Adviseren met gezag in de 21e eeuw
Zelfevaluatie 2001-2004
Voorwoord
Elke vier jaar moet de Gezondheidsraad krachtens de Kaderwet adviescolleges
het eigen functioneren evalueren. Het voorliggende evaluatieverslag, getiteld
Adviseren met gezag in de 21e eeuw, bestrijkt de periode 2001-2004. Bij het
opstellen ervan hebben wij de Presidiumcommissie geraadpleegd.
De woorden in de titel duiden thema's aan die bij deze evaluatieperiode
vooral in het oog sprongen. Onze opdrachtgevers regering en parlement blij-
ken veel waarde te hechten aan producten waarin niet alleen nuchter over de
stand van wetenschap wordt gerapporteerd, maar waarin op basis daarvan aan-
bevelingen worden gedaan waar beleidsmakers mee voort kunnen. Adviseren
dus, in plaats van alleen rapporteren.
Als altijd wordt verwacht dat de wetenschappelijke onderbouwing van de
adviezen optimaal is. Alleen dan kan de Gezondheidsraad een gezaghebbende
functie vervullen. Daaraan is volgens onze opdrachtgevers toenemend behoefte
in een eeuw die gekenmerkt wordt door aanzwellende informatiestromen, een
groeiende invloed van de media en de waan van de dag. Wij zijn ons terdege
bewust van onze functie en zetten daarom in dit verslag ook uiteen hoe we de
kwaliteitsborging van het raadswerk verder vorm willen geven. In dit verband
hebben wij ook besloten deze zelfevaluatie te laten volgen door een externe
audit die er op gericht zal zijn de taakvervulling van de Gezondheidsraad waar
mogelijk nog te verbeteren. Daarin zullen ook zaken die nu geen of slechts zijde-
lings aandacht hebben gekregen nader aan de orde kunnen komen, en zal tevens
aandacht besteed worden aan de meerwaarde die de integratie van de Raad voor
Gezondheidsonderzoek binnen de Gezondheidsraad biedt.
Prof. dr JA Knottnerus, voorzitter Ir A Wijbenga, algemeen secretaris
Adviseren met gezag in de 21e eeuw
Zelfevaluatie 2001-2004
aan:
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Nr A06/01, Den Haag, 06 april 2006
De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de rege-
ring en het parlement `voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien
van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid' (art. 21 Gezondheids-
wet).
De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden
van Volksgezondheid, Welzijn & Sport; Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
& Milieubeheer; Sociale Zaken & Werkgelegenheid en Landbouw, Natuur &
Voedselkwaliteit. De raad kan ook eigener beweging adviezen uitbrengen. Het
gaat dan als regel om het signaleren van ontwikkelingen of trends die van belang
kunnen zijn voor het overheidsbeleid.
De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden in bijna alle
gevallen opgesteld door multidisciplinaire commissies van op persoonlijke titel
benoemde Nederlandse en soms buitenlandse deskundigen.
De Gezondheidsraad is lid van het International Network of Agencies for Health
Technology Assessment (INAHTA). INAHTA bevordert de uitwisseling en samenwerking
tussen de leden van het netwerk.
U kunt het advies downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Adviseren met gezag in de 21e eeuw; zelfevaluatie 2001-2004.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2006; publicatie nr A06/01.
auteursrecht voorbehouden
all rights reserved
ISBN-10: 90-5549-590-5
ISBN-13: 978-90-5549-590-0
Inhoud
1 Inleiding 8
1.1 Politieke en maatschappelijke ontwikkelingen 8
1.2 Aanpak en opzet 10
2 Missie 12
2.1 Hoe heeft de Gezondheidsraad zijn kerntaak uitgevoerd? 12
2.2 Hoe is de raad omgegaan met de relatie tussen wetenschap en beleid? 15
3 Producten 18
3.1 Wat waren de kwaliteiten van de adviezen? 18
3.2 Hoe was de relatie met de opdrachtgevers? 22
3.3 Hoe was de samenwerking met andere organisaties bij de productie? 22
4 Processen 24
4.1 Werd voldoende gebruik gemaakt van mogelijkheden voor productdifferentiatie? 24
4.2 Werd voldoende aandacht gegeven aan het relatiebeheer? 25
5 Plannen 26
Literatuur 28
Inhoud 6
Bijlagen 31
A Gesprekspartners 32
B Presidiumcommissie 33
Inhoud 7
Hoofdstuk 1
Inleiding
Doet de Gezondheidsraad de goede dingen en doet hij de dingen goed? Simpel
uitgedrukt zijn dat de vragen waar het om gaat bij de wettelijk verplichte evalua-
tie van het functioneren van de raad. Krachtens de Kaderwet adviescolleges moet
de Gezondheidsraad elke vier jaar zo'n evaluatie uitvoeren. Het eerste evaluatie-
verslag, getiteld De staat van dienst (1), bestreek de periode 1997-2000. In dit
rapport gaan we na hoe het reilen en zeilen van de raad in de daarop volgende
vier jaren geweest is.
1.1 Politieke en maatschappelijke ontwikkelingen
Voordat wij onze werkwijze uiteenzetten, staan we kort stil bij enkele politieke
en maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen tijd. Zulke ontwikkelin-
gen vormen immers het decor waartegen de Gezondheidsraad zijn rol te spelen
heeft. We roepen eerst nog even de doelstellingen van de Kaderwet in herinne-
ring: versobering en transparantie van het adviesstelsel, scheiding van advies en
overleg, en verbetering van de politieke aansturing van de adviescolleges. In
2001 concludeerde de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Konink-
rijkrelaties (BZK) dat de beoogde opschoning van het adviesstelsel geslaagd is
en het primaat van de politiek hersteld (2). Wel zou de politieke aansturing beter
kunnen, vooral van de zogeheten strategische adviesorganen, die adviseren over
hoofdlijnen van beleid. Een tweerichtingsverkeer is hierbij onmisbaar. Adviezen
Inleiding 8
kunnen meer effect sorteren naarmate departementen en adviescolleges zaken
duidelijker en tijdiger afstemmen. Met dien verstande dat elke partij daarbij haar
eigen verantwoordelijkheid heeft. Het oordeel over de zogeheten technisch-spe-
cialistische adviescolleges waartoe ook de Gezondheidsraad gerekend wordt
viel trouwens positiever uit: die zouden over het algemeen een goede relatie met
hun opdrachtgevers hebben.
Rust aan het politieke front vergemakkelijkt deze in het rapport van BZK
bepleite afstemming. Maar als iets de afgelopen jaren is opgevallen, is het wel
het roerige vaarwater waarin ons land verzeild raakte. Zo kregen we kort achter
elkaar met twee kabinetsformaties te maken. Dergelijke wisselingen van de
wacht brengen altijd onderbrekingen of veranderingen van beleidsprogramma's
met zich mee. Zoiets leidt dan vaak weer tot een herijking van de relaties met
veldpartijen en tot financiële ingrepen. De Gezondheidsraad en andere adviescol-
leges hebben bijvoorbeeld de laatste jaren met een reeks bezuinigingsgolven te
maken gekregen.
Al langer is er sprake van een terugtredende overheid. Op vrijwel alle
beleidsterreinen is een proces van deregulering gaande. De rijksoverheid legt
meer nadruk op de hoofdlijnen van beleid en plaatst de uitwerking en uitvoering
van dat beleid vaker op afstand. Alles onder het motto `van zorgen voor naar zor-
gen dat'. Volgens het onder BZK ressorterende `Project andere overheid' is het
algemene oogmerk daarvan: een betere dienstverlening, minder bureaucratie en
een slagvaardige organisatie (3). Binnen het ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS), het `moederdepartement' van de Gezondheidsraad, zijn
deze accentverschuivingen ook duidelijk waarneembaar. De laatste jaren richt de
aandacht zich daar sterk op nieuwe regelingen om de kwaliteit, toegankelijkheid
en betaalbaarheid van de zorg te garanderen. De lijn van denken is als volgt: een
te overheersende overheid ontmoedigt anderen verantwoordelijkheid te nemen;
het veld moet meer prestatiegericht zijn; dit alles vergt nieuwe fundamenten voor
zorg en dienstverlening (4). Deze bestuursfilosofie van de rijksoverheid drukt ook
haar stempel op de expertise binnen departementen. De vakinhoudelijke deskun-
digheid neemt daar eerder af dan toe. Het effect van deze afnemende expertise
wordt nog versterkt door het mobiliteitsstreven op personeel gebied.
Europees hebben zich enkele ontwikkelingen binnen de aandachtssfeer van
de Gezondheidsraad doorgezet. Na de BSE- en dioxinecrisis in de jaren negentig
van de vorige eeuw kwam de Europese Unie tot de slotsom dat er grote behoefte
was aan een communautair advieslichaam op het gebied van voedsel en voedsel-
veiligheid. In 2002 resulteerde dat in de oprichting van een nieuw agentschap: de
European Food Safety Authority (EFSA). Iets soortgelijks deed zich voor bij de
Inleiding 9
infectieziektebestrijding. De aanhoudende dreiging van een grieppandemie, het
risico van een bioterroristische aanslag, de SARS-epidemie en het zoönosen-
vraagstuk droegen in belangrijke mate bij aan de beslissing in 2004 om het Euro-
pean Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) op te richten.
Dan is er nog de opmars van het Internet, waar (wetenschappelijke) informa-
tie voor velen beschikbaar is, plus de toenemende invloed van de media. Sommi-
gen zeggen dat we inmiddels in een `mediacratie' leven. Anderen hebben het
over de waan van de dag. Steeds vaker vraagt de door de media verwoorde en
beïnvloede publieke opinie om snelle reacties en acties.
1.2 Aanpak en opzet
Zoals bij de eerste evaluatie hebben drs EJ Schoten en drs JH Stegeman, respec-
tievelijk secretaris en voormalig secretaris bij de Gezondheidsraad, voorwerk
verricht. Omdat wij vooral geïnteresseerd zijn in de relatie met de opdrachtge-
vers, hebben zij gesproken met de ambtelijke top van de ministeries van VWS,
VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), SZW (Soci-
ale Zaken en Werkgelegenheid) en LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwali-
teit) (zie bijlage A). Verder hebben zij gesprekken gevoerd met twee leden van de
Tweede Kamer, die in 2004 voor het eerst van haar recht gebruik maakte om de
Gezondheidsraad om advies te vragen (zie bijlage A). Met meer Kamerleden
spreken bleek agendatechnisch binnen de beschikbare tijd helaas niet mogelijk.
De evaluatieperiode 2001-2004 bevatte voor de raad bovendien een markant
moment: het honderdjarig bestaan in 2002. Ter gelegenheid daarvan zijn diverse
publicaties verschenen waarin het werkterrein en de werkwijze van de Gezond-
heidsraad zijn belicht (5,6). Deze en andere documenten zijn eveneens in beschou-
wing genomen. Ook hebben we opnieuw de Presidiumcommissie geraadpleegd
(zie bijlage B).
De opzet van de evaluatie moet toekomstbestendig zijn: zo valt bij volgende
evaluaties beter na te gaan hoe goed de raad op koers ligt. Anders dan de vorige
keer, toen een aantal thema's min of meer nevengeschikt de revue passeerde,
hebben we daarom nu een nadere ordening aangebracht. De populair geformu-
leerde vragen waarmee we onze inleiding begonnen doet de Gezondheidsraad
de goede dingen en doet hij de dingen goed? laten zich in meer organisatiekun-
dige termen als volgt vertalen:
1 Hoe adequaat was de wijze waarop de Gezondheidsraad in de periode 2001-
2004 zijn wettelijke taak heeft opgevat: de regering en het parlement "voor te
lichten over de stand der wetenschap ten aanzien van vraagstukken op het
gebied van de volksgezondheid" (Art. 21 Gezondheidswet)?
Inleiding 10
2 In hoeverre sloten de prestaties van de raad aan bij zijn taakopvatting?
3 In hoeverre voldeden de interne procedures van de raad?
De eerste vraag betreft de missie van de Gezondheidsraad en hoe die missie in de
onderhavige periode geïnterpreteerd is. Hoofdstuk 2 is daaraan gewijd. De vol-
gende vraag gaat over de concrete producten uit die periode. Dat is het onder-
werp van hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 staat het thema van de laatste vraag
centraal: de wijze waarop de productie is verlopen. Het hoeft geen betoog dat
deze drie vragen in elkaars verlengde liggen, zij het dat hun niveau van beschou-
wing verschilt. In hoofdstuk 5 vatten wij onze bevindingen samen en richten we
ons op de agenda voor de komende jaren.
Inleiding 11
Hoofdstuk 2
Missie
In het wetsartikel waarin de taak van de Gezondheidsraad is omschreven zijn
`voorlichten' en `stand der wetenschap' sleuteltermen. Door de jaren heen is bin-
nen en buiten de raad over de inhoud en reikwijdte van deze begrippen nagedacht
en gediscussieerd (5,7). In de periode 2001-2004 was dat niet anders. Aan de hand
van twee onderling samenhangende deelvragen zullen wij deze thema's bespre-
ken.
2.1 Hoe heeft de Gezondheidsraad zijn kerntaak uitgevoerd?
Oordeel van de opdrachtgevers
Er zijn veel factoren die de (volks)gezondheid beïnvloeden. Begrijpelijkerwijze
mag de Gezondheidsraad diverse ministeries dan ook structureel tot zijn
opdrachtgevers rekenen. In de jaarlijkse werkprogramma's van de raad komt dat
tot uitdrukking met rubrieken als `gezondheid en zorg', `gezondheid en voe-
ding', `gezondheid en omgeving', `gezondheid en arbeidsomstandigheden' en
verdere onderverdelingen binnen die rubrieken (8).
In de evaluatie van het functioneren van de raad in de periode 1997-2000 was
de algemene conclusie: "De raad wordt gezien als gezaghebbend, en men prijst
de kwaliteit van de adviezen, hetgeen zowel voor de raad als voor `het beleid'
belangrijk is, omdat het naar verwachting kan bijdragen aan de implementatie
Missie 12
van op Gezondheidsraadadviezen gebaseerde maatregelen" (1). De minister van
VWS liet namens zijn ambtsgenoten van VROM en SZW weten die conclusie te
delen (9). Voor de periode 2001-2004 wordt dit oordeel in de vraaggesprekken
met de ambtelijke top van de ministeries van VWS, VROM, SZW en LNV
bevestigd (10-13). Alle geïnterviewden geven te kennen dat hun departementen
inhoudelijk goed bediend zijn met de adviezen van de raad. Daarbij maken zij
geen onderscheid tussen gevraagde en ongevraagde adviezen. Wat die laatste
categorie aangaat worden signalementen onverminderd op prijs gesteld.
In de ministeriële reactie op het eerste evaluatieverslag staat dat de opdracht-
gevers de Gezondheidsraad in principe willen inschakelen voor vraagstukken die
`breed en diep' of `smal en diep' zijn (9). `Diep' verwijst daarbij naar de grondig-
heid van het literatuuronderzoek en de probleemanalyse. De raad is er niet voor
`quick and dirty', aldus de minister. Alle departementale gesprekspartners laten
opnieuw weten dat de raad vooral in beeld komt voor complexe vraagstukken,
die breed of minder breed kunnen zijn. Meestal is die complexiteit zowel van
wetenschappelijke als maatschappelijke aard: inzichten uit diverse wetenschaps-
gebieden moeten bij de beschouwingen worden betrokken en het gaat om proble-
men waarbij lastige afwegingen in het geding zijn of waaraan controversiële
kanten zitten. De geïnterviewde ambtenaren zijn grosso modo tevreden over de
variatie in breedte en de daarmee corresponderende variatie in oplevertermijn
van adviezen in de onderhavige evaluatieperiode. Zij hechten eraan dat de raad
die productdifferentiatie handhaaft.
Ook de geïnterviewde Kamerleden zijn te spreken over de kwaliteit van advi-
sering door de Gezondheidsraad (14,15). Zij onderschrijven het belang van signale-
rende of "attenderende" rapportages, naast de gebruikelijke "adviserende
rapporten". Adviezen en signalementen van de raad zijn volgens Buijs (CDA) in
de praktijk goed bruikbaar als "berichten voor de samenleving" (14). We leven,
aldus Buijs, in een maatschappij waarin bezorgdheid over risico's en technologi-
sche ontwikkelingen hoogtij viert en waarin van de media geen temperende
invloed hoeft te worden verwacht. Juist dan is het "neutraliserende" effect van
Gezondheidsraadadviezen van groot belang. De samenleving, meent Buijs, heeft
behoefte aan gezag en de Gezondheidsraad kan mede in die behoefte voorzien.
Men zou kunnen stellen dat het om een maatschappelijke verantwoordelijkheid
gaat.
Van Heteren (PvdA) vindt dat onafhankelijke advisering ook "onwelvoeg-
lijke advisering" kan betekenen: de kans bestaat dat bepaalde aanbevelingen niet
in de kraam van het beleid te pas komen (15). Dat daarover soms commotie ont-
staat op ministeries of in de media, zou de Gezondheidsraad met een zekere
Missie 13
nuchterheid moeten accepteren. "Dit is wel de 21e eeuw en meestal is de storm
na enkele dagen overgewaaid". "Ga niet in debat, maar geef desnoods een extra
persbericht uit", luidt haar advies.
Over de voorlichtingsfunctie merken beide Kamerleden verder nog het vol-
gende op. In 2004 mag de Tweede Kamer de Gezondheidsraad dan voor het
eerst in de geschiedenis om advies hebben gevraagd (over het
ouderenbeleid) (16), dat wil niet zeggen dat het parlement nu definitief de weg
naar de raad gevonden heeft. Verkiezingen leiden telkens tot personele verschui-
vingen en de Gezondheidsraad zou er goed aan doen om zijn werkwijze en werk-
programma op geschikte momenten onder de aandacht van de Tweede Kamer te
brengen.
Doorwerking van de adviezen
Niet alleen het oordeel van de opdrachtgevers verschaft informatie, ook de door-
werking van adviezen kan ons iets leren over de kwaliteit van de advisering. Nu
is doorwerking een notoir lastig onderwerp, zoals onder meer blijkt uit een in
opdracht van het ministerie van BZK uitgevoerd onderzoek (17). Doorwerking
laat zich moeilijk conceptualiseren, want er zijn veel vormen en doelgroepen te
onderscheiden. Operationaliseren, dat wil zeggen daadwerkelijk meetbare groot-
heden ontwerpen die recht doen aan de verscheidenheid van doorwerkingspatro-
nen, is evenmin eenvoudig. Bovendien gaat het niet alleen om de doorwerking
van adviesproducten, maar ook om de invloed van het adviesproces en de organi-
satie van de nazorg.
Niet voor niets werd er in de jubileumpublicatie over de Gezondheidsraad,
getiteld Paradox van wetenschappelijk gezag (5), van afgezien om de impact van
de raadsadviezen systematisch en in den brede te onderzoeken. Er werd voor
gekozen om via tien uitvoerige casusonderzoeken een impressie te krijgen van de
manier waarop de raad erin slaagt een brug te slaan tussen wetenschap en beleid.
In de volgende paragraaf komt die kwestie aan de orde. Toch weten wij wel het
een en ander over een bepaald soort doorwerking, namelijk de instrumentele
doorwerking bij departementen, in de vorm van standpunten op adviezen. Op
hoofdlijnen stemt die doorwerking tot tevredenheid. Nadere kwantitatieve en
kwalitatieve informatie daarover staat in het volgende hoofdstuk.
Missie 14
2.2 Hoe is de raad omgegaan met de relatie tussen wetenschap en
beleid?
Oordeel van de opdrachtgevers
Eerst enige semantiek. De producten van de raad worden wisselend adviezen en
rapporten genoemd. Meestal wordt aan dat onderscheid geen duidelijke beteke-
nis toegekend. Discussie over de vraag welke term het moet zijn, speelde voorna-
melijk bij de totstandkoming van de Kaderwet adviescolleges. Zoals we in de
inleiding memoreerden, was een belangrijke doelstelling van die wet het advies-
stelsel te vereenvoudigen. De term `advies' werd toen gereserveerd voor de pro-
ducten van de nieuwe of opnieuw ingestelde beleidsadviescolleges. In het geval
van de Gezondheidsraad werd gesproken van rapporten (Art. 22 Gezondheids-
wet). Er werd aan toegevoegd dat voor de toepassing van de Kaderwet een rap-
port dat geen advies bevat, gelijkgesteld wordt aan een advies (Art. 23
Gezondheidswet). Onze ervaring is dat deze juridische subtiliteiten er in de prak-
tijk weinig toe doen, zeker niet als de raadsproducten aanbevelingen bevatten.
Dat de Gezondheidsraad als regel inderdaad aanbevelingen doet, wordt door
de opdrachtgevers zeer op prijs gesteld. Juist door probleemstructureringen, door
afwegingen tussen voors en tegens, door het verkennen van ethische, juridische
en maatschappelijke implicaties of door het schetsen van beleidsopties onder-
scheiden de adviezen van de raad zich van publicaties waarin alleen maar droog
over wetenschappelijke inzichten gerapporteerd wordt. Precies vanwege zulke
"smaakmakende" elementen, zeggen de geïnterviewden, doen we een beroep op
de Gezondheidsraad (13).
Desalniettemin valt het gebied tussen wetenschap en beleid niet scherp af te
bakenen. Manoeuvreren op dat terrein is een oefening in evenwichtskunst. Dat
blijkt ook uit titels van publicaties als Paradox van wetenschappelijk gezag (5) en
Van flipperkast naar grensverkeer (18). Het laatstgenoemde rapport werd opge-
steld op verzoek van de AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technolo-
giebeleid) en handelt over veranderende visies op de relatie tussen wetenschap
en beleid. De auteurs van de eerstgenoemde studie laten zien van welke instru-
menten een wetenschappelijk adviesorgaan als de Gezondheidsraad zoal gebruik
maakt om zich te positioneren ten opzichte van politiek en samenleving. Hun
kernboodschap is als volgt. Zolang men in strikte tweedelingen denkt tussen
feiten en waarden, objectiviteit en subjectiviteit, argumentatie en macht is
gezagvol wetenschappelijk advies bijna onvermijdelijk een paradox: east is east
and west is west and never the twain shall meet. Maar zodra men nagaat hoe de
Missie 15
raad feitelijk opereert, verdwijnt die paradox. Via coördinatiemechanismen als
probleemformulering, commissievorming en -regie, en tekstuele technieken weet
de raad de werelden van wetenschap en politiek met elkaar te verbinden, aldus de
onderzoekers.
In de ministeriële reactie op De staat van dienst (9) kwam aan de orde dat
wetenschappers ook mensen van vlees en bloed zijn. Kunnen die wel de pretentie
hebben los van elke maatschappelijke reflectie of binding te spreken? Mede
gezien de analyse in Paradox van wetenschappelijk gezag willen wij stellen dat
het accent anders gelegd moet worden. Juist omdat de deskundigen van de raad
met beide benen in de samenleving staan, kunnen ze hun wetenschappelijke
expertise zo inzetten dat diezelfde samenleving daar maximaal profijt van kan
hebben.
In één adem willen wij hieraan toevoegen dat de raad op vragen het antwoord
soms ook schuldig moet blijven, omdat de wetenschappelijke informatie tekort-
schiet of omdat het beleid aan zet is. In dat opzicht wijkt de Gezondheidsraad af
van beleidsadviescolleges als de RVZ (Raad voor Volksgezondheid en Zorg), de
RMO (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling) en de VROM-raad. Het vizier
van de raad is weliswaar, net als dat van de andere adviescolleges, gericht op
vraagstukken waaraan politiek en samenleving belang hechten, maar het
vertrek-, anker- en ijkpunt van de advisering blijft de wereld van de wetenschap.
Dat is een wereld met eigen methodologische regels die scherp in het oog zijn te
houden en niet straffeloos kunnen worden overtreden. Ook de departementale
gesprekspartners achten het van groot belang dat de raad wetenschappelijk goed
werk aflevert. Daarop stoelt namelijk zijn gezag.
Instrumenten voor kwaliteitsborging
De Gezondheidsraad kent diverse procedures om de kwaliteit en onafhankelijk-
heid van zijn wetenschappelijke advisering hoog te houden. Het werken met
multidisciplinaire commissies is misschien wel het belangrijkst. Niet alleen de
complexiteit van de voorgelegde problemen vraagt daarom, het is ook een
beproefde manier om vertekening door vooringenomenheid tegen te gaan. Bij de
selectie en benoeming van commissieleden gaat de raad zorgvuldig te werk. Om
te beginnen behoren die leden tot de meest vooraanstaande deskundigen op hun
vakgebied. Vervolgens wordt van alle kandidaat-commissieleden een schrifte-
lijke verklaring gevraagd over posities en belangen die een onafhankelijke advi-
sering in de weg kunnen staan. Tijdens de installatievergadering wordt aan de
beoogde commissieleden gevraagd in aanwezigheid van de raadsvoorzitter hun
Missie 16
schriftelijke verklaring mondeling toe te lichten, zodat allen weten waar zij aan
toe zijn.
In de periode 2001-2004 zijn een aantal keren Kamervragen gesteld over
mogelijke belangenverstrengelingen bij commissies van de Gezondheidsraad. De
bewindslieden van VWS lieten in alle gevallen weten dat de raad de juiste proce-
dures had gevolgd en dat die procedures een adequate waarborg bieden voor de
transparantie en onafhankelijkheid van het adviesproces (19-21).
Behalve transparantie is er ook vertrouwelijkheid. De ervaring heeft geleerd
dat het onderlinge discours van commissieleden het best tot zijn recht komt als
zij in beslotenheid van gedachten kunnen wisselen. Van hen wordt dus verwacht
dat zij tijdens het adviesproces die vertrouwelijkheid in acht nemen. Na verschij-
ning van een advies kunnen zij uiteraard wel een toelichting geven of op per-
soonlijke titel iets over het adviesonderwerp te berde brengen. Van de zijde van
VWS wordt verzocht te voorkómen dat eventueel afwijkende persoonlijke visies
dan alsnog gekoppeld worden aan een (voormalig) lidmaatschap van een com-
missie. Wij delen de opvatting dat zoiets de beleidsbepaling danig in de wielen
kan rijden.
Er zijn nog andere instrumenten om de kwaliteit van de advisering te waar-
borgen. Zo worden conceptadviezen van commissies getoetst door één of meer
beraadsgroepen, vaste colleges van advies en beraad op een bepaald terrein. Men
kan die toetsing beschouwen als een interne vorm van peer review. In sommige
gevallen krijgen externe instanties conceptteksten ter becommentariëring voor-
gelegd. Verder worden met enige regelmaat en al naar het gelang het advieson-
derwerp hoorzittingen gehouden. Ervarings- of proceskennis van
belanghebbende partijen kan dan onder de aandacht van commissies worden
gebracht. Die blijven overigens verantwoordelijk voor hun manier van omgaan
met de aangereikte informatie en opvattingen. En dan zijn er nog interne proce-
dures als de redactionele bewerking van conceptteksten en het overleg tussen
raads- en commissievoorzitter. Ook in de periode 2001-2004 is stelselmatig
gebruik gemaakt van al deze instrumenten.
Missie 17
Hoofdstuk 3
Producten
Ging het vorige hoofdstuk vooral over de positie van de Gezondheidsraad in het
staatsbestel, hier zullen wij meer in detail aandacht schenken aan de prestaties
van de raad. Niet alleen het aantal adviezen, maar ook de trajecten waarbinnen
deze tot stand zijn gekomen doen er dan toe.
3.1 Wat waren de kwaliteiten van de adviezen?
In hoofdstuk 2 schreven we al dat de ministeries grosso modo positief zijn over
de kwaliteit van de raadsadviezen. Over drie dimensies van die kwaliteit zullen
wij in deze paragraaf iets zeggen: de adviesproductie in de periode 2001-2004,
de doorlooptijd van adviezen en de doorwerking ervan.
Aantal adviezen
Wij beginnen met dat wat zich het eenvoudigst laat meten: hoeveel adviezen van
een bepaald type in de beschouwde periode verschenen zijn. Tabel 1 bevat een
overzicht. Voor gedetailleerde informatie over de adviesproductie verwijzen we
naar de website van de raad (www.gr.nl), waarop ook de Jaarverslagen te vinden
zijn.
Producten 18
Tabel 1 De adviesproductie in de periode 2001 - 2004.
Gezondheid en zorg Gezondheid en voeding Gezondheid Gezondheid en arbeids-
en omgeving omstandigheden
Jaar Algemeen WBO CEG Algemeen VNV OSH
2001 17 3 - 2 4 6 24
2002 12 2 - 1 7 3 46
2003 12 1 4 3 5 5 44
2004 12 1 4 2 5 6 59
Wat in het oog zal springen, is de diversiteit aan producten. De acroniemen in de
tabel duiden categorieën adviezen aan die volgens een min of meer vast stramien
en door permanente commissies worden opgesteld. WBO is de afkorting voor
Commissie Wet Bevolkingsonderzoek, die vergunningaanvragen op dat gebied
beoordeelt. CEG verwijst naar Centrum voor Ethiek en Gezondheid, een samen-
werkingsverband tussen de Gezondheidsraad en de RVZ dat vanaf 2003 jaarlijks
signalementen uitbrengt ten behoeve van de ethische beleidsagenda van VWS;
de Beraadsgroep Gezondheidsethiek en Gezondheidsrecht tekent daarbij voor de
bijdragen van de Gezondheidsraad. VNV staat voor Commissie Veiligheidsbe-
oordeling Nieuwe Voedingsmiddelen. Met ingang van 2005 zijn de activiteiten
van die commissie ondergebracht bij het CBG (College ter Beoordeling van
Geneesmiddelen). OSH, tenslotte, betekent Occupational Safety and Health, de
paraplu waaronder uiteenlopende activiteiten op het gebied van de arbeidshygië-
nische risicobeoordeling van toxische stoffen vallen. De overige adviezen wer-
den in overgrote meerderheid door ad hoc commissies opgesteld.
Het aantal uitgebrachte adviezen is weliswaar de belangrijkste indicator van
de productie, maar dat is niet het hele verhaal. Met het bijhouden van ontwikke-
lingen en instandhouden van netwerken op een groot aantal wetenschapsgebie-
den is ook capaciteit gemoeid. Die activiteiten zijn des te noodzakelijker, omdat
de raad ook enkele wettelijke taken heeft, bijvoorbeeld in het kader van de hier-
boven genoemde WBO.
Vooral bij de ad hoc adviezen vertoonde de breedte van advisering aanzien-
lijke verschillen. Soms gaven de adviesaanvragen daar aanleiding toe, maar in
retrospectie zien wij ook mogelijkheden om betere afspraken te maken over de
opdrachtverlening en over de wijze waarop commissies van de raad de voorge-
legde vragen beantwoorden. Wij komen daar in het volgende hoofdstuk nog op
terug.
De Gezondheidsraad is onafhankelijk en kan daarom ongevraagd advies uit-
brengen. Maar de ruimte hiervoor hangt sterk af van het aantal ontvangen advies-
aanvragen. In tabel 2 wordt onder meer de verhouding tussen gevraagde en
ongevraagde adviezen (inbegrepen signalementen) uit de categorieën `algemeen'
Producten 19
in de onderzochte periode gespecificeerd. Die verhouding verschilt per beleids-
terrein. Op het gebied van voeding en vooral op dat van omgeving (milieu) wer-
den relatief veel adviezen uitgebracht waaraan geen formele adviesaanvraag ten
grondslag lag. Deels heeft dat te maken met het feit dat een aantal adviezen bin-
nen een bepaald raamwerk viel waarover al eerder mondeling overeenstemming
was bereikt, zoals de adviezen over voedingsnormen en over uitgangspunten
voor het afleiden van gezondheidskundige advieswaarden (22-26). Het verdient
volgens ons aanbeveling om in dergelijke gevallen toch naar een formele
opdrachtverlening te streven. Daardoor zal het onderscheid met `echte' signale-
menten beter naar voren komen.
Verder werd in de ministeriële reactie op de eerste evaluatie aangestipt dat de
raad zich bij de keuze van onderwerpen niet zou moeten beperken tot de
medische zorg (`cure') of de geestelijke gezondheidszorg, maar zich ook zou
moeten richten op het terrein van verzorging en verpleging (`care'). Wij kunnen
constateren dat de Gezondheidsraad een toenemend aantal adviezen op het
gebied van de geestelijke volksgezondheid uitgebracht heeft (27-33). Met een ver-
schuiving van de aandacht in de richting van verpleging en verzorging is een
begin gemaakt (28, 34, 35).
Doorlooptijd van adviezen
Wij zeiden al dat de uitgebrachte adviezen qua breedte aanzienlijk verschilden.
De doorlooptijd hield daar meestal verband mee. De werkelijke doorlooptijd laat
zich overigens vaak moeilijk bepalen. Men zou kunnen denken dat het de tijd is
tussen de datum van de adviesaanvraag en de datum van publicatie van het
advies, maar dat geeft vrijwel altijd een vertekend beeld. Dikwijls kan pas enige
tijd na ontvangst van een aanvraag met het werk worden begonnen. Andere keren
zijn al de nodige voorbereidingen getroffen of is een commissie al aan de slag.
De Gezondheidsraad heeft in de achterliggende periode herhaaldelijk laten
zien onder omstandigheden relatief snel te kunnen werken. Voorbeelden daarvan
zijn de adviezen over bevolkingsonderzoek naar borstkanker, bioterrorisme, anti-
virale middelen bij een grieppandemie, effecten van GSM en UMTS-signalen en
zoönosen (36-40). Conform de wens van de ministeries willen wij deze differentia-
tie in doorlooptijden van adviezen nadrukkelijk blijven nastreven.
Producten 20
Doorwerking
Een derde kwaliteitscriterium is de doorwerking van adviezen. Doorwerking is
moeilijk te conceptualiseren en te operationaliseren, merkten we in het vorige
hoofdstuk al op. Toch valt er aan de hand van ministeriële reacties op adviezen
wel een eerste indruk van te geven. Tabel 2 verschaft enige kwantitatieve infor-
matie. In deze tabel zijn alleen de ad hoc adviezen opgenomen. Voor de met een
acroniem aangeduide adviezen in tabel 1 geldt namelijk dat ze beleidsmatig dui-
delijk zijn ingekaderd en daarmee langs vastgestelde lijnen betrokken worden bij
beleidsbeslissingen en -ontwikkelingen.
Tabel 2 Ministeriële reacties op adviezen uit de periode 2001-2004.
Zorg Voeding en omgeving
Jaar Gevraagde Ongevraagde Ministeriële Gevraagde Ongevraagde Ministeriële
adviezen adviezen reacties adviezen adviezen reacties
2001 15 2 17 2 6 3
2002 10 2 11 3 1 2
2003 10 2 10 3 5 3
2004 9 3 6 5 3 2
Op verreweg de meeste gevraagde adviezen volgde een standpunt van één of
meer bewindslieden. Enkele keren werd ook gereageerd op een ongevraagd
advies. Dat het aantal reacties op adviezen uit 2004 enigszins achterblijft, is in
belangrijke mate toe te schrijven aan het feit dat dergelijke reacties vaak enige
tijd op zich laten wachten. Belangrijk vinden wij die standpuntbepalingen wel.
Wat is de aard van de reacties geweest? Gezien het grote aantal uitgebrachte
adviezen voerde het binnen het bestek van dit evaluatieonderzoek te ver om de
inhoud van de diverse ministeriële reacties gedetailleerd te analyseren. In para-
graaf 2.1 wezen we er al op dat voor een gedegen analyse van de impact van
adviezen heel wat komt kijken. Wel hebben wij meer in het algemeen vastgesteld
dat de aanbevelingen in adviezen vrijwel altijd zijn opgevolgd. Soms liggen ze
rechtstreeks ten grondslag aan besluiten in het kader van wettelijke regelingen.
Verder komt het veel voor dat aanbevelingen worden gezien als een onderbou-
wing van reeds in gang gezet beleid of als steun in de rug voor een terughou-
dende opstelling.
Vaak is het zo dat aanbevelingen door de betrokken minister of staatssecreta-
ris expliciet onder de aandacht van veldpartijen worden gebracht, zoals beroeps-
verenigingen, onderzoeksinstituten of uitvoeringsorganisaties, die dan geacht
worden er in hun kwaliteitsbeleid of onderzoeksprogrammering rekening mee te
houden. Als bepaalde (onderdelen van) adviezen niet worden overgenomen,
Producten 21
heeft dat doorgaans te maken met twijfels over de haalbaarheid, met morele
opvattingen of met overwegingen van financiële aard. Dat hoeft niet negatief te
worden geduid, maar is veeleer een teken van de onafhankelijkheid van de
Gezondheidsraad.
3.2 Hoe was de relatie met de opdrachtgevers?
De ambtelijke top van VWS, VROM, SZW en LNV typeert de relatie met de
Gezondheidsraad in veel opzichten als goed. In het algemeen zijn de diverse vor-
men van vooroverleg over het jaarlijkse werkprogramma volgens hen adequaat
gestructureerd. En ook zou de raad voldoende openstaan voor tussentijds overleg
over de voortgang van de werkzaamheden of over actuele ontwikkelingen.
Niettemin klinken er ook enige kritische geluiden, vooral van de zijde van
VWS. Er is daar een roep om meer realistische werkprogramma's en opleverter-
mijnen van adviezen. Van de Gezondheidsraad wordt verwacht dat hij niet aan-
merkelijk meer belooft dan hij kan waarmaken. Het is aan de raad om dit punt in
de jaarlijkse "onderhandelingen" over het werkprogramma niet uit het oog te
verliezen. De SZW-ambtenaren zeggen er begrip voor te hebben dat activiteiten
onverhoopt kunnen uitlopen, maar willen daarvan dan wel tijdig op de hoogte
worden gesteld.
Speciale wensen leven er bij VWS met betrekking tot de eind- en nazorgfase
van adviezen. In een aantal gevallen zou de timing van en communicatie rond de
publicatie van een advies onvoldoende nauwkeurig met het ministerie zijn afge-
stemd. Dat heeft onnodig veel deining in de samenleving veroorzaakt, aldus de
ambtelijke top van VWS.
3.3 Hoe was de samenwerking met andere organisaties bij de produc-
tie?
De leden van de Gezondheidsraad en zijn secretariaat onderhouden sinds jaar en
dag contacten met een groot aantal instituten en organisaties in binnen- en bui-
tenland. Ook maakt de raad deel uit van diverse internationale netwerken (8). In
deze paragraaf willen we ons echter beperken tot relaties die bij de productie van
adviezen een directe rol hebben gespeeld. Een korte opsomming.
Eerder in dit hoofdstuk noemden we al het CEG, een werkverband waarbin-
nen de Gezondheidsraad en de RVZ, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijk-
heid, signalementen uitbrengen ten behoeve van de ethische beleidsagenda van
het ministerie van VWS. Eind 2005 is een evaluatierapport verschenen over het
CEG (41). Daarin worden mogelijkheden geschetst voor een nauwere samenwer-
Producten 22
king tussen beide raden. We kunnen ons voorstellen dat soms een nadere pro-
grammatische afstemming mogelijk is. Wel hechten wij aan de eigen
verantwoordelijkheid van beide raden. We vinden ook dat die herkenbaar moet
blijven. In paragraaf 2.2 wezen wij al op het fundamentele onderscheid tussen
een wetenschappelijk adviescollege als de Gezondheidsraad en een beleidsad-
viescollege als de RVZ. Deze visie wordt algemeen gedeeld sinds de oprichting
van de RVZ en van zijn voorganger, de NRV (Nationale Raad voor de Volksge-
zondheid). De gescheiden verantwoordelijkheid blijkt ook uit het feit dat binnen
het CEG de RVZ en niet de Gezondheidsraad vorm geeft aan de voorlich-
tingsfunctie voor zorginstellingen, onderzoeksinstituten en andere betrokken
organisaties.
Samen met de RMNO (Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek)
heeft de Gezondheidsraad een advies over natuur en gezondheid uitgebracht (42).
Een officiële reactie daarop is nog niet ontvangen. Vervolgacties zijn wel afge-
sproken (8).
Zoals vermeld in het inleidende hoofdstuk van dit evaluatieverslag, kreeg de
Gezondheidsraad in 2004 voor het eerst een adviesaanvraag van de Tweede
Kamer. De zogeheten Themacommissie Ouderenbeleid wilde weten wat de ver-
grijzing van de bevolking betekent voor diverse beleidsterreinen. De Gezond-
heidsraad werd gevraagd te adviseren over het thema `zorg' (16). Tijdens het
opstellen van het desbetreffende advies is er geregeld afstemmings- en voort-
gangsoverleg geweest met de RMO, de VROM-raad en de SER, die ook om
advies waren gevraagd. Dat overleg was nuttig en verliep positief.
De Gezondheidsraad heeft zich ook enkele malen op het internationale vlak
bewogen. Zo heeft een internationaal samengestelde commissie van de raad zich
in de periode 2001-2004 gebogen over een groot aantal gezondheidskundige
advieswaarden voor blootstelling aan stoffen op de werkplek. Eind 2005 werd
die activiteit voltooid.
Verder kreeg de raad het verzoek om mee te werken aan een project onder
auspiciën van de WHO (World Health Organisation). Het ging om het opstellen
van een rapport over statische en laagfrequente elektromagnetische velden. Dat
rapport zal dit jaar verschijnen (43).
Tot slot kan nog het advies over zoönosen worden genoemd (40). Dat kwam in
nauwe samenwerking met de WHO en het RIVM tot stand en speelde een rol bij
de beleidsconferentie over dit vraagstuk tijdens het Nederlandse EU-voorzitter-
schap in 2004.
Producten 23
Hoofdstuk 4
Processen
Van de missie van de raad zijn we via de producten nu bij de processen tijdens
het advieswerk beland. Die processen zullen we vanuit twee, opnieuw onderling
samenhangende perspectieven belichten. Beide hebben ze betrekking op ver-
schillende fasen van het adviestraject en beide bieden ze aanknopingspunten
voor verdere verbeteringen van het functioneren van de raad.
4.1 Werd voldoende gebruik gemaakt van mogelijkheden voor product-
differentiatie?
Voor de inhoudelijke kwaliteit van de adviezen is veel waardering, zo hebben wij
in de beide voorgaande hoofdstukken kunnen constateren. En dat de Gezond-
heidsraad met behoud van kwaliteit soms wel degelijk snel kan opereren, is in de
afgelopen periode eveneens diverse malen gebleken. Met het thema productdif-
ferentiatie wordt een spanningsveld benoemd waarmee de Gezondheidsraad dik-
wijls te kampen heeft. In de loop der jaren heeft de raad een grote verzameling
instrumenten ontwikkeld om de kwaliteit van zijn adviezen te waarborgen we
schreven daarover in hoofdstuk 2 maar juist de toepassing van die instrumenten
kost tijd en kan dus een snelle advisering in de weg staan.
In De staat van dienst werden enkele methoden genoemd waarmee het
adviesproces beter kan worden beheerst. Heel belangrijk is tijdig overleg over de
precieze bedoeling en inhoud van adviesaanvragen. Binnen het secretariaat van
Processen 24
de raad wordt momenteel gewerkt aan een systematiek om deze vroege fase van
het adviestraject verder te professionaliseren. Andere methoden die in aanmer-
king komen zijn: afstemming met andere organisaties die informatie aan regering
en parlement kunnen verschaffen, gebruikmaking van rapporten van buiten-
landse instanties en gecomprimeerde vergaderprocedures, zoals korte werkcon-
ferenties. Wij zullen de mogelijke toepassing van deze methoden nadrukkelijk
bij de keuze van onze werkvormen betrekken.
4.2 Werd voldoende aandacht gegeven aan het relatiebeheer?
In paragraaf 3.2 constateerden we al dat de ministeries in het algemeen te spre-
ken zijn over de verschillende vormen van overleg met de Gezondheidsraad.
Zoals in de vorige paragraaf werd betoogd, is een goed begin daarbij het halve
werk. Maar niet alleen in de vroege fase van een adviestraject is overleg met één
of meer departementale vertegenwoordigers van groot belang, ook verderop in
dat traject is regelmatige uitwisseling van informatie met een ambtelijk adviseur
in de commissie waardevol. Zo'n adviseur zal ook duidelijk kunnen maken wat
er politiek en beleidsmatig speelt wanneer de eindfase in zicht komt. Tijdige
afspraken over de timing van publicatie en over de verdere berichtgeving daar-
omheen zullen de landing van het advies ten goede komen. De functies die een
ambtelijk adviseur kan vervullen, zullen wij de komende tijd nog nader onder de
loep nemen.
Datzelfde geldt voor het communicatiebeleid van de raad. Diverse relaties
zijn dan aan de orde: met de opdrachtgevers, met veldpartijen en met pers en
publiek. Daarbij willen we ook nagaan hoe het gesteld is met de kwaliteit van de
website en van de periodieken Graadmeter en Network.
Processen 25
Hoofdstuk 5
Plannen
Wanneer wij de zaken op een rij zetten, komen we tot een aantal conclusies. De
missie van de Gezondheidsraad ligt besloten in zijn wettelijke taak: voorlichten
over de stand der wetenschap. Niet anders dan in de voorgaande jaren is deze
voorlichtingstaak in de periode 2001-2004 als volgt opgevat. Het gaat in beginsel
om complexe vraagstukken die een grondige analyse vergen, al kan de breedte
van de onderwerpen variëren. Vanwege die complexiteit moeten diverse weten-
schapsgebieden bij de beschouwingen worden betrokken.
En voorlichten is meer dan alleen maar rapporteren: juist het adviserende
karakter doet ertoe. De ambtelijke top van VWS, VROM, SZW en LNV en leden
van de Tweede Kamer met wie vraaggesprekken gehouden zijn, delen deze visie.
Zij bevestigen dat de Gezondheidsraad de goede dingen doet. Adviseren op basis
van de stand der wetenschap is wat regering en parlement van de raad verwach-
ten. Het is in verband hiermee goed om te weten dat leden van de Tweede Kamer
graag zouden zien dat de raad op gezette tijden duidelijk maakt wat hij op advise-
ringsgebied in petto heeft. Wij zullen aan dat verzoek gevolg geven.
In het commentaar van onze opdrachtgevers zien we opnieuw bevestigd dat
multidisciplinair samengestelde commissies de manier bij uitstek zijn om de
wetenschappelijkheid en onafhankelijkheid van het advieswerk te waarborgen.
Precies daaraan ontleent de Gezondheidsraad zijn gezag en daardoor kan hij de
functie vervullen waaraan regering en parlement behoefte hebben. Wij beseffen
echter terdege dat soms behoefte bestaat aan snelle advisering en dat ook andere
Plannen 26
werkvormen in aanmerking kunnen komen. Onder welke omstandigheden en
voorwaarden dat kan zullen wij de komende tijd nader onderzoeken, met
gebruikmaking van de opgedane ervaringen.
De Gezondheidsraad adviseert dikwijls over zaken die de burgers na aan het
hart liggen. Geen wonder dus dat de adviezen vaak veel publiciteit trekken en
stevige discussies losmaken. Met het oog daarop zullen we meer nog dan in het
verleden aandacht schenken aan ons communicatiebeleid. Overigens is op dit
vlak naar de mening van VWS na 2004 duidelijk vooruitgang geboekt.
Belangrijk is ook het `managen van verwachtingen' die bij onze opdrachtge-
vers leven. Dat vraagt om duidelijk gestructureerde vormen van extern overleg.
Het interne overleg moet daar goed bij aansluiten. Beide zaken zullen op onze
agenda blijven staan.
Tot besluit nog een opmerking over het politieke klimaat. Een deregulerende
overheid wordt voor haar informatievoorziening meer afhankelijk van andere
organisaties. Wij willen nog eens benadrukken dat bedrijfseconomisch bezien de
Gezondheidsraad een succesformule in huis heeft. Topexperts blijken keer op
keer bereid om tegen een zeer bescheiden vacatiegeld hun deskundigheid voor de
publieke zaak in te zetten. Anders gezegd, onze opdrachtgevers krijgen gezag-
hebbende adviezen die weinig kosten. Niettemin wordt de Gezondheidsraad
momenteel geconfronteerd met één van de grootste bezuinigingen van de afgelo-
pen decennia.
Tegelijk heeft de raad te maken met een ingrijpende herpositionering van
adviesorganen op het terrein van VWS. Wij stellen ook vast dat beleid en samen-
leving toenemend belang hebben bij een goede synthese van de vele wetenschap-
pelijke ontwikkelingen. Daarom hebben wij besloten om de huidige evaluatie te
laten volgen door een externe audit. Die audit zal ons extra instrumenten aanrei-
ken voor een goede koersbepaling.
Plannen 27
Literatuur
1 Gezondheidsraad. De staat van dienst. Vier jaar advisering door de Gezondheidsraad onder de loep.
Den Haag: Gezondheidsraad 2002: Nr A02/02.
2 Ministerie van BZK. De staat van advies. Den Haag, 2001.
3 http://www.andereoverheid.nl.
4 Ministerie van VWS. Beleidsagenda 2005. Nieuwe fundamenten voor een toekomstbestendige zorg.
Den Haag, 2004.
5 Bal R, Bijker WE, Hendriks R. Paradox van wetenschappelijk gezag. Over de maatschappelijke
invloed van adviezen van de Gezondheidsraad. Den Haag, 2002.
6 Gezondheidsraad. Honderd jaar Gezondheidsraad. Een dozijn bespiegelingen. Den Haag:
Gezondheidsraad 2003: Nr A03/02.
7 Rigter RBM. Met raad en daad. De geschiedenis van de Gezondheidsraad 1902-1985. Rotterdam:
Erasmus Publishing, 1992.
8 Gezondheidsraad. Werkprogramma 2006 Gezondheidsraad/RGO. Den Haag: Gezondheidsraad 2005:
Nr A05/05.
9 Brief van de Minister van VWS aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dd 15
augustus 2003.
10 Vraaggesprek met ir JIM de Goeij, directeur-generaal volksgezondheid, ministerie van VWS,
gehouden op 28 september 2005.
11 Vraaggesprek met ir H van der Vlist, directeur-generaal milieu, ministerie van VROM, gehouden op
29 augustus 2005.
Literatuur 28
12 Vraaggesprek met drs R Feringa, directeur arbeidsveiligheid en gezondheid, ministerie van SZW,
gehouden op 4 oktober 2005.
13 Vraaggesprek met mr RM Bergkamp, directeur-generaal, ministerie van LNV, gehouden op 23
september 2005.
14 Vraaggesprek met S Buijs, arts, lid van de Tweede-Kamerfractie CDA, gehouden op 24 november
2005.
15 Vraaggesprek met drs G van Heteren, lid van de Tweede-Kamerfractie PvdA, gehouden op 16
november 2005.
16 Gezondheidsraad. Vergrijzen met ambitie. Den Haag: Gezondheidsraad 2005: Nr 2005/06.
17 Bekkers V, Fenger M, Homburg V, Putters K. Doorwerking van strategische beleidsadvisering.
Erasmus Universiteit Rotterdam & Universiteit van Tilburg, 2004.
18 Hoppe R. Van flipperkast naar grensverkeer. Veranderende visies op de relatie tussen wetenschap en
beleid. Den Haag: Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, 2002.
19 Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2001-2002, Aanhangsel van de Handelingen, 1513.
20 Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2003-2004, Aanhangsel van de Handelingen, 619.
21 Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2003-2004, Aanhangsel van de Handelingen, 1793.
22 Gezondheidsraad. Voedingsnormen. Energie, eiwitten, vetten en verteerbare koolhydraten. Den
Haag: Gezondheidsraad 2001: Nr 2001/19.
23 Gezondheidsraad. Voedingsnormen. Vitamine B6, foliumzuur en vitamine B12. Den Haag :
Gezondheidsraad 2003 : Nr 2003/04.
24 Gezondheidsraad. Onderzoek gezondheidsrisico's stoffen: een gerichtere benadering. Den Haag:
Gezondheidsraad 2001: Nr 2001/24.
25 Gezondheidsraad. Blootstelling aan combinaties van stoffen: een systematiek voor het beoordelen
van gezondheidsrisico's. Den Haag: Gezondheidsraad 2002: Nr 2002/05.
26 Gezondheidsraad. Benchmark-dosismethode:afleiding gezondheidskundige advieswaarden in nieuw
perspectief. Den Haag: Gezondheidsraad 2003: Nr 2003/06.
27 Gezondheidsraad. Doelmatigheid van langdurige psychotherapie. Den Haag: Gezondheidsraad 2001:
Nr 2001/08.
28 Gezondheidsraad. Dementie. Den Haag: Gezondheidsraad 2002: 2002/04.
29 Gezondheidsraad. Behandeling van drugverslaafde gedetineerden. Den Haag: Gezondheidsraad
2002: Nr 2002/08.
30 Gezondheidsraad. Medicamenteuze interventies bij drugverslaving. Den Haag: Gezondheidsraad
2002: Nr 2002/10.
31 Gezondheidsraad. Anticonceptie voor mensen met een verstandelijke handicap. Den Haag:
Gezondheidsraad 2002: Nr 2002/14.
32 Gezondheidsraad. Omstreden herinneringen. Den Haag: Gezondheidsraad 2004: Nr 2004/02.
33 Gezondheidsraad. Noodgedwongen: Zorg voor niet-opgenomen acute psychiatrische patiënten. Den
Haag: Gezondheidsraad 2004: Nr 2004/10.
Literatuur 29
34 Gezondheidsraad. Geavanceerde thuiszorgtechnologie: morele vragen bij een ethisch ideaal. Den
Haag: Gezondheidsraad 2004: Nr 2004/12-4.
35 Gezondheidsraad. Terminale sedatie. Den Haag: Gezondheidsraad 2004: Nr 2004/12-2.
36 Gezondheidsraad. Het nut van bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Den Haag: Gezondheidsraad
2002; 2002/03.
37 Gezondheidsraad. Bioterrorisme: vervolgadvies. Den Haag: Gezondheidsraad 2002: Nr 2002/11.
38 Gezondheidsraad. Antivirale middelen bij een grieppandemie. Den Haag: Gezondheidsraad 2004: Nr
2004/05.
39 Gezondheidsraad. TNO-onderzoek naar effecten van GSM- en UMTS-signalen op welbevinden en
cognitie. Den Haag: Gezondheidsraad 2004: Nr 2004/13.
40 Gezondheidsraad. Opduikende zoönosen. Den Haag: Gezondheidsraad 2004: Nr 2004/18.
41 Bal R, Hendriks R, Bijker W. Het CEG: klaar voor een eigen identiteit. Universiteit Maastricht 2005.
42 Gezondheidsraad, RMNO. Natuur en gezondheid. Invloed van natuur op sociaal, psychisch en
lichamelijk welbevinden. Den Haag: Gezondheidsraad 2004: Nr 2004/09.
43 World Health Organization. Static fields. Environmental Health Criteria 232. Geneva: WHO 2006.
Literatuur 30
A Gesprekspartners
B Presidiumcommissie
Bijlagen
31
Bijlage A
Gesprekspartners
· mw mr RM Bergkamp, directeur-generaal, ministerie van LNV
· drs R Feringa, directeur arbeidsveiligheid en gezondheid, ministerie van
SZW
· ir JIM de Goeij, directeur-generaal volksgezondheid, ministerie van VWS
· ir H van der Vlist, directeur-generaal milieu, ministerie van VROM
· S Buijs, arts, lid van de Tweede-Kamerfractie CDA
· Mw drs G van Heteren, lid van de Tweede-Kamerfractie PvdA
Gesprekspartners 32
Bijlage B
Presidiumcommissie
· Prof. dr JA Knottnerus, voorzitter
voorzitter van de Gezondheidsraad; Den Haag
· Prof. dr HR Büller
hoogleraar interne geneeskunde; AMC, Amsterdam
· Prof. dr HJP Eijsackers
voorzitter Wetenschappelijke Adviesraad; Universiteit Wageningen
· Prof. mr JKM Gevers
hoogleraar gezondheidsrecht; Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
· Prof. dr ir D Kromhout
vice-voorzitter van de Gezondheidsraad; Den Haag
· Prof. dr NJ Leschot
hoogleraar klinische genetica; Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
· Prof. dr D van Norren
directeur TNO Technische Menskunde; Soesterberg
· Dr WRF Notten
oud directeur TNO Preventie en Gezondheid; Leiden
· Prof. dr HA Verbrugh
hoogleraar medische microbiologie; Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
· Prof. dr M de Visser
vice-voorzitter van de Gezondheidsraad; Den Haag
Presidiumcommissie 33
· Prof. dr C van Weel
waarnemend voorzitter Raad voor Gezondheidsonderzoek; Den Haag
· Ir A Wijbenga, secretaris
algemeen secretaris van de Gezondheidsraad; Den Haag
Presidiumcommissie 34
Gezondheidsraad