Ministerie van Buitenlandse Zaken

Graag bied ik u hierbij, mede namens de de Minister van Justitie, de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door de leden van de Vaste Commissie voor de Rijksuitgaven over het Algemene Rekenkamerrapport "Gedetineerdenbegeleiding". Deze vragen werden ingezonden op 25 maart 2005 met kenmerk 30010.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Dr. B.R. Bot
Antwoorden van de heer Bot, minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de minister van Justitie, op vragen van de Vaste Commissie voor de Rijksuitgaven inzake het Algemene Rekenkamerrapport "Gedetineerdenbegeleiding"

Vraag 1
Kan de regering inzicht geven in de geslachts-, leeftijds- en etnische achtergrond van de Nederlandse gedetineerden in het buitenland?

Vraag 7
Kan worden aangegeven hoeveel in het buitenland gedetineerde Nederlanders behoren tot het vrouwelijk geslacht? Hoe groot is het aantal in het buitenland gedetineerde Nederlandse vrouwen: a. Binnen Europa?
b. Buiten Europa?
c. Voor drugsdelicten?

Antwoord
Ongeveer 84 % van de Nederlandse gedetineerden in het buitenland is van het mannelijke geslacht en circa 16 % van het vrouwelijk geslacht. De meeste Nederlandse gedetineerden in het buitenland zijn tussen de 21 en 50 jaar; uitgesplitst in leeftijdscategorie: minderjarig: 7 gedetineerden
18-30 jaar: 725 gedetineerden
31-40 jaar: 773 gedetineerden
41-50 jaar: 605 gedetineerden
51-60 jaar: 216 gedetineerden
61-70 jaar: 58 gedetineerden
71-80 jaar: 3 gedetineerden
Van circa 35 gedetineerden die onlangs zijn aangehouden hebben we nog geen geboortedatum kunnen vaststellen. Wat betreft etnische achtergrond moet worden opgemerkt dat alleen gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit of gedetineerden met een vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort volledige consulaire bijstand wordt verleend. Mijn ministerie houdt niet bij welke etnische achtergrond deze gedetineerden hebben. Naar schatting is in totaal 50% van de Nederlandse gedetineerden van niet-Nederlandse origine (waarbij gedacht moet worden aan personen uit Marokko, Turkije, voormalig Joegoslavië, de Kaapverdische Eilanden, de Dominicaanse Republiek, het Grote Merengebied in Afrika), Circa 29 % van deze groep beschikt zowel over de Nederlandse als over een andere nationaliteit.

Van de momenteel 387 vrouwelijke Nederlandse gedetineerden in het buitenland verblijven binnen Europa 190, buiten Europa 197 en voor drugsdelicten 348 (bijna 90 %) vrouwen in hechtenis.

Vraag 2
Zijn er voornemens om verdragen af te sluiten met andere Europese landen met betrekking tot overbrengen van gevangenen naar eigen land? Zo ja, met welke landen en zijn er reeds vorderingen geboekt?

Antwoord
Mede namens de minister van Justitie kan ik u als volgt informeren. Het meest toegepaste verdrag op dit terrein waar Nederland partij bij is, is het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Straatsburg, 21 maart 1983; hierna: VOGP). De voorkeur van de Nederlandse regering gaat ernaar uit dat landen zich aansluiten bij het VOGP. Thans zijn 57 landen partij bij dit verdrag. De 46 landen van de Raad van Europa en een aanzienlijk aantal andere landen, zoals de VS, Canada, Australië, Costa Rica, Venezuela, Israël en Japan hebben het verdrag ondertekend. Er bestaat dan ook geen aanleiding noch een voornemen om binnen Europa nieuwe verdragen af te sluiten.

Vraag 3
Wilt u met betrekking tot de financiële toelage een indexering per land samenstellen en zo ja volgens welke criteria zult u een dergelijke index maken?

Antwoord
De mogelijkheid om een bepaalde indexering per land of regio van het bedrag dat aan een gedetineerde wordt toegekend, zoals de Algemene Rekenkamer suggereert, zal verder worden onderzocht in de voor dit jaar voorziene evaluatie van de gedetineerdenbegeleiding. Bij de financiële ondersteuning wordt rekening gehouden met de diversiteit in omstandigheden; slechts Nederlandse gedetineerden in landen buiten Europa krijgen een gift van 30 Euro per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud of voor andere noodzakelijke uitgaven.

Vraag 4
Is bekend hoeveel gevangenen van Engelse, Franse, Duitse, Amerikaanse nationaliteit in andere landen verblijven. Welk percentage daarvan is veroordeeld op basis van drugs?

Antwoord
De volgende gegevens zijn bekend over gedetineerden van Britse, Franse, Duitse en Amerikaanse nationaliteit die in andere landen gedetineerd zijn. Britse nationaliteit: 2543 gedetineerden, van wie 73 % in verband met een drugsdelict. Franse nationaliteit: 1809 gedetineerden, van wie 60 % in verband met een drugsdelict. Duitse nationaliteit: 1500 gedetineerden, van wie 75 % in verband met een drugsdelict. Amerikaanse nationaliteit: 2500 gearresteerden, van wie ongeveer 33 % in verband met een drugsdelict.

Vraag 5
Welke limiet stelt het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de budgetten en vooral op basis van welke criteria worden deze budgetten vastgesteld?

Vraag 23
Waarom worden bij de toekenning van de budgetten voor de begeleiding van gedetineerden in het buitenland geen duidelijke uitgangspunten gebruikt? Is de minister van Buitenlandse Zaken van plan uitgangspunten hiervoor te gaan hanteren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?

Antwoord
Ik verschil met de Algemene Rekenkamer van mening over de bevinding dat er geen duidelijke uitgangspunten zijn bij de toekenning van aan posten van budgetten die specifiek bedoeld zijn voor de gedetineerdenbegeleiding. Posten kunnen onder het activiteitenbudget 'consulaire bijstand/gedetineerden' voor verschillende activiteiten (attenties, giften, inzet van een vertrouwensadvocaat, medicijnen, vrijwilligersbijeenkomsten) een budget aanvragen. Deze aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de opgestelde richtlijnen en begeleidingsnormen; het aantal gedetineerden en de omstandigheden in de gevangenissen zijn zaken die hierbij vooral worden meegewogen. Voor de toekenning van budgetten voor medicijnen en attenties zijn inmiddels richtlijnen opgesteld. Naast de jaarlijkse budgetaanvraag voor gedetineerden heeft een post de mogelijkheid tijdens het uitputtingsoverleg extra budget aan te vragen indien hiertoe aanleiding is. In tegenstelling tot de opmerking van de Algemene Rekenkamer dat indien een post geen aanvraag doet, geen budget wordt toegekend, diene dat zonder uitzondering een budget wordt toegekend wanneer binnen het ressort van een post Nederlandse gedetineerden in hechtenis verblijven. De verantwoordelijkheid voor het signaleren van knelpunten ligt bij de posten. Afhankelijk van de beschikbare begrotings- en personele ruimte zal ik in de evaluatie die dit jaar plaatsvindt, bezien op welke wijze dergelijke knelpunten kunnen worden opgelost.

Vraag 6
Bent u bereid een schatting te maken van de benodigde personele en materiële capaciteit van de posten?

Vraag 34
De Algemene Rekenkamer blijft, evenals in 2000, van mening dat het mogelijk moet zijn om een schatting te maken van de benodigde personele en materiële capaciteit. Kan de regering nader preciseren waarom dit niet mogelijk is volgens haar?

Antwoord
Ik acht een standaard voor de personele en materiële capaciteit op het gebied van gedetineerdenbegeleiding niet goed uitvoerbaar omdat de behoefte aan begeleiding en de mogelijkheid die te bieden van vele factoren afhangt. Ik beschik niet over onbeperkte middelen. Bovendien moet ik keuzes maken om de vele belangen van Nederland in de wereld te kunnen behartigen.

Vraag 8

Heeft de herziening van het Handboek Bedrijfsvoering Buitenlandse Zaken inmiddels plaatsgevonden?

Vraag 31
Bent u bereid de Bundel Consulaire Voorschriften gebruikersvriendelijker te maken? Zo ja, op welke termijn? Indien neen, waarom niet?

Antwoord

Begin dit jaar is het Handboek Bedrijfsvoering Buitenlandse Zaken (HBBZ) vernieuwd en gebruiksvriendelijker gemaakt; de inhoud en structuur zijn verbeterd. In het HBBZ neemt het thema Consulaire Zaken en Personenverkeer de plaats in van de Bundel Consulaire Voorschriften.

Vraag 9
Kan worden aangegeven welke tijdsspanne wordt bedoeld met "zo spoedig mogelijk" (na zijn arrestatie)?

Antwoord
Indien een Nederlander wordt gearresteerd, zal de betrokken post zo snel als mogelijk een eerste bezoek afleggen. De tijdsspanne hangt af van verschillende factoren, zoals de personele capaciteit van de post, de afstand tussen de post en de plaats van detentie en de toestemming van de lokale autoriteiten om het bezoek af te leggen.

Vraag 16
Binnen hoeveel dagen melden lokale autoriteiten gemiddeld de arrestatie van een Nederlander? Zijn er landen die een dergelijke arrestatie aanzienlijk later melden?

Antwoord
Het recht om contact op te nemen met de consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst is vastgelegd in artikel 36, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen. Op grond van genoemd artikel zijn de bevoegde autoriteiten verplicht de gearresteerde buitenlander ervan in kennis te stellen dat hij het recht heeft contact op te nemen met zijn consulaire vertegenwoordiging. In dit artikel is bepaald dat de consulaire vertegenwoordiging door de bevoegde autoriteiten onverwijld dient te worden geïnformeerd over de aanhouding en detentie van een burger, indien betrokkene dit verzoekt. Ook hebben consulaire vertegenwoordigers op grond van dit artikel het recht een eigen burger die zich in arrest of voorlopige hechtenis bevindt, met zijn toestemming, te bezoeken. Genoemde rechten worden conform lid 2 van artikel 36 uitgeoefend overeenkomstig de wetten en regelingen van de ontvangende Staat, met dien verstande dat deze wetten en regelingen de verwezenlijking van de oogmerken waarvoor deze rechten zijn bedoeld, volledig moeten waarborgen.

Ik streef ernaar dat de lokale autoriteiten hun verplichting om de Nederlandse overheid zo snel mogelijk in te lichten over de arrestatie van een Nederlander, indien deze daarmee instemt, nakomen. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan worden de lokale autoriteiten om opheldering gevraagd.

Vraag 10
Kan worden aangegeven welke criteria worden gebruikt bij de indeling qua omstandigheden als "minder goede"?

Antwoord
Detentieomstandigheden in landen buiten Europa zijn in veel gevallen aanmerkelijk slechter dan in Nederland. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan omstandigheden van humanitaire en facilitaire aard zoals voeding, hygiëne en medische zorg. Rekening houdend met de diversiteit van de individuele gevallen is het mijns inziens niet zinvol en mogelijk om objectieve criteria vast te stellen. Maatwerk bij de begeleiding van Nederlandse gedetineerden is staand beleid. De omstandigheden waaronder mensen gevangen zitten en wensen en behoeften van iedere individuele gedetineerde in relatie tot deze omstandigheden zijn bepalend voor de mate en vorm van de te verlenen consulaire bijstand.

Vraag 11
Kan de minister aangeven in hoeveel procent van de gevallen het Gerechtshof in Arnhem negatief adviseert over een voortgezette tenuitvoerlegging in Nederland?

Antwoord
Van de bijzondere kamer van het Gerechtshof te Arnhem heeft de minister van Justitie de volgende cijfers ontvangen: 2001: 108 adviesaanvragen bij het Hof; negatief advies van het Hof in 47 gevallen; percentage afwijzingen 44%. 2002: 82 adviesaanvragen bij het Hof; negatief advies van het Hof in 40 gevallen; percentage afwijzingen 49%. 2003: 133 adviesaanvragen bij het Hof; negatief advies van het Hof in 50 gevallen; percentage afwijzingen 44%.

Vraag 12
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met Suriname over een te sluiten WOTS-verdrag?

Antwoord
Mede namens de minister van Justitie kan ik u informeren dat Suriname heeft aangegeven zich aan te willen sluiten bij het VOGP. De Surinaamse autoriteiten zullen daartoe stappen ondernemen. Nederland zal de aanvraag tot toetreding ondersteunen. Overigens probeert Nederland ook andere landen te stimuleren partij te worden bij dit Raad van Europa-verdrag.

Vraag 13
Hoe verklaren respectievelijk de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Justitie het verschil van mening tussen BIRS en het centrale orgaan DCZ/CM over de vraag wie al dan niet (meer) aanspraak kunnen maken op een overbrenging in het kader van de WOTS?

Antwoord
Evenals de minister van Justitie ben ik van mening dat geen verschil van inzicht bestaat over de criteria voor overbrenging in het kader van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS). In de WOTS zijn in zijn algemeenheid criteria opgenomen die bepalen wie in aanmerking kunnen komen voor overbrenging. Deze criteria dienen evenwel nader te worden ingevuld. Zo verlangt de WOTS met betrekking tot vreemdelingen dat zij beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. De wet verlangt daarmee een voldoende juridische of feitelijke band tussen de veroordeelde vreemdeling en Nederland. Ontbreekt een dergelijke band dan dient de overname van de tenuitvoerlegging te worden geweigerd, omdat zij dan niet in het belang van de goede rechtsbedeling wordt geacht. De minister van Justitie heeft een zekere mate van beleidsvrijheid bij de toetsing of sprake is van een juridische of feitelijke band met Nederland.

Vraag 14
Kan nader worden aangegeven waarop de Algemene Rekenkamer zich baseert als deze constateert dat de aandacht en inzet van de medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (zowel bij DCM/CM als bij de bezochte posten) voor de begeleiding van Nederlandse gedetineerden in het buitenland ten opzichte van 2000 duidelijk is toegenomen?

Antwoord
Deze vraag dient te worden gericht aan de Algemene Rekenkamer.

Vraag 15
Vinden de beide ministers dat kennis van een land over onder andere geografische omstandigheden, rechtssysteem, verkorting strafduur, gratieverlening, kwijtschelding/vermindering van boetes, e.d. van belang zijn voor goede gedetineerdenbegeleiding? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is in het bijzonder de minister van Buitenlandse zaken bereid om ervoor te zorgen dat medewerkers vooral die op de posten zich deze eigen maken? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn/ Zo nee, waarom niet?

Vraag 29
Is de minister van Buitenlandse Zaken bereid maatregelen te nemen die erop toezien dat kennis en ervaring, kortom het instititutionele geheugen, goed worden vastgelegd? Zo ja, op welke termijn? Kan de minister de Kamer hierover informeren?

Vraag 33
De regering zegt toe te blijven streven naar een structurele oplossing om de relevante informatie over mogelijkheden van het lokale recht en netwerken volledig vast te leggen. Kan de minister nader preciseren hoe hij van plan is dit te doen?

Antwoord
De genoemde kennis is van groot belang bij de uitvoering van het gedetineerdenbeleid. Medewerkers op de posten beschikken ook over een groot deel van deze kennis. Als gevolg van de beperkte personele en materiele capaciteit lukt het in sommige gevallen niet altijd om relevante gegevens over het lokale recht en netwerken volledig vast te leggen. Desalniettemin zal ik blijven streven naar een structurele oplossing om deze relevante kennis zo volledig mogelijk over te dragen. Dit punt zal eveneens worden meegenomen in de eerder genoemde evaluatie.

De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de interstatelijke strafrechtelijke samenwerking, zoals aan de orde bij de overbrenging van gevonniste personen. Voor overdracht van de executie van een straf of maatregel aan een andere Staat is van belang te weten wanneer iemand in de Staat van veroordeling in vrijheid zou worden gesteld. Ingevolge het VOGP kan namelijk de door de Staat van veroordeling opgelegde sanctie naar aard en duur niet worden verzwaard door de Staat van tenuitvoerlegging. Dit vergt derhalve kennis van het terzake geldende recht in de Staat van veroordeling. Deze kennis is in ruime mate aanwezig bij het Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken van het ministerie van Justitie en bij de officieren van justitie in het land die dergelijke zaken behandelen.

Vraag 17
Op welke termijn zijn de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Justitie van plan om slechts 1 contactpersoon voor een gedetineerde aan te houden?

Antwoord
Momenteel wordt onderzocht of de ministeries van Justitie en Buitenlandse zaken voortaan één en dezelfde persoon als contactpersoon van een gedetineerde zullen aanhouden. De nieuwe werkwijze zal zo spoedig mogelijk worden geïmplementeerd.

Vraag 18
Zijn de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Justitie van plan om over deze specifieke groep afspraken van bezoekregelingen te maken met de betreffende autoriteiten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn? Indien deze kennis niet voorhanden is, zijn de minister van Buitenlandse zaken en de minister van Justitie bereid om onderzoek hiernaar te laten verrichten? Zo ja, op welke termijn? Kunt u de Kamer hierover informeren?

Antwoord

In landen waar de lokale autoriteiten bipatriden (in dit geval personen met de Nederlandse en de eigen nationaliteit van het land) niet als Nederlanders beschouwen en geen noodzaak zien tot melden van arrestaties van deze personen en tot het toelaten van bezoek door posten, wordt getracht met de betrokken autoriteiten afspraken te maken. In Marokko heeft dergelijk overleg eind jaren '90 ertoe geleid dat de arrestaties van Nederlands-Marokkaanse burgers bij de Nederlandse ambassade voortaan gemeld worden en dat deze personen door de post mogen worden bezocht. In andere landen heeft, ondanks Nederlandse inspanningen, overleg tot op heden helaas niet geleid tot afspraken over arrestatiemeldingen en bezoekregelingen. Aangetekend dient te worden dat toegang tot bipatriden, gedetineerd in het land van hun andere nationaliteit, niet juridisch afdwingbaar is.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ervan op de hoogte in welke landen het contact leggen met en bezoeken van bipatride gedetineerden een probleem is. Een onderzoek hiernaar is derhalve niet noodzakelijk.

Vraag 19
Is er verschil tussen het bezoekregime van minderjarige en meerderjarige in het buitenland gedetineerde Nederlanders? Zo ja, waarin komt het verschil tot uiting? Kan worden aangegeven hoe de begeleiding van in het buitenland minderjarige gedetineerde Nederlanders precies wordt ingevuld?

Antwoord
Zoals gezegd is maatwerk bij de begeleiding van Nederlandse gedetineerden staand beleid. In dit kader wordt ook bij de bezoekfrequentie rekening gehouden met minderjarige gedetineerden. Zij worden in de meeste gevallen vaker bezocht. Ook zullen als regel de rechtszittingen van minderjarigen worden bijgewoond. De Nederlandse vertegenwoordigingen zien toe op een juiste toepassing van het lokale recht (voor minderjarigen) en een juiste humanitaire behandeling.

Vraag 20
Gemiddeld is het aantal bezoeken per jaar per gedetineerde 4 (totaal circa 9.800 bezoeken op 2.300 gevangenen). Kunnen de ministers aangeven welke specifieke omstandigheden en redenen ten grondslag liggen aan: a. 1-4 bezoeken per jaar per gedetineerde?
b. 5-8 bezoeken per jaar per gedetineerde?
c. 9-12 bezoeken per jaar per gedetineerde?
d. 13 en meer bezoeken per jaar per gedetineerde?
Is het op grond van deze specifieke omstandigheden en redenen niet mogelijk om een standaard voor bezoekfrequentie vast te stellen? (zie ook p.32) Zo nee, waarom niet.

Vraag 22
Vinden de ministers dit verschil in uitvoering van de gedetineerdenbegeleiding acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen willen de ministers nemen voor een goede uitvoering van de gedetineerdenbegeleiding, met name omdat het aantal in het buitenland gedetineerde Nederlanders groeit?

Vraag 36
Deelt de minister de mening dat landen waar de omstandigheden in gevangenissen vallen in de categorie "slecht" conform de op p. 13 gestelde bezoeknorm vaker bezocht zouden moeten worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Het vaststellen van een standaard bezoekfrequentie lijkt niet goed uitvoerbaar, gelet op de grote diversiteit van de individuele gevallen. Gedetineerdenbegeleiding blijft maatwerk. Het verschil in uitvoering is naar mijn mening derhalve acceptabel. De bezoeknorm: "Nederlandse gedetineerden in landen verder verwijderd van Nederland en familie en in gevangenissen met minder goede omstandigheden dan in Nederland in het algemeen zullen vaker worden bezocht" geeft aan dat in principe gedetineerden buiten Europa vaker zullen worden bezocht dan gedetineerden die binnen Europa in hechtenis verblijven. Dit geldt eveneens al naar gelang de detentieomstandigheden. In de genoemde evaluatie zal worden bezien of deze norm strakker geformuleerd kan worden.

Daarnaast bestaat er een knelpunt wat betreft de personele bezetting op de ambassades, hierbij moet opgemerkt worden dat keuzes moeten worden gemaakt om de vele belangen van Nederland in de wereld te kunnen behartigen. De beschikbare middelen zijn beperkt.

Vraag 21
Kunnen Nederlandse posten in
a. Frankrijk (259 gedetineerden, zie voor cijfers bijlage 3) b. Spanje (177 gedetineerden, zie voor cijfers bijlage 3) c. VS (161 gedetineerden, zie voor cijfers bijlage 3) d. Suriname (131 gedetineerden, zie voor cijfers bijlage3) ook terugvallen op een vrijwilligersnetwerk?

Antwoord
Ja, alle bovengenoemde posten beschikken over een vrijwilligersnetwerk.

Vraag 24
Op welke termijn wordt de lijst met aandachtspunten voor gesprekken met gedetineerden tijdens de bezoeken ontwikkeld?

Antwoord
De posten beschikken inmiddels over standaardrapportageformulieren en een lijst met aandachtspunten voor het afleggen van bezoeken.

Vraag 25
Is het, om vertraging van de behandeltermijnen te reduceren, mogelijk om een lijst van stukken op te stellen die de gedetineerde moet aanleveren in verband met de WOTS-behandeling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn wil de minister dit gaan doen?

Antwoord
Mede namens de minister van Justitie kan ik u mededelen dat de documenten die voor een overbrenging nodig zijn, omschreven staan in meergenoemd verdrag. Daarbij is het niet de gedetineerde maar de Staat van veroordeling die bij het verzoek tot overname de stukken dient te verstrekken.

Vraag 26
Op welke termijn zal de minister van Justitie overgaan tot toekenning van een apart budget voor B&BB aan SRN?

Antwoord
Mede namens de minister van Justitie kan ik u mededelen dat een apart budget B&BB met ingang van het jaar 2005 aan de SRN wordt toegekend.

Vraag 27
Is de minister van Buitenlandse zaken bereid om conform de opvatting van het nieuwe informatiesysteem PRISON een rappelfunctie in te bouwen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Vraag 32
Ziet u in navolging van de Algemene Rekenkamer enkele verbetermogelijkheden in het rappelsysteem van Prison? Zo ja op welke termijn verwacht u die te kunnen aanbrengen? Indien neen, waarom niet?

Antwoord
Dit jaar zal een nieuwe versie van Prison in gebruik worden genomen, waarin ook mogelijkheden voor een rappelfunctie worden voorzien.

Vraag 30

Acht de minister het van belang dat er ook gestructureerd overleg plaatsvindt over gedetineerdenbegeleiding buiten Europa? Zo nee, waarom niet? Is de minister bereid dit in overweging te nemen? Zo nee, waarom niet?

Vraag 35
Welke initiatieven zijn genomen en welke afspraken zijn gemaakt in het kader van het Nederlandse EU-voorzitterschap ter intensivering van de consulaire samenwerking tussen EU-lidstaten ter bevordering van gedetineerdenbegeleiding in het buitenland? Zijn op dit gebied nieuwe initiatieven te verwachten van de regering?

Antwoord
In EU-verband vindt ten minste vier keer per jaar een formele en twee keer per jaar een informele bijeenkomst plaats. Zowel op niveau van hoofdsteden als tussen de EU-vertegenwoordigingen ter plekke wordt zeer gehecht aan intensivering van de consulaire samenwerking tussen de EU-lidstaten. Hiertoe zijn onder het Nederlands EU-Voorzitterschap ook verschillende initiatieven genomen en afspraken gemaakt. Zo zijn door de EU-vertegenwoordigingen in een tiental niet EU-landen rapporten geschreven over de lokale detentieomstandigheden en adviezen opgesteld over mogelijkheden tot samenwerking. Daarnaast zijn initiatieven ontplooid om derde landen te stimuleren partij te worden bij het Raad van Europa Verdrag inzake gevonniste personen.


---- --