Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AP1799 Zaaknr: C03/036HR
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 18-06-2004
Datum publicatie: 18-06-2004
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: cassatie
18 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/036HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. B.V. BOUW- EN BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ B.M.S.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
2. MUNTENDAMSCHE INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
t e g e n
SCAN ESTATE B.V.,
gevestigd te Schiedam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: Scan Estate - heeft bij
twee exploten van 2 april 2002 eiseressen tot cassatie - verder te
noemen: BMS en MIM - in kort geding gedagvaard voor de
voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem en gevorderd bij
vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. op te heffen het namens MIM op 21 december 2001 gelegde
conservatoire beslag tot levering op het perceel bouwterrein, gelegen
in het Airport Business Park Lijnden te Schiphol Rijk, gemeente
Haarlemmermeer, met het daarop nieuw gebouwde bedrijfspand (magazijn
met kantoor) en 49 parkeerplaatsen (Gebouw A), uitmakende een ter
plaatse met kennelijke tekens afgebakend gedeelte ter grootte als na
uitmeting vanwege het kadaster zal blijken, van het perceel kadastraal
bekend als gemeente Haarlemmermeer, sectie nummer (afkomstig
van de oude nummers , kadastraal bekend gemeente
Haarlemmermeer, sectie );
B. op te heffen het namens BMS op 21 december 2001 gelegde
conservatoire beslag tot levering op het perceel bouwterrein, gelegen
in het Airport Business Park Lijnden te Schiphol Rijk, gemeente
Haarlemmermeer, met het daarop nieuw gebouwde bedrijfspand (magazijn
met kantoor) en 41 parkeerplaatsen (Gebouw B), uitmakende een ter
plaatse met kennelijke tekens afgebakend gedeelte ter grootte als na
uitmeting vanwege het kadaster zal blijken, van het perceel kadastraal
bekend als gemeente Haarlemmermeer, sectie nummer (afkomstig
van de oude nummers , kadastraal bekend gemeente
Haarlemmermeer, sectie ).
BMS en MIM hebben de vorderingen bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 6 mei 2002 de gevraagde
voorziening geweigerd.
Tegen dit vonnis heeft Scan Estate hoger beroep ingesteld bij het
gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 7 november 2002 heeft het hof het bestreden vonnis
vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering tot opheffing van de
gelegde conservatoire beslagen alsnog toegewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben BMS en MIM beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Scan Estate heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor BMS en
MIM mede door mr. F.E. Vermeulen, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het
cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden.
Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de
klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang
van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt BMS en MIM in de kosten van het geding in cassatie, tot op
deze uitspraak aan de zijde van Scan Estate begroot op EUR 301,34 aan
verschotten en EUR 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter
en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens,
P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de
raadsheer A. Hammerstein op 18 juni 2004.
*** Conclusie ***
nr. C03/036HR
Mr. Hartkamp
Zitting 26 maart 2004
Conclusie inzake
1. B.V. Bouw- en beleggingsmaatschappij B.M.S.
2. Muntendamsche Investeringsmaatschappij B.V.
tegen
Scan Estate B.V.
Feiten en procesverloop
1) De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 6 mei 2002 de
volgende, ook in cassatie vaststaande feiten vastgesteld (r.o. 2.1).
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V.
(hierna: BSB), staat in een uittreksel uit het handelsregister d.d. 27
maart 2001 vermeld als enige statutair directeur van Scan Estate B.V.
(hierna: Scan Estate). stond in het handelsregister
niet geregistreerd als statutair of gevolmachtigd directeur van Scan
Estate of BSB.
heeft zich eind 2001 bij geïntrodueerd
door middel van een visitekaartje met daarop onder meer de tekst:
"Scan Estate, , directeur." Op 5 december 2001 hebben
en onderhandelingen gevoerd over een
(aantal) transacties betreffende een perceel bouwgrond en een tweetal
bedrijfspanden, waarna beide heren in contact zijn getreden met
notaris Van Lidth de Jeude (hierna: de notaris).
Bij faxbrief van 14 december 2001 gericht aan [betrokkene
2]/Muntendamsche Investeringsmaatschappij B.V. (hierna: MIM) en
/Scan Estate, heeft de notaris een aantal concepten van
koopakten met betrekking tot bedoelde onroerende zaken aangeboden.
Deze brief bevat onder andere de volgende passages:
"Naar aanleiding van uw beider telefonische mededeling dat
overeenstemming is bereikt over de verkoop door de Muntendamsche aan
Scan Estate van het perceel bouwgrond te Aalsmeer en anderzijds door
Scan Estate aan de Muntendamsche van de bedrijsgebouwen A en B in
Schiphol Rijk, heb ik van deze objecten een koopakte opgemaakt.
Bijgaand zend ik u de concepten van deze koopakten. Gaarne verneem ik
op korte termijn of u met deze koopakten akkoord gaat.
Voorts heb ik begrepen dat u de overdracht wenst te effectueren op 19
december 2001. (...)"
Bij faxbrief van 17 december 2001 heeft de notaris een aantal
aangepaste concepten doen toekomen aan partijen.
Bij brief van 18 december 2001, gericht aan de notaris, heeft
, statutair directeur van BSB, namens Scan Estate onder
meer het volgende bericht:
"Tijdens ons telefoongesprek van vrijdag 14 december jl. deed u
mededeling dat u die middag concept-koopovereenkomsten aan ons kantoor
zou verzenden. Hierover spraken wij onze verbazing uit, omdat
betreffende bovengenoemde zaken weliswaar gesprekken plaatsvinden,
doch nog geen overeenstemming is over de voorwaarden van een eventuele
koop/verkoop.
Maandag 17 december jl. zag ik uw faxbericht waarmee een drietal
concepten aan ons waren gezonden. In de begeleidende brief meldt u dat
overeenstemming zou zijn bereikt, hetgeen ons inziens onjuist is.
Dezer dagen vinden nog verdere gesprekken plaats over de voorwaarden.
Teneinde te voorkomen dat ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat
er al overeenstemming zou zijn, bevestigen wij u bij deze dat dit niet
het geval is. (...)"
B.V. Bouw- en beleggingsmaatschappij B.M.S. (hierna: BMS) en MIM
(hierna tezamen: BMS c.s.) hebben Scan Estate bij brief van 20
december 2001 gesommeerd om uitvoering te geven aan de beweerdelijk
tot stand gekomen koopovereenkomst, en hebben op 21 december 2001
conservatoir beslag tot levering laten leggen op de twee betreffende
bedrijfspanden.
2) Voorts moet in cassatie worden uitgegaan van de volgende, door het
hof vastgestelde feiten (r.o. 3.2).
Scan Estate pleegt zich bezig te houden met de ontwikkeling van
onroerende zaken, bestemd voor de vestiging van bedrijven (de
zogeheten projectontwikkeling). is gespecialiseerd in
dergelijke werkzaamheden die hij in opdracht van Scan Estate pleegt te
verrichten (hij verklaarde overigens bij pleidooi in hoger beroep niet
in loondienst van Scan Estate te zijn, maar van een aan die
vennootschap gelieerde vennootschap). Eind 1999 heeft
in opdracht van Scan Estate op verzoek van Amsterdam Mercantile Trust
N.V. (hierna: AMT), een door de makelaar gecontroleerde
vennootschap, adviezen uitgebracht en andere werkzaamheden verricht
terzake van de ontwikkeling van het voornoemde perceel bouwgrond te
Aalsmeer. AMT had die bouwgrond in juni 1999 gekocht van Gramfasta
B.V. (hierna: Gramfasta), later gefuseerd met MIM, evenals BMS een
door gecontroleerde vennootschap. Op 15 december 1999
is voormelde koop weer ontbonden door het intreden van de in de
overeenkomst opgenomen voorwaarde dat op 15 december 1999 een
bouwvergunning diende te zijn verleend. In verband met de reeds
gemaakte kosten bleef echter belangstelling houden voor
de ontwikkeling van de bouwgrond. Ook was
geïnteresseerd in de ontwikkeling van de na ontbinding van de koop
weer aan MIM (Gramfasta 3) toegevallen bouwgrond.
Er is in het najaar van 2001 een aantal besprekingen gevoerd waarbij
aanwezig waren namens Scan Estate, en
namens BMS c.s. en namens AMT
( was lijfelijk aanwezig op 4 oktober 2001 en volgens
eigen opgave gedurende enige tijd via de 'telefoon op de speaker' op
23 november en 5 december 2001). Tijdens de besprekingen op 23
november en 5 december 2001 is het onderwerp van de besprekingen in
zoverre gewijzigd dat door en (ook) is
gesproken over de verkoop door MIM aan Scan Estate van de bouwgrond te
Aalsmeer al dan niet in combinatie met de verkoop door Scan Estate aan
BMS c.s. van twee bedrijfsgebouwen (de gebouwen A en B) te
Schiphol-Zuid.
3) Bij exploot van 2 april 2002 heeft Scan Estate BMS c.s. gedagvaard
voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem. Zij heeft
gevorderd, kort gezegd en voorzover in cassatie van belang, op te
heffen de namens BMS c.s. gelegde conservatoire beslagen tot levering
op (het perceel bouwterrein met daarop) de bedrijfsgebouwen. Scan
Estate heeft daartoe aangevoerd dat zij geen koopovereenkomst terzake
van de bedrijfsgebouwen is aangegaan met BMS c.s. en dat BMS c.s.
evenmin een recht op levering van de panden geldig kunnen maken. Dat
tussen Scan Estate en BMS c.s. geen overeenkomst tot stand is gekomen
heeft Scan Estate onder andere onderbouwd met de stelling dat
daarvoor geen vertegenwoordigingsbevoegdheid bezat,
hetgeen gelet op de gegevens in het handelsregister
bekend was althans bekend kon zijn.
BMS c.s. hebben tegen de vordering verweer gevoerd en geconcludeerd
tot afwijzing daarvan. Ze hebben zich onder andere op het standpunt
gesteld dat Scan Estate de schijn heeft gewekt dat
bevoegd was haar te vertegenwoordigen, en dat zij op die schijn zijn
afgegaan en ook mochten afgaan.
4) Bij (kort geding-)vonnis van 6 mei 2002 heeft de
voorzieningenrechter de gevraagde voorziening geweigerd, aangezien
naar zijn oordeel niet summierlijk is komen vast te staan dat de
vordering van BMS c.s. in de hoofdzaak ondeugdelijk is (r.o. 5.8).
Daartoe heeft hij onder andere overwogen dat niet is gebleken dat uit
het handelsregister valt op te maken dat onbevoegd was
om Scan Estate (middels een volmacht) te vertegenwoordigen en dat niet
is gesteld of anderszins gebleken dat in het handelsregister een
doorlopende volmacht is ingeschreven waarvan de beperkingen aan BMS
c.s. kunnen worden tegengeworpen (r.o. 5.5). Voorts heeft hij zich
door partijen onvoldoende voorgelicht geacht om op eenvoudige wijze te
kunnen oordelen over de omstandigheden waaronder BMS c.s. al dan niet
had mogen aannemen dat aan een toereikende volmacht was
verleend (r.o. 5.6).
5) Scan Estate is onder aanvoering van drie grieven tegen het vonnis
van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen bij het
Gerechtshof te Amsterdam. In cassatie is alleen de tweede grief
relevant. Met die grief heeft Scan Estate het oordeel van de
voorzieningenrechter bestreden dat, kort weergegeven, Scan Estate geen
beroep kan doen op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid
aan de kant van .
BMS c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot
bekrachtiging van het vonnis.
6) Bij arrest van 7 november 2002 heeft het hof het bestreden vonnis
vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering tot opheffing van de
gelegde conservatoire beslagen alsnog toegewezen. Het heeft daartoe
overwogen, voorzover in cassatie van belang:
"4.4 (...) Uit de in dit geding overgelegde uittreksels uit het
handelsregister van de kamer van koophandel blijkt dat alleen B.V.
(BSB) bevoegd is om Scan Estate te vertegenwoordigen en dat de onder
1.6 genoemde alsmede een zekere
bestuurder zijn van BSB, naast Terre Personelle B.V., van welke
vennootschap de eveneens onder 1.6 genoemde de enige
bestuurder is. Vast staat derhalve dat formeel niet
bevoegd was Scan Estate te vertegenwoordigen. BMS c.s. bestrijdt dat
ook niet, maar voert aan dat Scan Estate jegens haar schijn van
vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt, subsidiair dat Scan
Estate eventuele onbevoegde vertegenwoordigingshandelingen van
heeft bekrachtigd in een tweetal gesprekken, tussen
en op 5 december 2001 en tussen
en op 8 december 2001.
(...)
4.6 Ook de subsidiaire stelling van BMS c.s. dat, voor zover al zou
moeten worden aangenomen dat niet bevoegd was, het
bevoegde bestuur van Scan Estate bij monde van en
de koopovereenkomsten heeft bekrachtigd, wordt
verworpen. , jegens wie de bekrachtigingen zouden zijn
geuit, was immers geen partij bij de overeenkomst en niet is gesteld
of gebleken dat hij BMS c.s. vertegenwoordigde tijdens de bedoelde,
zich in het sociale verkeer voordoende, gesprekken met
en .
Overigens is door Scan Estate gemotiveerd betwist dat
en zich tegenover hebben uitgelaten als
door BMS c.s. wordt gesteld. Wel kan uit de door BMS c.s. overgelegde
schriftelijke verklaringen van worden afgeleid dat deze
op de hoogte was van de vertegenwoordigingsstructuur van Scan Estate,
in het bijzonder dat en formeel bevoegd
waren Scan Estate te vertegenwoordigen. Hetgeen heeft
verklaard valt tot slot bezwaarlijk in overeenstemming te brengen met
de vaststaande omstandigheid dat Scan Estate de totstandkoming van de
koopovereenkomsten betwist heeft, zodra zij daarover van de notaris
vernam."
7) BMS c.s. zijn (tijdig) van het arrest van het hof in cassatie
gekomen. Daartoe hebben zij een middel van cassatie geformuleerd dat
bestaat uit twee onderdelen (waarvan het tweede is onderverdeeld in 4
subonderdelen). Scan Estate heeft geconcludeerd voor antwoord.
Vervolgens hebben partijen hun stellingen schriftelijk toegelicht,
waarna BMS c.s. hebben gerepliceerd.
Bespreking van het cassatiemiddel
8) In de tweede en derde volzin van r.o. 4.4 van zijn arrest heeft het
hof geoordeeld dat vaststaat dat formeel niet bevoegd
was Scan Estate te vertegenwoordigen, omdat uit de uittreksels van het
handelsregister blijkt dat alleen BSB vertegenwoordigingsbevoegdheid
bezit en dat (o.a.) bestuurder is van BSB. Onderdeel 1
keert zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen dit oordeel
aangezien "formele vertegenwoordigingsbevoegdheid" voor een besloten
vennootschap evenzeer rechtsgeldig kan voortvloeien uit een door of
namens de statutaire bestuurders aan een derde daartoe verleende
volmacht. Volgens het onderdeel gelden voor de verlening van een
dergelijke volmacht in beginsel geen bijzondere vorm- en/of
inschrijvingsvereisten en kan zij ook impliciet voortvloeien uit de
aanstelling van de derde in een bepaalde functie en/of de verstrekking
aan de derde van een bepaalde opdracht door of namens (de bevoegde
vertegenwoordigers van) de vennootschap. Het hof zou dit een en ander
hebben miskend.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft met zijn
oordeel dat , gelet op de uittreksels uit het
handelsregister, "formeel" niet bevoegd was Scan Estate te
vertegenwoordigen, kennelijk uitsluitend bedoeld dat
geen uit het handelsregister blijkende vertegenwoordigingsbevoegdheid
bezat. Niet alleen het woordje "formeel" duidt hierop, maar tevens de
overweging in r.o. 4.6 "dat en formeel
bevoegd waren Scan Estate te vertegenwoordigen" en in het bijzonder
ook de in cassatie niet bestreden r.o. 4.5 waarin het hof de vraag
heeft onderzocht (en ontkennend beantwoord) of, zoals BMS c.s. hebben
betoogd, Scan Estate de schijn van s
vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt. Mede gelet op de
omstandigheden die het hof in dat onderzoek heeft betrokken, heeft het
hof klaarblijkelijk de (vermeende) gewekte schijn van
vertegenwoordigingsbevoegdheid krachtens volmacht als bedoeld in art.
3:61 lid 2 BW op het oog gehad.
8) Na een inleiding in subonderdeel 2 komen de subonderdelen 2.1 en
2.2 op tegen 's hofs overweging in de laatste volzin van r.o. 4.4 dat
BMS c.s. niet bestrijden dat de formele bevoegdheid
ontbeerde om Scan Estate te vertegenwoordigen. De subonderdelen
strekken ten betoge dat BMS c.s. zich zowel in eerste als in tweede
aanleg er (primair) op hebben beroepen dat wel degelijk
bevoegd was om Scan Estate te vertegenwoordigen (subonderdeel 2.1), en
dat het hof niet zonder nadere motivering aan dit beroep op het
bestaan van een toereikende volmacht voorbij had mogen gaan
(subonderdeel 2.2).
De subonderdelen worden tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft
kennelijk in de gedingstukken zijdens BMS c.s. geen beroep op
vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van volmacht gelezen dan wel
geoordeeld dat, voor zover BMS c.s. zo'n beroep wel hebben gedaan, zij
dat niet voldoende hebben gespecificeerd en dat - mede in dat licht -
het bestaan van een volmacht niet voldoende aannemelijk is gemaakt.
Onbegrijpelijk is dat allerminst. Een beroep op volmacht(verlening)
treft men in de gedingstukken immers niet aan;(1) steeds is het beroep
op bevoegdheid te begrijpen als een beroep op de algemene
vertegenwoordigingsbevoegdheid van een bestuurder c.q. directeur (als
hoedanig zich blijkens zijn visitekaartje had
voorgedaan) of als een beroep op (door Scan Estate opgewekte) schijn
van bevoegdheid.
9) Volgens subonderdeel 2.3 heeft het hof met het in de slotzin van
r.o. 4.4 overwogene en de uitwerking daarvan in r.o. 4.6 miskend dat
BMS c.s. zich niet, althans niet primair op bekrachtiging in de zin
van art. 3:69 BW hebben beroepen, maar dat BMS c.s. daarentegen hebben
beoogd hun primaire standpunt, dat krachtens volmacht
vertegenwoordigingsbevoegd was, te ondersteunen.
Het onderdeel faalt. Zoals uit het subonderdeel zelf al volgt, kan
moeilijk worden ontkend dat BMS c.s. met hun stellingen een beroep
beoogden te doen op bekrachtiging door Scan Estate van de beweerde
koopovereenkomst met BMS c.s. De in het subonderdeel met een asterix
aangegeven passages (m.v.a. p. 6 en pleitnota in hoger beroep p. 5)
laten geen andere uitleg toe. Wat de andere in het onderdeel genoemde
passages daaraan zouden afdoen (en zelfs wat zij met de kwestie te
maken hebben) kan ik niet inzien.
10) Subonderdeel 2.4, gericht tegen r.o. 4.6, tweede alinea, faalt
wegens gebrek aan belang, nu het zich richt tegen een overweging ten
overvloede.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Het dichtst in de buurt komt de memorie van antwoord, p. 6: "Indien
niet was gemachtigd dergelijke overeenkomsten namens
Scan Estate te sluiten (...)".