NVM prijsstijging derde kwartaal 2006 bedraagt 0,8%

Nvm

PERSBERICHT
Nieuwegein, vrijdag 6 oktober 2006

NVM: prijsstijging derde kwartaal 2006 bedraagt 0,8%
Rustiger zomerkwartaal woningmarkt

De gemiddelde verkochte woning in Nederland is in het derde kwartaal van 2006 met 0,8% in prijs gestegen ten opzichte van het tweede kwartaal van 2006. De gemiddelde prijs van een koopwoning komt nu uit op 241 duizend euro. In het derde kwartaal zijn er, zoals te verwachten in de zomer, in verhouding minder woningen te koop gekomen. Mede daardoor is het aantal verkopen 10% lager dan in het tweede kwartaal. Waarnemend voorzitter van de NVM Wim van Kampen spreekt over een, zoals gebruikelijk, wat rustiger zomerkwartaal.

De nieuwste kwartaalcijfers die de NVM uitgeeft, zijn altijd voorlopig, zie uitleg pagina 6 van dit persbericht.

Opvallend is dat de prijzen van dure woningen, net als in het tweede kwartaal, veel sterker stijgen dan gemiddeld. De prijsstijging van goedkope woningen is ongeveer gemiddeld. Vooral dure twee-onder-een-kapwoningen stijgen met 2,1% beduidend meer in prijs dan de goedkope twee-onder-een-kapwoningen.

Reactie NVM op CPB-rapport gevolgen afschaffen hypotheekrenteaftrek Nu de verkiezingen aanstaande zijn, is de aftrekbaarheid van de hypotheekrente bij menig politieke partij punt van discussie. Het nu ingrijpend veranderen van de mogelijkheden van het aftrekken van de hypotheekrente heeft grote gevolgen voor de Nederlandse economie en het vertrouwen van de burger in de overheid. De NVM is van mening dat zolang de aanbodzijde van de woningmarkt niet voldoende functioneert, ingrepen aan de vraagzijde onverstandig en marktverstorend zijn. Dat is ook de reden dat de NVM voorstander is van het behouden van de hypotheekrenteaftrek. De NVM heeft op een aantal punten kritiek op het onlangs gepubliceerde CPB-rapport over de gevolgen van het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek.

Het grootste punt van kritiek is dat de onderzoekers zelf al aangeven dat een voorzichtige interpretatie van het rapport noodzakelijk is, omdat consumenten niet alleen rationeel, maar vooral ook emotioneel redeneren. Dat betekent dat de gevolgen van afschaffing veel extremer kunnen zijn dan wat het CPB op basis van theorie berekent. Daarnaast wordt er nauwelijks stilgestaan bij de vermogenseffecten van de individuele huishoudens. De gevolgen van prijsdalingen van woningen blijven volgens de NVM onderbelicht in het rapport. Indien de hypotheekrenteaftrek volledig wordt afgeschaft, bedraagt de totale daling van de waarde van de koopwoningen 163 miljard euro (totale waarde van de eigenwoningvoorraad is volgens het rapport 1.164 miljard).

Deze waardedaling heeft enorme gevolgen voor de dekking van hypotheken. De hypotheekschuld blijft hetzelfde, terwijl het onderpand daalt. Hierdoor stokt de doorstroming (mensen zullen niet verkopen met verlies, tenzij het noodzaak is) en de vermogenspositie van huishoudens daalt. In het rapport vermeldt men niet hoe banken omgaan met het feit dat het onderpand lager is dan de lening.

Een ander punt van kritiek heeft betrekking op de berekenwijze. Een belangrijk kenmerk bij het berekenen van de prijsdaling is de veronderstelde prijselasticiteit. De keuze hiervan is bepalend voor het gevolg op de prijsvorming. Het CPB gebruikt hiervoor hoofdzakelijk onderzoeken vanuit het buitenland, terwijl de Nederlandse situatie daarmee niet vergelijkbaar is.

Startersproblematiek
De NVM heeft in haar kwartaaluitingen dit jaar de startersproblematiek aan de orde gesteld. In de brief die mevrouw Dekker (voormalig minister van VROM) op 3 oktober jl. aan de Kamer heeft gestuurd staat dat de regeling voor het verstrekken van startersleningen in 2007 van start zal gaan. Vorig kwartaal gaf de NVM al aan dat een groot deel van de woningvoorraad niet voldoet aan de kwaliteitseisen die de starter stelt aan een woning Volgens de brancheverenging is er duidelijk sprake van een mismatch. Het instellen van het startersfonds van 40 miljoen lost dit fundamentele probleem niet op. Volgens waarnemend voorzitter Van Kampen verdient het aanbeveling om het binnenstedelijk gebied te herstructureren. Het bedrag dat het ministerie van VROM in 2007 vrijmaakt voor het startersfonds zou hiervoor beter gebruikt kunnen worden. Door meer aandacht te besteden aan binnenstedelijke vernieuwing, kunnen grote aantallen goede starterswoningen beschikbaar komen. Bovendien wordt op die manier een aanvaardbaar woonklimaat voor starters gecreëerd.

Vinex-woningen doen het goed
Uit onlangs gehouden onderzoek in opdracht van de NVM blijkt dat bestaande Vinex-woningen goed worden afgezet in de markt voor bestaande woningen. De Vinex-locaties zijn in 1993 door de toenmalige minister van VROM aangewezen als uitbreidingsgebied voor de grotere steden. De belangrijkste aspecten die Vinex toen noodzakelijk maakten, waren de steeds kleiner wordende huishoudens en de wens van de steden om koopkrachtige bevolkingsgroepen aan zich te binden. Critici uit de vakwereld wijzen er regelmatig op dat in de Vinex-wijken te veel rijtjeshuizen staan die nogal op elkaar lijken, dat de kavels te klein zijn, de bebouwingsdichtheid te hoog is en dat het bij oplevering slecht is gesteld met geplande voorzieningen. Kort gezegd: de kwaliteit van de Vinex-wijken schiet volgens de critici tekort.

Vanaf 2000 worden geleidelijk aan meer en meer Vinex-woningen door de eerste eigenaren te koop aangeboden. Anno 2006 is het mogelijk terug te kijken en te beoordelen of ze redelijk snel verkocht worden en tegen een goede prijs in vergelijking tot soortgelijke woningen in hetzelfde woningmarktgebied. Het blijkt dat de Vinex-woningen in de belangrijkste Vinex-locaties aantrekkelijk zijn en vlot van de hand gaan. Niet alleen de prijs per vierkante meter ligt doorgaans hoger, maar ook het verschil tussen vraag- en verkoopprijs is over het algemeen kleiner. Bovendien staan deze woningen meestal korter te koop. Er zijn echter wel veel regionale verschillen.