen
gemeenten een apart informatiepunt inrichten (het inburgeringsloket) al dan niet in combinatie met een digitaal
loket. Het is ook mogelijk om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen bij een
centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen gemeenten bepaalde organisaties
(bijvoorbeeld educatie-instellingen, bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen.
In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval) een aantal middelen te gebruiken
om de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen vorm te geven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan:
a. het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis bij de afdeling Sociale en Burgerzaken. Vaak zal
het intake gesprek gebruikt worden om de nodige informatie te verstrekken;
b. het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan personen ten aanzien van wie al dan niet op grond
van gegevens uit het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat zij inburgeringsplichtig zijn;
c. het vertrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om uitkeringen;
d. het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;
e. het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke website;
f. Beschikking op grond van de WI (en WWB).
Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de doeltreffendheid en doelmatigheid
van de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen. Gedurende het jaar wordt op diverse wijze
gerapporteerd aan de raad en het ligt voor de hand om het onderdeel te laten zijn van bedoelde rapportages.
Artikel 3 Aanwijzen van de doelgroepen
Artikel 19, eerste lid, WI bepaalt dat het college aan twee groepen inburgeringsplichtigen een
inburgeringsvoorziening kán aanbieden:
1. inburgeringsplichtigen die algemene bijstand of een uitkering op grond een bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen ontvangen;
2. oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben.
---
De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen met betrekking tot de criteria die worden gehanteerd bij
het doen van een aanbod aan deze twee groepen inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).
Dit artikel vorm de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het college opgedragen om vast te
stellen aan welke groepen inburgeringsplichtigen (binnen de twee doelgroepen van artikel 19, eerste lid, WI) bij
voorrang een inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd
binnen welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. Het is van belang dat deze kaders
(in casu het aanwijzen van groepen waaraan een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden) niet te eng te
definiëren. Het college zal binnen deze kaders gedurende een aantal jaren groepen moeten kunnen aanwijzen.
Het alternatief is dat de verordening op dit onderdeel steeds opnieuw moet worden gewijzigd. Een andere reden
om de kaders niet te strak vast te stellen is dat gemeenten op dit moment geen duidelijk zicht hebben op de
precieze omvang van de groep oudkomers zonder werk of uitkering waaraan een inburgeringsvoorziening kan
worden aangeboden. Te strenge criteria zouden wel eens kunnen leiden tot het niet benutten van de
beschikbare middelen voor het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen.
Lid 2 regelt dat de groepen die het college aanwijst bij voorrang een inburgeringsvoorziening krijgen
aangeboden. Dit betekent dat het college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een
inburgeringsvoorziening aan te bieden aan inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of groepen die
hij heeft aangewezen (maar wel behoren tot de doelgroepen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, WI). Om te
voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep of groepen die het college heeft aangewezen
aan deze aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college
aan de groepen die hij aanwijst een inburgeringsvoorziening kan aanbieden. Voorrang krijgen personen met
een perodieke uitkering voor levensonderhoud van de gemeente Elburg en personen die zich zelf melden.
Laatstgenoemde groep zal goed gemotiveerd zijn.
Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening
In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de vaststelling door het college van een
passende inburgeringsvoorziening, met in begrip van de totstandkoming en samenstelling van de
inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel worden de kaders vastgesteld
waarbinnen het college de opdracht heeft voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt,
een op de persoon toegesneden inburgeringsvoorziening samen te stellen.
In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende inburgeringsvoorziening moet
vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid van een inburgeringsvoorziening, kunnen de volgende factoren
een rol spelen:
- De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving en zijn of
haar leercapaciteit.
- De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat vervullen in de Nederlandse
samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van
kinderen.
- De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
eventuele zorgtaken die de inburgeringsplichtige moet vervullen.
De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren wordt geregeld bij ministeriële
regeling. Gemeenten hebben dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke
bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.
In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
ontvangen, kan het voordelen opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is
wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een inburgeringsvoorziening aan een
uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat diens arbeidsinschakeling
belemmert.
De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd moet worden met een voorziening
gericht op arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden
aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op grond van een andere
socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én die verplicht is om arbeid om arbeid te verkrijgen of te
aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Indien in deze specifieke situatie geen reïntegratievoorziening wordt
aangeboden, kan de gemeente derhalve geen inburgeringsvoorziening aanbieden. Het college is
verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid,
WI).
---
Het tweede lid van artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen dat de
inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de reïntegratievoorziening. Dat betekent tevens dat bijvoorbeeld
met het UWV in voorkomende gevallen afstemming moet worden gezocht.
Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan
inburgeringsplichtigen kan aanbieden. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval
moet bestaan: een cursus die toe leidt naar het inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van
dat examen (artikel 19, derde lid, WI). Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers)
maakt ook maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening (artikel 19,
zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel van de
inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan aanbieden, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding
of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht
aan een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een maatschappelijke stage of een aparte
module die gericht is op het verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. Om de ruimte maximaal
te benutten en om zoveel mogelijk rendement te behalen, wordt een relatie gelegd met de reïntegratie-
verordening WWB gemeente Elburg. Dat betekent dat de reïntegratie-voorzieningen die op grond van die
verordening kunnen worden ingezet, ook voor WI'ers (mits doelgroep!) ingezet kunnen worden.
Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een praktijkgericht deel omvat,
waarin de praktische (taal)vaardigheden worden getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van
de inburgeringsvoorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze vaardigheden. Daarbij
zal de inzet van duale trajecten een belangrijke rol vervullen.
Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage
In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de inning van de eigen bijdrage van
de inburgeringsplichtige door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid,
WI). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt 270. Dit bedrag kan bij algemene
maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid, WI). Vastgelegd wordt dat het bedrag in
maximaal 12 termijnen mag worden betaald.
In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage
in een aantal termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene
bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het college wil
overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de beschikking tot toekenning van de
inburgeringsvoorziening.
Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college het UWV verzoeken de eigen
bijdrage te verrekenen met of in te houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt door
het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze verordening geregeld.
Lid 3 regelt dat zoveel mogelijk ambtshalve zal worden bezien of de eigen bijdrage op grond van de
reïntegratie-verordening WWB gemeente Elburg (deels) kan worden gefinancierd. Bijzondere bijstand is ook
nog een mogelijkheid, omdat de eigen bijdrage voor personen met een minimum inkomen nog best fors is. Er
vindt altijd een individuele beoordeling plaats. In alle gevallen moet uiteraard worden bezien of aan de
voorwaarden (bijv. doelgroep, draagkracht etc.) wordt voldaan. De verzamelcirculaire van maart 2007 van het
ministerie van SZW biedt wat ruimte voor de verstrekking van bijzondere bijstand in bepaalde situaties.
Artikel 6 Opleggen van verplichtingen
Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening
regels stelt over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is
vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel
worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een inburgeringsvoorziening op te leggen. Het
college legt in de beschikking tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening deze verplichtingen vast. Het
ligt voor de hand om een (onafhankelijk) arts in te schakelen voordat ontheffing wordt verleend.
---
Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod
Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat het doen van een aanbod op
zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat zo'n aanbod de start is van een procedure die als het goed
is leidt tot een besluit tot het toekennen van een inburgerings-voorziening. In het eerste lid van dit artikel
wordt geregeld dat het college het aanbod van een inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige op
schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat
ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het feit dat het college de
inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan.
Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke beschikking (het tweede lid).
Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot de
toekenning van de inburgeringsvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking
moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid).
De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt of weigert,
hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de inburgeringsplichtige van een verklaring
die door de gemeente is opgesteld.
Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt dat hij wel een
inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien
in het aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod moeten
aanpassen.
Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de inburgeringsplichtige het aanbod,
dan zal hij zich zelfstandig moeten voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan
is er geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen moet hebben
behaald. Het ligt voor de hand dat het college in een dergelijke situatie een handhavingsbeschikking neemt:
een besluit op grond van artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige
het inburgeringsexamen moeten hebben behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn).
Artikel 8 De inhoud van de beschikking
Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt
geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd.
In de beschikking zullen de toegekende inburgeringsvoorziening en de daaraan verbonden rechten en plichten
van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige
is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening (artikel 23, eerste
lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn
omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt.
De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet hebben behaald, ligt vast in de
wet (artikel 7, eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden
gemaakt (onderdeel c). Aangezien voor de financiering van trajecten door het Rijk ook van belang is wanneer
examen is afgelegd, kan het gewenst zijn om die datum eveneens in de beschikking te vermelden.
Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel termijnen de eigen bijdrage kan
worden betaald en op welke wijze de betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening.
Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het college een inburgeringsvoorziening
vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop
de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26
WI). Binnen vijf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald.
Het college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het
ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop
de inburgeringsvoorziening van start gaat). De precieze datum waarop de inburgeringsvoorziening van start
gaat, zal niet altijd bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend.
---
Bovendien past het vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht,
onafhankelijk van het moment waarop met de inburgeringsvoorziening kan worden begonnen bij het
uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf
verantwoordelijk is voor het behalen van het inburgeringsexamen.
Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen
Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen
die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende
overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd.
De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en géén gefixeerde
bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college
daarbij ook zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38,
tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal
moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
inburgeringsplichtige.
In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie- en inburgeringsvoorziening kan het
voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor het
verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of het
opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere socialezekerheidswet of regeling. Artikel 37
WI bevat een regeling voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén
bestuurlijke boete kan opleggen.
Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de bestuurlijke boete te verhogen van
maximaal 500 naar maximaal 1000 in het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan
de verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit is geregeld in het vierde lid
van artikel 9.
Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het inburgeringsexamen heeft behaald,
dan legt het college hem een bestuurlijke boete op. Op grond van artikel 32 WI moet het college in de
boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog het
inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het
inburgeringsexamen niet heeft behaald, maakt het vierde lid van artikel 9 het mogelijk dat het college een
hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt 1.000 (artikel 34, onderdeel d, WI). Ook in dat geval
zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige
het inburgeringsexamen moet behalen.
De WI schrijft in de artikelen 29 tot en met 46 gedetailleerd voor hoe gehandeld moet worden als een boete
opgelegd moet worden. Een paar zaken worden er uitgelicht:
- De cautie ex artikel 36 lid 2 WI
- Geen boete als een maatregel kan worden opgelegd op grond van de afstemmingsverordening
WWB gemeente Elburg (artikel 37 WI).
- Artikel 39 WI zet op een rij wat in de beschikking vermeld moet worden.
Artikel 10 Nadere regels
Niet alles is te regelen in wet en verordening. Daarom moet het mogelijk zijn om in aanvulling op
voornoemde regelgeving aanvullende beleidsregels of werkinstructies vast te stellen. Daarnaast wordt
een hardheidsclausule opgenomen, zodat als een individuele situatie daar aanleiding voor geeft, ten
gunste van de inburgeringsplichtige kan worden afgeweken.
Artikel 11 Citeertitel en inwerkingtreding
Dit artikel spreekt voor zich.