Kamerbrief inzake AO Raad van Europa 30 maart 2005/Top Raad van Europa
16 en 17 mei 2005
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Binnenhof 4
Den Haag
Directie West- en Midden-Europa
Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Datum
29 maart 2005
Behandeld
Andri S. van Mens
Kenmerk
DWM/273-05
Telefoon
070 348 6929
Blad
1/6
Fax
070 348 6233
Bijlage(n)
1
Betreft
AO RvE 30 maart 2005
Derde Top Raad van Europa 16 en 17 mei 2005
Met verwijzing naar uw schrijven van 21 maart 2005 met kenmerk
05-BuZa-20, gaat u hierbij informatie toe over de huidige stand van
zaken betreffende de voorbereidingen van de Derde Top van de Raad van
Europa op 16 en 17 mei a.s. in Warschau en het standpunt van de
Nederlandse regering ten aanzien van de agendapunten van deze Top.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Dr. B.R. Bot
Informatie over de Derde Top van de Raad van Europa, 16 en 17 mei
a.s., alsmede informatie over het standpunt van de Nederlandse
regering inzake de agendapunten van deze Top.
In juli 2004 nam het Comité van Ministers van de Raad van Europa het
besluit om een Derde Top van staatshoofden en regeringsleiders van de
Raad van Europa bijeen te roepen om een nieuwe koers voor de
organisatie uit te zetten. Polen, dat thans voorzitter is van het
Comité van Ministers van de Raad van Europa, bood zich bij deze
gelegenheid aan als gastheer van de Top. Deze zal derhalve op 16 en 17
mei 2005 te Warschau plaatsvinden.
Door middel van dit schrijven wil ik u informeren over de Nederlandse
prioriteiten ten aanzien van de Top. Tevens zal ik ingaan op de
laatste stand van zaken omtrent de onderhandelingen in Straatsburg ter
voorbereiding op de Top. Allereerst een beknopte schets van de context
waarin de Derde Top plaatsvindt.
De context waarin de Derde Top wordt gehouden
Hoewel de Raad van Europa in 1949 is opgericht en zich een vaste
plaats heeft verworven in de Europese architectuur, zijn er nog
slechts twee topconferenties geweest. De eerste werd gehouden in 1993
te Wenen en markeerde de val van de muur en in het verlengde hiervan
de wil tot uitbreiding naar Midden- en Oost-Europa. De tweede top, die
in 1997 te Straatsburg werd gehouden, wilde vooruitzien naar het
nieuwe millennium en formuleerde de huidige werkagenda. Zo werd door
de regeringsleiders een actieplan aangenomen gebaseerd op vier
thema's: democratie en mensenrechten, sociale cohesie, veiligheid van
de bevolking, en tot slot onderwijs gericht op democratie en culturele
diversiteit.
Al in 2001, midden in het proces van de vijfde uitbreiding van de EU,
ontstond het idee voor het houden van een Derde Top van de Raad van
Europa. Dit juist mede naar aanleiding van de vraag wat de gevolgen
zouden zijn voor de Raad van Europa van de toen in het vooruitzicht
liggende uitbreiding van de Europese Unie en het eventueel aannemen en
in werking treden van het Europees Grondwettelijk Verdrag. Probleem
was echter dat voorstanders van zon top geen duidelijke voorstelling
hadden van een agenda. In het programma voor het Nederlandse
voorzitterschap van de Raad van Europa was de voorbereiding van een
top dan ook niet voorzien.
Niettemin valt niet te ontkennen dat zich in de huidige Europese
architectuur processen voordoen (zoals uitbreiding EU, de positie van
de OVSE) die van invloed zijn op de positie van de diverse
organisaties die deel uitmaken van het Europese huis. Daarmee is ook
de positie van de Raad van Europa onderhevig aan veranderingen. De
Derde Top biedt daarom een kans bij uitstek om de Raad van Europa
nogmaals stevig neer te zetten, maar dan zijn een duidelijke focus en
een helder mandaat een vereiste. Dat was dan ook de inzet van de
regering tijdens het voorzitterschap, waardoor, toen zich een goede
agenda aftekende, ik mij als voorzitter voor de realisering van een
top ben gaan inzetten.
Het vereiste van een goede concrete agenda en zicht op duidelijke
resultaten blijven in aanloop naar en tijdens de Derde Top
onverminderd van belang.
Kern van de Nederlandse inzet ten aanzien van de Derde Top
Als voorzitter van het Comité van Ministers van de Raad van Europa
heeft Nederland actief bijgedragen aan de formulering van een agenda
en mogelijke concrete resultaten voor de Derde Top.
Het advies over de Raad van Europa^^ van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken (AIV) was onder andere aanleiding voor
gedachtevorming over de toekomstige oriëntatie van de organisatie. In
haar reactie^^ hierop (die u in maart 2004 toeging) stemde de
regering grotendeels in met de aanbevelingen van de AIV, dat de Raad
van Europa zijn activiteiten zou moeten concentreren op een aantal
kernthemas (bevordering van mensenrechten, democratie en rechtsstaat)
en kerntaken (waaronder toezicht op naleving van verdragen,
verplichtingen en ten uitvoerlegging van uitspraken van het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens, het EHRM). De regering was en is
daarnaast van mening dat er tevens ruimte moet zijn voor activiteiten
op het gebied van sociale cohesie, mits deze een duidelijke meerwaarde
hebben en aantoonbaar en functioneel bijdragen aan de bevordering van
mensenrechten, democratie en rechtsstaat. Het vaststellen van die
prioriteiten, bij voorkeur in de vorm van een werkprogramma, zou zin
geven aan een topconferentie.
Daarnaast zou de Raad van Europa, in de ogen van de regering, zich
moeten toeleggen op zijn toezichthoudende taak wat betreft het acquis
van de Raad, opdat alle lidstaten uitvoering geven aan de
verplichtingen die zij zijn aangegaan. Hieraan zij toegevoegd dat er
daarbij voor (het secretariaat van) de Raad van Europa een rol is
weggelegd voor assistentieverlening aan lidstaten die dat nog nodig
hebben voor het effectief naleven van de verplichtingen.
Een derde aandachtspunt tijdens de Derde Top zou wat de regering
betreft de relatie zijn van de Raad van Europa met de EU en de OVSE.
Elke van deze organisaties heeft zich sinds het begin van de jaren
negentig sterk ontwikkeld. De OVSE heeft in een lang traject via
conferenties in Wenen, Parijs, Kopenhagen en Moskou (1986 1991) haar
accent op de menselijke dimensie versterkt. De EU legde de Kopenhagen
criteria vast (overigens op basis van input van de Raad van Europa),
waarmee zij begon aan de meest ambitieuze uitbreiding ooit.
Nu is de tijd gekomen om nieuwe orde te scheppen in de onderlinge
verhoudingen en taken. Onnodige overlap dient voorkomen te worden en
daar waar de activiteiten van de drie organisaties elkaar naderen
dient de synergie bevorderd te worden. De regering is tevens van
mening dat nauwere samenwerking de verantwoordelijkheid is van zowel
de betrokken organisaties als de lidstaten zelf.
Tijdens de Nederlandse en Noorse voorzitterschappen van de Raad van
Europa is een agenda en werkplan voor de Derde Top opgesteld, dat aan
deze Nederlandse vereisten beantwoordt.
Toepassing van die prioriteiten
De Nederlandse stellingname was en is mede ingegeven door het belang
dat de regering hecht aan de Raad van Europa als normstellende
organisatie op het gebied van de gemeenschappelijke Europese waarden
ten aanzien van mensenrechten, democratie en goed bestuur, alsook de
rol van pan-Europees platform voor de politieke dialoog die bijdraagt
aan democratisering en respect voor mensenrechten in Europa.
Voor concentratie op bovengenoemde kerntaken lijkt in Straatsburg
draagvlak te zijn. Gezien de financiële krapte waar de Raad van Europa
mee wordt geconfronteerd, delen velen de mening dat alleen deze
concentratie de toekomst van de Raad van Europa als normstellende
organisatie kan veiligstellen (dat doel komt aardig overeen met de
titel van het eerste AIV-advies: Minder en (nog) beter). De meeste
delegaties lijken ervan overtuigd te zijn dat het beter is een beperkt
aantal activiteiten goed uit te voeren dan een groot aantal
activiteiten minder goed. Probleem blijkt echter dat de keuzes van
prioriteiten door de lidstaten vaak verschillen.
Nederland heeft sterk ingezet op de kernactiviteiten van de Raad,
bevordering van democratie, mensenrechten en goed bestuur. Maar dan
als het ware in één adem ook
met activiteiten van de Raad van Europa op het gebied van de sociale
cohesie. Naast het argument dat de mensenrechten, de democratie en de
rechtsstaat alleen gedijen in een hier voor vruchtbare context
(enabling environment), vloeit dit standpunt voort uit de wens de
blijvende betrokkenheid van de nieuwere lidstaten in met name
Oost-Europa en de Kaukasus binnen de Raad van Europa veilig te
stellen.
Deze landen ondervinden nog vaak problemen bij de implementatie van
hun verdragsverplichtingen en zijn juist gebaat bij activiteiten die
in brede zin de mensenrechtenactiviteiten, democratisering en
staatsrechtelijke hervormingen ondersteunen. In de onderhandelingen
tot dusver heeft Nederland zich op dit terrein dan ook zo opgesteld
dat het concept sociale cohesie/ enabling environment zo breed
geformuleerd kan worden dat alle partners in de Raad van Europa zich
kunnen vinden in de door de Raad te ondernemen activiteiten.
Hiermee verliest de regering het belang van concentratie op kerntaken
en activiteiten echter niet uit het oog. Moeilijk keuzes zullen in
deze gemaakt moeten worden. Daarnaast zijn er gebieden waar de Raad
een erkende niche heeft, zoals gezondheid, familierecht,
nationaliteitenrecht, lokaal bestuur en minderheden. Voortzetting van
deze activiteiten is mijns inziens wenselijk.
Ook na de Derde Top zal de regering blijven inzetten op verdere
concentratie van de activiteiten van de Raad, onder andere tijdens de
jaarlijkse begrotingsonderhandelingen en de beoordeling van nieuw
voorgestelde activiteiten. Het streven naar een evenwichtige balans
tussen verdere concentratie van activiteiten, de betrekkingen met
vooral de niet EU-landen binnen de Raad en de samenwerking tussen de
Raad van Europa en andere internationale organisaties zal in deze
leidend zijn.
Onderhandelingen in Straatsburg
Na een weifelende start kwamen de onderhandelingen in aanloop naar de
Derde Top eind 2004 langzaam op gang. Momenteel wordt over twee
teksten gesproken die de kern zullen vormen van de besluitvorming op
de Top. Het betreft een overkoepelende Politieke Verklaring, waarin de
algehele oriëntatie en prioriteiten van de organisatie worden
uiteengezet, en een Actieplan, waarin wordt vastgesteld welke
activiteiten de Raad van Europa, gezien de gestelde prioriteiten, in
het vervolg zal ondernemen.
Discussies in Straatsburg hebben zich vooralsnog toegespitst op het
Actieplan. Hierin is een vijftal categorieën aan activiteiten
opgenomen. Zo voorziet het Actieplan in activiteiten op het gebied van
de bevordering van mensenrechten, democratie en rechtsstaat, de
bescherming van de veiligheid van de Europese burger en de
bewerkstelliging van een humaan Europa zonder uitsluiting. Tevens
besteedt het actieplan aandacht aan de samenwerking tussen de Raad van
Europa en andere organisaties, waaronder de OVSE en de EU, en voorziet
het in een paragraaf over de uiteindelijke modaliteiten voor de
implementatie van het Actieplan.
Frankrijk deed eind 2004 een eerste voorstel voor de tekst van het
Actieplan. Hierop werd door een groot aantal lidstaten van de Raad van
Europa een honderdtal schriftelijke voorstellen gedaan. Ook Nederland
heeft zijn bijdrage geleverd. Naast aandacht te hebben gevraagd voor
de bovengenoemde kernactiviteiten, heeft Nederland zich conform
hogergeschetste beleidslijn ingezet voor opname van activiteiten op
het gebied van lokaal- en goed bestuur, mediavrijheid, het Europees
Sociaal Handvest, efficiency of justice, mensenrechten in de
informatiesamenleving, integratie, volksgezondheid en nationaliteiten-
en familierecht.
Samen met de overige EU-lidstaten heeft Nederland tevens een voorstel
gedaan voor toekomstige activiteiten ter bevordering van de
samenwerking met de EU. Hiertoe is voorgesteld om tijdens de Derde Top
richtlijnen aan te nemen ten behoeve van het opstellen van een
Memorandum of Understanding tussen de Raad en de EU. Voor wat betreft
de samenwerking met de OVSE is reeds in december 2004, tijdens de OVSE
ministeriële in Sofia, een coördinatiegroep in het leven geroepen
waarin beide organisaties zijn vertegenwoordigd. Deze zal de komende
tijd werken aan een tijdens de Derde Top aan te nemen verklaring tot
samenwerking tussen de organisaties op themas die voor beide
organisaties relevant zijn. Nederland steunt ook dit proces.
Voor wat betreft de Politieke Verklaring zet de regering zich in voor
een duidelijke omschrijving van de kerntaken en themas van de Raad van
Europa. Uiteindelijk streeft Nederland er naar dat uit de Politieke
Verklaring duidelijk blijkt dat de Raad van Europa zich concentreert
op bovengenoemde kernthemas, te weten mensenrechten, democratie en
rechtsstaat, alsook sociale cohesie waar nodig, en dat de Raad van
Europa binnen de perken van deze thematiek, zich richt op
normstelling, toezicht en assistentieverlening.
Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), De Raad van Europa:
Minder en (nog) beter, oktober 2003, no. 33.
Kamerstukken 2003-2004, 28810, nr. 3, Tweede Kamer, dd. 2 maart
2004.
Ministerie van Buitenlandse Zaken