Rechtbank Amsterdam
Rechter verklaart beroep Pasic ongegrond
Persbericht
Amsterdam, 21 april 2006
Rechter verklaart beroep Pasic ongegrond
De rechtbank Amsterdam heeft vandaag het beroep van Taïda Pasic tegen
het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
ongegrond verklaard.
Het ging om het besluit, waarbij de Minister geweigerd heeft Pasic een
vergunning te geven voor het afronden van haar VWO-opleiding. Gevolg
van de uitspraak is dat Taïda Pasic, die dit jaar eindexamen doet,
niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland en kan worden
uitgezet. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Raad van
State.
In zijn uitspraak oordeelde vreemdelingenrechter O. Korte dat de
Minister niet in strijd met het recht heeft gehandeld door geen
gebruik te maken van de hardheidsclausule voor vrijstelling van het
vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Dit betekent
dat Pasic niet gelijk naar Nederland mocht komen om een aanvraag voor
een vergunning in te dienen, maar in haar land van herkomst de
vergunning had moeten aanvragen en daar had moeten wachten op een
beslissing. Verder oordeelde de rechter dat minister Verdonk door haar
uitspraken in het openbaar de schijn van partijdige behandeling van de
zaak had gewekt. Ook het optreden van de vreemdelingendienst in
Winterswijk riep vragen op omtrent de zorgvuldigheid. Toch vond de
rechter dat de IND de zaak uiteindelijk voldoende onpartijdig en
zorgvuldig had behandeld. Dat bleek volgens de rechter uit het gesprek
dat Pasic heeft gehad met de hoorcommissie en uit de motivering van
het besluit.
Bij haar beslissing mocht de minister volgens de rechter er mee
rekening houden dat Pasic een Frans visum had gebruikt om in Nederland
examens af te leggen en dat dit visum was verkregen op basis van
onjuiste mededelingen. Ook mocht de minister bij de beslissing
betrekken dat er negatieve adviezen waren over vergunningverlening en
dat Pasic desondanks zonder mvv naar Nederland was gekomen. De
situatie in het land van herkomst, Servië, Montenegro en Kosovo, was
volgens de rechter niet zo dat de minister niet het mvv-vereiste niet
mocht stellen.
De zaak heeft door de ruime media-aandacht een bijzonder karakter
gekregen; de uitspraak ook. Daarin is een uitgebreide beschrijving van
de feiten opgenomen. Ook heeft de rechter een toelichting in de
uitspraak opgenomen voor niet-ingewijden. Dat is ongebruikelijk.
In die toelichting schrijft mr. Korte dat de uitspraak er niet over
gaat of Pasic in Nederland examen mag doen of een vergunning daarvoor
moet krijgen. De uitspraak verbiedt de minister ook niet Pasic toe te
staan examen te doen of haar een vergunning te geven. De uitspraak
stelt alleen vast dat de minister mocht eisen dat Pasic de vergunning
aanvroeg in het land van herkomst en daar op de beslissing zou
wachten, en dat de minister daarom de vergunning die in Nederland was
aangevraagd mocht weigeren.
Verder wordt in de toelichting uitgelegd, dat het niet aan de rechter
is om te bepalen of de minister de hardheidsclausule moet toepassen.
De bestuursrechter moet toetsen of de minister zorgvuldig, goed
gemotiveerd en binnen haar wettelijke grenzen heeft gehandeld. Dat is
in dit geval zo. Wat de minister binnen die grenzen doet is, en blijft
ook na de uitspraak, een politieke zaak. Daar gaat de rechter niet
over.
Aan het slot van deze toelichting merkt mr. Korte op het er in deze
zaak niet om gaat of mevrouw Pasic of minister Verdonk gelijk heeft:
âEen uitspraak van de rechter in deze zaak is geen oordeel over
personen of over bewindspersonen, maar over de rechtmatigheid van een
besluit van de overheid.â
Voor informatie: Bureau voorlichting & communicatie,
telefoonnummer 020 - 541 2882.
De uitspraak is integraal te raadplegen op:www.rechtspraak.nl onder
LJN AW2811
LJ Nummer
AW2811
Bron: Rechtbank Amsterdam
Datum actualiteit: 21 april 2006 Naar boven