Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid
Stichting van de Arbeid Postbus 90801
2509 LV Den Haag
Postbus 90405 Anna van Hannoverstraat 4
2509 LK Den Haag Telefoon (070) 333 44 44
Telefax (070) 333 40 33
Uw brief Ons kenmerk Doorkiesnummer
AV/PB/05/48052
Onderwerp Datum Contactpersoon
Kabinetsstandpunt over vragen VPL 24 juni 2005
Via uw regiegroep heb ik vernomen dat er in de praktijk onduidelijkheid is gerezen over de
wijze waarop een aantal onderdelen van het VPL-dossier moeten worden uitgelegd. Tevens
zijn er enkele knelpunten naar voren gebracht. Het kabinet hecht grote waarde aan een
goede en voortvarende uitwerking van het najaarsakkoord van november 2004. Teneinde
duidelijkheid te verschaffen geef ik in deze brief toelichting op de onderstaande punten.
1. Inkoop van ouderdomspensioen over achterliggende dienstjaren
Vanaf 1 januari 2006 wordt een nieuw fiscaal kader voor VUT- en (pre)pensioenregelingen
van kracht. Tot die datum opgebouwde aanspraken die betrekking hebben op pensionering
vóór 65 jaar (dus ook het deel van de ouderdomspensioenaanspraken dat is opgebouwd ten
behoeve van pensionering vóór de leeftijd van 65 jaar), hierna kortweg aangeduid als
prepensioenaanspraken, worden op grond van de Wet VPL gerespecteerd. Dat betekent dat
de omkeerregel, zoals deze op basis van het tot 1 januari 2006 geldende Witteveenkader
bestond, voor deze aanspraken niet wordt teruggenomen, maar dat een verdere opbouw van
prepensioenaanspraken na 1 januari 2006 niet langer fiscaal wordt gefacilieerd. Bij het
bepalen van de fiscale ruimte voor inkoop van ouderdomspensioen over de jaren vóór 2006,
zouden prepensioenaanspraken in principe wel meegenomen moeten worden. Het kabinet
zal in verband met de bij het najaarsakkoord met sociale partners gemaakte afspraak
prepensioenaanspraken echter respecteren met betrekking tot het bepalen van de ruimte voor
inkoop. Er wordt een wijziging in de fiscale regelgeving opgenomen op grond waarvan de
inkoopruimte voor het ouderdomspensioen over vóór 1 januari 2006 liggende dienstjaren
niet beperkt wordt door reeds onder het in die jaren geldende Witteveenkader opgebouwd
prepensioen.
Wat betreft de fiscale behandeling van individuele modules voor de opbouw van
ouderdomspensioen in de tweede pijler voorzover vóór 1 januari 2006 opbouw heeft
plaatsgevonden zal het kabinet een zelfde tegemoetkoming bieden. Dit betekent dat er bij de
toets op de inkoopruimte vanaf 2006 op basis van een collectieve inkoopregeling geen
rekening gehouden hoeft te worden met vóór 1 januari 2006 in de tweede pijler opgebouwde
---
individuele oudedagsvoorzieningen. In de fiscale regelgeving zal worden bepaald dat
tweede pijlervoorzieningen bij de fiscale toets op de inkoopruimte over achterliggende
dienstjaren buiten beschouwing mogen worden gelaten. Op deze wijze wordt voorkomen dat
werknemers die in het verleden zelf hun inkoopruimte over achterliggende dienstjaren
geheel of gedeeltelijk hebben benut met behulp van een individuele voorziening in de
tweede pijler, na 2006 geen of minder collectief gefinancierd pensioen over achterliggende
dienstjaren toegekend kunnen krijgen dan degenen die niet van deze mogelijkheid gebruik
hebben gemaakt.
2. Hoog/laag-constructie bij voorwaartse flexibilisering van het ouderdomspensioen
Het kabinet onderkent dat het bij de huidige vormgeving van de hoog/laag-eis voor lagere1
inkomensgroepen in een alleenverdienersituatie niet altijd mogelijk zal zijn om een
gelijkmatig pensioeninkomen in de periode vóór en na 65 jaar te realiseren. Het buiten
beschouwing laten van een bedrag van twee maal de gehuwden- AOW bij toepassing van de
hoog/laag-constructie komt tegemoet aan dit probleem. Het kabinet is dan ook voornemens
de fiscale wetgeving op dit punt bij gelegenheid van het Belastingplan 2006 aan te passen.
3. Aantonen van dienstjaren over het verleden
Het kabinet is bereid te bezien hoe tot praktisch hanteerbare oplossingen kan worden
gekomen binnen de randvoorwaarde van grosso modo budgettaire neutraliteit. Daarbij wil
het kabinet er geen misverstand over laten bestaan dat het toestaan van ficties met
betrekking tot diensttijd en pensioengrondslag, zoals eerder door de vakcentrales is bepleit,
geen bewandelbare weg is.
4. Premievrije voortzetting van prepensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid
Het kabinet blijft bij zijn standpunt dat het beleidsmatig onwenselijk is om de opbouw van
prepensioen voor (een deel van de) arbeidsongeschikten na 1 januari 2006 fiscaal te blijven
faciliëren, terwijl dat voor werkenden niet het geval is. Daarnaast geldt dat de premievrije
opbouw van prepensioen bij arbeidsongeschiktheid ook vanuit de optiek van financiële
prikkels tot reïntegratie beleidsmatig ongewenst is.
5. Pensioenopbouw in en na het tweede ziektejaar
Op grond van de huidige fiscale wetgeving is de maximale pensioenopbouw gekoppeld aan
het niveau van het laatstverdiende loon. Bij loondoorbetaling tijdens ziekte is dat dus het
loon dat in het tweede ziektejaar wordt doorbetaald. Als gevolg van de afspraken tussen
1
Bij hele lage inkomens speelt dit probleem overigens niet, omdat daar als gevolg van de franchise te weinig
pensioenopbouw mogelijk is om in deze mate te gaan variabiliseren.
3
kabinet en sociale partners zal het loonniveau tijdens het tweede ziektejaar vaak worden
verlaagd naar minimaal 70% van het laatstverdiende loon. Wanneer in het tweede ziektejaar
70% van het laatstverdiende loon wordt doorbetaald, mag de fiscaal gefacilieerde
pensioenopbouw in het tweede ziektejaar en de jaren daarna voortaan dus ook niet zijn
gebaseerd op een hoger loon dan 70% van het laatstverdiende loon. Gegeven het feit dat
afgesproken is dat in de eerste twee ziektejaren maximaal 170% van het laatstverdiende
loon zal worden uitgekeerd, zijn echter ook andere combinaties denkbaar, bijvoorbeeld 2
maal 85% van het laatstverdiende loon.
6. Fiscale behandeling van seniorenregelingen
Het kabinet is van mening dat seniorenregelingen die niet als een VUT-vervangende
regeling (kunnen) worden gebruikt in het geheel niet getroffen zouden moeten worden door
VUT-heffing. Het is niet mogelijk om seniorenregeling in het geheel uit te zonderen van
VUT-heffing, omdat dit zal betekenen dat de huidige VUT-regelingen worden voortgezet
onder het kopje `seniorenregeling'. Naar de mening van het kabinet is er geen sprake van
VUT-vervanging als de seniorenregeling wordt gebruikt om werknemers juist langer
(gezond) aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Het kabinet zal daarom in plaats van het
huidige criterium (maximaal 10% arbeidsduurvermindering) in de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 opnemen dat wanneer naast het genieten van uitkeringen uit een
(senioren)regeling feitelijk wordt gewerkt, geen sprake is van VUT-heffing. Er moet in ieder
geval nog 50% van de voorafgaande arbeidsduur feitelijk worden gewerkt. Het genieten van
(levensloop)verlof valt niet onder de definitie van feitelijk werken. Er mag wel tijdens het
genieten van uitkeringen uit de (senioren)regeling levenslooptegoed worden opgenomen
zolang maar in ieder geval feitelijk wordt gewerkt. De seniorenregelingen zelf moeten voor
deze uitzondering de voorwaarde stellen dat naast het genieten van uitkeringen uit de
seniorenregeling steeds (voor ten minste 50% van de voorafgaande arbeidsduur) feitelijk
moet worden gewerkt. Binnen deze variant is het niet mogelijk om het seniorenverlof `op te
sparen' ten behoeve van vervroegde uittreding, want op dat moment wordt niet meer
feitelijk gewerkt. Het kabinet is van mening dat op deze manier seniorenregelingen met
doelstellingen die het kabinet ondersteunt (het langer, gezond, tot het arbeidsproces behoren
van werknemers) in stand kunnen blijven, terwijl misbruik als VUT-vervanger wordt
voorkomen.
7. Uitvoering levensloopregeling
Verder is gevraagd naar de mogelijke uitvoerders van de levensloopregeling. Hierbij gaat
het specifiek om uitvoering van de levensloopregeling door beleggingsinstellingen en
uitvoering door CAO-fondsen. Op grond van de huidige regelgeving kunnen alleen
kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk) en verzekeraars
als bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv) de levensloopregeling
uitvoeren. Beleggingsinstellingen voldoen naar de mening van het kabinet echter evenals
kredietinstellingen en verzekeraars aan het beoogde profiel voor uitvoerders van de
levensloopregeling. Het kabinet zal daarom voorstellen de Wet op de loonbelasting 1964
dusdanig aan te passen dat beleggingsinstellingen met een vergunning of vrijstelling
4
krachtens de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Wtb) worden toegevoegd aan de
instellingen die fiscaal gefacilieerde levensloopregelingen mogen uitvoeren.
Een CAO-fonds kan op grond van de huidige regelgeving alleen als uitvoerder van de
levensloopregeling optreden als dit CAO-fonds een kredietinstelling is in de zin van de Wtk
of een verzekeraar in de zin van de Wtv. Bij inwerkingtreding van de hiervoor genoemde
aanpassing van de regelgeving kan een CAO-fonds ook als uitvoerder van de
levensloopregeling optreden als dit CAO-fonds een beleggingsinstelling in de zin van de
Wtb is. Er is ook sprake van een kredietinstelling in de zin van de Wtk als gebleken is dat
het CAO-fonds op grond van zijn karakter van besloten kring onder de vrijstellingsregeling
Wtk valt; van een beleggingsinstelling in de zin van de Wtb is eveneens sprake als een
CAO-fonds onder de vrijstellingsregeling van de Wtb valt. In dat geval behoeft het CAO-
fonds niet over een vergunning te beschikken. Om te bepalen of een CAO-fonds als
kredietinstelling binnen besloten kring gelden aantrekt (en dus is vrijgesteld van het
toezicht), hanteert DNB kwalitatieve criteria. Deze criteria worden restrictief toegepast door
DNB. Voor een CAO-fonds als beleggingsinstelling is de besloten kring circulaire Wtb van
toepassing. Wanneer aan de criteria voor besloten kring voldaan wordt, is een vrijstelling
van prudentieel toezicht van toepassing; dat deze CAO-fondsen de levensloopregeling
mogen uitvoeren wordt gerechtvaardigd door de genoemde toetsing. Uitvoering van de
levensloopregeling door een CAO-fonds dat is vrijgesteld van het prudentiële toezicht zal
waarschijnlijk eerder uitzondering dan regel zijn. Gelet op de aard van de
levensloopregeling is het niet wenselijk om de ruimte voor CAO-fondsen om als uitvoerder
van de levensloopregeling op te treden zodanig uit te breiden dat ook CAO-fondsen die niet
het karakter van een besloten kring hebben de levensloopregeling zonder vergunning mogen
uitvoeren. CAO-fondsen worden dan ook niet als separate categorie toegevoegd aan de
instellingen die de levensloopregeling mogen uitvoeren.
8. Leeftijdsdiscriminatie
Naar aanleiding van de regiegroepvergadering van 10 juni jongstleden is gemeld dat over
het punt van de leeftijdsdiscriminatie nadere informatie wenselijk is.
Het kabinet heeft dit punt zo begrepen dat er behoefte is aan meer duidelijkheid over de
consequenties van de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd bij de arbeid (WGBL)
in relatie tot het overgangsrecht dat is vastgelegd in de wet VPL.
Ook tijdens de parlementaire behandeling is van diverse zijden aandacht gevraagd voor de
relatie tussen het gekozen overgangsrecht en het verbod om naar leeftijd te discrimineren.
Het is duidelijk dat een antidiscriminatiewet, zoals de WGBL, die niet limitatief voorschrijft
wat wél en wat niét mag, maar slechts kaders schept op basis waarvan beoordeeld moet
worden of iets onder bepaalde omstandigheden al dan niet is toegestaan, meer tijd en
aandacht vraagt van de partijen die er mee moeten werken Ik besef dan ook dat dit
halfopenkarakter van de WGBL, zeker op dit moment (nog) niet altijd door iedereen ten
volle wordt gewaardeerd. Tegelijkertijd hecht ik er aan op te merken dat juist een
halfopenkarakter, waarbij individuele omstandigheden kunnen worden meegewogen bij de
keuze die moet worden gemaakt, veel meer mogelijkheden biedt dan een gesloten wet met
een limitatieve opsomming. In de loop der tijd ontstaat er ook jurisprudentie waardoor voor
een ieder duidelijker wordt wat de grenzen van de wetgeving zijn. Op dit moment is het
vooral zaak dat sociale partners, bij keuzes die moeten worden gemaakt, zich bewust zijn
5
van de risico's van leeftijdsdiscriminatie. De keuze die vervolgens wordt gemaakt moet ook
duidelijk gemotiveerd worden aangegeven. Dit lijkt het kabinet, ook met het oog op de
voorlichting naar de deelnemers, een absolute randvoorwaarde om de steun van de
achterban te krijgen bij de moeilijke belangenafwegingen die soms moeten worden gemaakt.
Bij een rechterlijke toets op een door sociale partners genomen beslissing, zullen de door de
wetgever vastgelegde leeftijdsgrenzen naar verwachting een belangrijke rol spelen. Deze
grenzen zullen echter niet als absoluut worden gezien. Het is dus niet zo dat iedere
beslissing die binnen dat kader blijft, op voorhand als objectief gerechtvaardigd kan worden
beschouwd. De individuele omstandigheden, hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
de dekkingsgraad van het fonds of de getalsverhouding tussen jongere en oudere
werknemers, kunnen en mogen een belangrijke rol spelen bij de vraag of een bepaalde
keuze als objectief gerechtvaardigd kan worden beschouwd.
Het is daarbij echter uitermate belangrijk om op transparante wijze alle relevante aspecten
mee te wegen in het besluitvormingsproces.
De minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
(mr. A.J. de Geus)
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid