Gemeente Utrecht

|                 |                                                      |
|Aan              |de (plv) leden van de commissie voor Maatschappelijke |
|                 |Ontwikkeling                                          |
|                 |                                                      |
|Onderwerp        |Toezicht houden op kwaliteit kinderopvang             |
|                 |                                                      |
|Doel             |commissie informeren                                  |
|                 |                                                      |
|Behandeld door   |G. de Geus                                            |
|                 |                                                      |
|Datum            |21 april 2005                                         |
|                 |                                                      |
|                                                                             |

Geachte dames en heren,

Hierbij wil ik u informeren over het volgende:

Het toezicht houden op de kwaliteit van de kindercentra in de stad en het daaraan verbonden handhavingsbeleid was tot dusverre vastgelegd in de lokale verordening kwaliteit kindercentra. Uitvoering van toezicht en handhaving zijn daarbij opgedragen aan de GG&GD.

Per 1 januari 2005 zijn met de invoering van de Wet Kinderopvang deze taken ingrijpend gewijzigd voor die voorzieningen die onder de nieuwe wet vallen, te weten: de kinderdagopvang, de buitenschoolse opvang en de gastouderbureaus. De nieuwe wetgeving legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit veel meer neer bij de houder van de voorziening zelf en beoogt sterke zelfregulering door de kinderopvangsector. De Wet benoemt de GG&GD wel tot toezichthouder. De houders van kinderopvangvoorzieningen zijn verplicht risico-inventarisaties uit te voeren en deze ter beoordeling voor te leggen aan de GG&GD. Bij mogelijke verschillen van inzicht tussen de houder en de GG&GD volgt een proces van 'hoor en wederhoor'. De GG&GD stelt uiteindelijk op grond van het uitgeoefende toezicht een rapportage op die openbaar toegankelijk is (bijv. voor ouders).

Ter verduidelijking een voorbeeld: in het verleden was het zo, dat de GG&GD op grond van de lokale verordening een kinderopvangorganisatie kon verplichten om een bepaalde aanpassing in zijn accommodatie aan te brengen zoals het weghalen van een gevaarlijk afstapje of scherpe voorwerpen etc.. De GG&GD kon concrete eisen stellen aan de organisatie. In de nieuwe situatie volgens de nieuwe wetgeving is het de taak van de organisatie zelf om middels een risico-inventarisatie aan te geven of er specifieke risico's zijn zoals bijv. een afstapje. Is dat het geval dan dient de organisatie aan te geven wat zij daarmee doet. De keuze is aan de organisatie, de GG&GD beoordeelt of zij dat op grond van de wet- en regelgeving voldoende vindt en legt haar oordeel vast in een rapportage. Tot hier strekt de toezichthouderstaak van de GG&GD zoals die in de wet is vastgelegd, zich uit. De wijze van toezichthouden is volledig vastgelegd in de landelijke regelgeving, er is geen ruimte voor lokale invulling.

Het is vervolgens aan de gemeente om op grond van die rapportage al dan niet over te gaan tot handhaving. Hier is dus wel sprake van lokale invulling, die aan dient te sluiten bij de concepten van eigen verantwoordelijkheid en zelfregulering door de sector. In principe is door de gemeente Utrecht bij vaststelling van het beleidskader kinderopvang deze handhavingstaak ook aan de GG&GD opgedragen.
Ik streef in deze naar een handhavingsbeleid dat op basis van een convenant met de sector, de kinderopvangorganisaties in de stad, vorm krijgt. Momenteel worden bijeenkomsten hierover met vertegenwoordigers van het veld voorbereid. Voorstellen met betrekking tot het handhavingsbeleid zullen u in de loop van de komende maanden bereiken.

Landelijk bezien is voor gemeenten en toezichthouders (GGD'en) 2005 een overgangsjaar. Het ontwikkelen van een nieuwe werkwijze en een nieuw handhavingsbeleid kon pas in 2005 starten, omdat de landelijke regelgeving en kaders pas zeer laat beschikbaar kwamen. Zo was pas eind december 2004 duidelijk dat het handhavingsbeleid een zaak van de gemeente is en niet vastligt in het landelijk beleid. Met de stappen die we nu in Utrecht nemen, waarin we een actieve betrokkenheid van het veld zelf nastreven, lopen we wat betreft de beleidsontwikkeling rond de handhaving voorop. Zolang dit handhavingsbeleid niet bestuurlijk is vastgesteld, geeft de wetgeving de gemeente overigens bij extreme situaties wel de mogelijkheid om in te grijpen en bijvoorbeeld over te gaan tot sluiting van een kindercentrum en/of het uitoefenen van bestuursdwang.


Het voorgaande heeft betrekking op alle voorzieningen die onder de nieuwe wet vallen. Peuterspeelzalen en voorscholen, eveneens voorzieningen voor jonge kinderen onder 4 jaar, vallen niet onder de nieuwe wet. Hier blijft gelden dat een lokale verordening de wijze van toezicht op kwaliteit en handhaving regelt. Mijn voornemen is om de wijze van toezichthouden en handhaven zo veel mogelijk conform de Wet Kinderopvang te regelen en ook hier op basis van betrokkenheid van het veld beleid vast te stellen. Dit betekent dat in de loop van dit jaar een nieuwe Verordening Kwaliteit peuterspeelzalen en voorscholen zal worden opgesteld. Vooruitlopend daarop zal de GG&GD al zoveel mogelijk in de geest van die nieuwe regelgeving (verordening) handelen, waarbij de huidige verordening als juridische basis blijft fungeren.

Ik vertrouw erop dat ik u hiermee voldoende geïnformeerd heb en dat uw Raad akkoord gaat met de beschreven handelwijze.


T. Gispen


---- --