De Voorzitter van de Tweede Kamer Postbus 90801
der Staten-Generaal 2509 LV Den Haag
Anna van Hannoverstraat 4
Binnenhof 1 A Telefoon (070) 333 44 44
2513 AA S GRAVENHAGE Fax (070) 333 40 33
www.szw.nl
2513AA22XA
Contactpersoon drs. J.A. Breure Ons kenmerk UB/S/2006/82087
Doorkiesnummer (070) 333 51 60 Datum 6 oktober 2006
Onderwerp Hardheidsclausule terugvordering zbo's
Inleiding
In het Algemeen Overleg SUWI d.d. 7 september j.l. heeft mevrouw Noorman-den Uyl
(PvdA) in haar inbreng aandacht besteed aan de ruimte die de zbo's (in casu UWV en SVB)
hebben om in voorkomende gevallen van terugvordering af te zien. In verband met een nu
hierover aangevraagd VAO, ga ik in deze brief nader op deze kwestie in.
Ik stel voorop dat ik, met mevrouw Noorman-den Uyl, het belang onderschrijf dat er bij
kwesties van terugvordering in geval van dringende redenen ruimte moet zijn om aan
persoonlijke omstandigheden van betrokkene tegemoet te komen. De materiewetten die UWV
en SVB uitvoeren bevatten een hardheidsclausule die daar in voorziet. Bovendien wordt
rekening gehouden met de beslagvrije voet en kan zonodig een betalingsregeling worden
getroffen. Dit rechtvaardigt mijns inziens de conclusie dat de vigerende bepalingen volstaan.
Analyse
In de verschillende materiewetten is geregeld dat onverschuldigde uitkeringen als regel
worden teruggevorderd. Het kan bij een beslissing om terug te vorderen gaan om zowel de
inhoudelijke aspecten van de uitkering, zoals het recht op uitkering en de verlaging van de
uitkering bij wijze van maatregel, als om vergissingen, zoals rekenfouten. Beide leiden tot
herstel van de toekenningsbeschikking. Ook in gevallen waarin achteraf, als gevolg van een
rechterlijke uitspraak, wijziging in het recht op of de hoogte van de uitkering optreedt, dient
terugvordering plaats te vinden.
Dat terugvorderingen in voorkomende situaties meerdere jaren teruggaan is soms
onvermijdelijk (bijvoorbeeld door het tijdstip waarop gegevens van de Belastingdienst
beschikbaar komen). Dit mag op zichzelf ook geen reden zijn om van terugvordering af te
zien. De materiewetten bieden dan ook geen grondslag om louter op de grond van tijdsverloop
van terugvordering af te zien.
Ons kenmerk UB/S/2006/82087
De materiewetten voorzien echter in uitzonderingsmogelijkheden indien de terugvordering
voor de persoon of instelling onaanvaardbare consequenties heeft. Zowel in de WIA (artikel
77), de WAO (artikel 57), de WW (artikel 36), de ZW (artikel 33), de WAZ (artikel 63), de
WAJONG (artikel 55), de TW (artikel 20), de AOW (artikel 24), de ANW (artikel 53) en de
AKW (artikel 24) is bepaald dat het zbo (UWV dan wel SVB) indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn kan besluiten van terugvordering af te zien. Daarbij moet het om een
incidenteel geval gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante
omstandigheden. Van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Toepassing
van dringende redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen behoeft niet alleen aan financiële omstandigheden te
worden gedacht. Ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen.
Wat de financiële omstandigheden betreft kan nog worden bedacht dat in het algemeen
voldoende bescherming wordt geboden door de beslagvrije voet. Als niet geheel van
terugvordering wordt afgezien, moet, evenals bij elke terugvordering, in ieder geval rekening
worden gehouden met de beslagvrije voet (normbedrag dat een schuldenaar verondersteld
wordt nodig te hebben voor levensonderhoud en vaste lasten). UWV en SVB kunnen een
betalingsregeling treffen, waarbij de periodieke betalingen in omvang worden beperkt d.w.z.
over een langere termijn worden gespreid.
Conclusie
Op basis van de materiewetten kunnen UWV en SVB besluiten van terugvordering af te zien.
In geval van dringende redenen (bijvoorbeeld in financiële omstandigheden gelegen) is er dus
voldoende ruimte om aan persoonlijke omstandigheden van betrokkene tegemoet te komen.
Een ruimere hardheidsclausule is dan ook onnodig.
Bij terugvordering wordt overigens in ieder geval rekening gehouden met de beslagvrije voet
en zo nodig een betalingsregeling getroffen. Hierdoor behoeft het inkomen van de klant nooit
minder te bedragen dan 90% van de bijstandsnorm.
E.e.a. laat onverlet de wenselijkheid, uit oogpunt van behoorlijk bestuur, dat UWV en SVB
streven naar zo kort mogelijke afhandeltermijnen in de procedures rond het vaststellen van een
uitkering. Naarmate de gevalsbehandeling sneller is, zal een eventueel terug te vorderen
bedrag minder hoog kunnen oplopen en zijn de eventuele problemen voor de cliënt bij
terugvordering navenant minder. In de aansturingsrelatie met de betrokken zbo's heeft
tijdigheid dan ook blijvend de aandacht.
Op grond van artikel 6 EVRM moet een beslissing over de toekenning van rechten en plichten
binnen een redelijke termijn plaatsvinden. Dit is in het algemeen 2 jaar, maar kan afhankelijk
van de complexiteit van de casus ook langer zijn. Er is geen bestuursrechtelijke plicht om
schade te vergoeden. Uit jurisprudentie blijkt echter dat een bestuursorgaan in geval van
---
Ons kenmerk UB/S/2006/82087
overschrijding van de redelijke termijn toch schadeplichtig kan zijn. Mocht een bestuursorgaan
uitgaan van schadeplichtigheid, dan betekent dit in geval van terugvordering dat de
aangenomen schade in mindering wordt gebracht op het terug te vorderen bedrag. Dit kan
zonder dat sprake is van een dringende reden en impliceert dus per saldo een forse ruimte om
een cliënt tegemoet te komen.
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
(mr. A.J. de Geus)
---
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid