Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AN8170 Zaaknr: C02/229HR
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 18-06-2004
Datum publicatie: 18-06-2004
Soort zaak: civiel - faillissement
Soort procedure: cassatie
18 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C02/229HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
Mr. Robert Jan VAN GALEN, in zijn hoedanigheid van curator in het
faillissement van CIRCLE PLASTICS B.V.,
kantoorhoudende te Amsterdam,
EISER tot cassatie,
advocaat: voorheen mr. E.D. Vermeulen,
thans mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
CIRCLE VASTGOED B.V.,
gevestigd te Monster,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instantie
Verweerster in cassatie - verder te noemen: Circle Vastgoed - heeft
bij exploot van 30 juli 2001 (de voorganger van) thans eiser tot
cassatie - verder te noemen: de curator - gedagvaard voor de rechtbank
te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, voor zover de wet dat toelaat
uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de
schadevergoedingsvordering die voortvloeit uit de niet nakoming van de
op de curator en de boedel van Circle Plastics B.V. (hierna: Circle
Plastics) rustende verplichting tot ontruiming van het gehuurde van
Circle Vastgoed, door de curator jegens Circle Vastgoed dient te
worden aangemerkt als boedelschuld in het kader van de afwikkeling
door hem van het faillissement van Circle Plastics, met inachtneming
van de tussen de daarin opgekomen boedelschulden eventueel bestaande
rangorde, met veroordeling van de curator in de kosten van dit geding.
De curator heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 25 april 2002 de vordering van
Circle Vastgoed toegewezen.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank heeft de curator beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Circle Vastgoed heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de
curator mede door mr. P.D. Olden, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal L.A.D. Keus heeft op 14 november 2003 een
conclusie genomen strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de
curator in het door hem ingestelde beroep in cassatie, en op 26 maart
2004 een nadere conclusie, die ertoe strekt dat dit beroep, aangenomen
dat de curator daarin wel ontvankelijk is, zal worden verworpen.
De advocaat van de curator en mr. Olden hebben bij brieven van
onderscheidenlijk 26 november 2003 en 7 april 2004 op die conclusies
gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Blijkens de op 30 juli 2001 uitgebrachte inleidende dagvaarding
heeft Circle Vastgoed aan haar bij vonnis van 25 april 2002 toegewezen
vordering (mede) ten grondslag gelegd dat tussen haar en Circle
Plastics de hierna onder 4.1 nader te omschrijven huurovereenkomst
betreffende een bedrijfsterrein met opstallen heeft bestaan, dat de
curator in het faillissement van Circle Plastics die overeenkomst
heeft opgezegd, maar niet heeft voldaan aan de verplichting tot
ontruiming, zodat Circle Vastgoed recht heeft op vergoeding van de
door haar ter zake van de ontruiming gemaakte kosten. Die vordering
is, mede in aanmerking genomen dat onder bedrijfsruimte in de zin van
art. 39, aanhef en onder 4°, (oud) RO moet worden verstaan elke
onroerende zaak die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is
bestemd voor gebruik in de uitoefening van een bedrijf, onverschillig
of die zaak al dan niet bebouwd is, een rechtsvordering betrekkelijk
tot huur van bedrijfsruimte in de zin van dat artikel, zodat de
kantonrechter bevoegd was daarvan kennis te nemen.
3.2 Op 1 januari 2002 is in werking getreden de Wet van 6 december
2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het
bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, Stb. 2001, 580.
Art. VII lid 1 van deze wet bepaalt dat ten aanzien van de verdere
behandeling door een kantongerecht, een arrondissementsrechtbank, een
gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van
inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn, het recht van toepassing
blijft zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Het strookt met de in deze bepaling neergelegde regel van
overgangsrecht om te aanvaarden dat in een zodanig geval ook art. 157
(oud) Rv. van toepassing blijft. Zulks brengt mee dat, indien, zoals
in het onderhavige geval, de zaak aanhangig is op 1 januari 2002 en de
rechtbank in deze zaak na 1 januari 2002 op grond van art. 157 (oud)
in hoogste ressort heeft recht gesproken, cassatieberoep tegen deze
uitspraak openstaat (HR 30 januari 2004, nr. C02/204, RvdW 2004, 27).
De curator is dus ontvankelijk in zijn beroep.
4. Beoordeling van het middel
4.1 In deze zaak, waarin het gaat om de vraag of de
ontruimingsverplichting die is ontstaan door de opzegging van de
curator van de hierna te noemen huurovereenkomst een boedelschuld is,
kan worden uitgegaan van de feiten die de Advocaat-Generaal in zijn op
14 november 2003 genomen conclusie onder 1.2 heeft vermeld.
Deze feiten behelzen kort gezegd het volgende. Op 6 oktober 1998, de
dag dat Circle Plastics in staat van faillissement werd verklaard,
gold tussen haar en Circle Vastgoed een huurovereenkomst krachtens
welke Circle Plastics huurster was van een terrein met opstallen te
Rotterdam, Europoort. Daar bevond zich op genoemde datum een grote
hoeveelheid verontreinigd landbouwplastic dat Circle Plastics in het
kader van haar, kort voordien gestaakte, bedrijfsuitoefening had
willen verwerken tot niet verontreinigde plastic korrels. De curator
heeft de huurovereenkomst met toepassing van art. 39 F. opgezegd tegen
7 januari 1999. Hij heeft echter geweigerd het landbouwplastic en het
daaruit vrijkomende vervuilde percolatiewater van het gehuurde te
verwijderen. Daarop heeft Circle Vastgoed zelf dat plastic verwerkt,
althans afgevoerd. De curator heeft geweigerd de kosten daarvan,
liggende in de orde van grootte van f 400.000,--, als boedelschuld aan
te merken en aan Circle Vastgoed te vergoeden.
4.2 De rechtbank heeft de hiervoor in 4.1 vermelde vraag bevestigend
beantwoord. Hetgeen zij daartoe heeft overwogen, kan aldus worden
weergegeven. Met name uit het arrest van de Hoge Raad van 12 november
1993, nr. 15111, NJ 1994, 229 moet worden afgeleid dat een
verplichting die ontstaat door de opzegging door de curator van een
overeenkomst tussen de failliet verklaarde persoon en een derde moet
worden aangemerkt als boedelschuld. Voor de kwalificatie van een
dergelijke verplichting als boedelschuld komt geen betekenis toe aan
de aard van de opgezegde overeenkomst of aan de aard of omvang van de
uit die opzegging voortvloeiende verplichting (rov. 5.1). De
verplichting tot ontruiming ontstond in de hiervoor bedoelde zin eerst
nadat de curator de huurovereenkomst had opgezegd. Hetgeen de curator
op dit punt als verweer heeft aangevoerd doet daaraan niet af. Dit
verweer miskent dat in het algemeen - en ook in dit geval - ten tijde
van de faillietverklaring niet vaststaat of en wanneer de curator de
huurovereenkomst zal opzeggen (rov. 5.2).
4.3 Bij de beoordeling van het middel, dat met rechts- en
motiveringsklachten bestrijdt dat van een boedelschuld sprake is, moet
het volgende worden vooropgesteld.
Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 28 september
1990, nr. 13976, NJ 1991, 305 en in zijn hiervoor in 4.2 genoemde
arrest van 12 november 1993, moet een verplichting die is ontstaan als
gevolg van een door de curator ten behoeve van de boedel verrichte
rechtshandeling als boedelschuld worden aangemerkt. Dit wordt niet
anders doordat de desbetreffende verplichting mede haar grond vindt in
een al voor de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding. Voor
heroverweging van deze oordelen ziet de Hoge Raad geen aanleiding.
4.4.1 Op het vorenstaande stuit de rechtsklacht van onderdeel 1a,
waarin onder meer wordt miskend dat de vordering van Circle Vastgoed
niet een voor verificatie vatbare vordering onder opschortende
voorwaarde of tijdsbepaling is en daarmee in dit verband evenmin op
één lijn kan worden gesteld, in haar geheel af.
4.4.2 Anders dan onderdeel 1b klaagt, is geenszins onbegrijpelijk wat
de rechtbank verstaat onder het ontstaan van de verplichting door
opzegging, daar waar zij in rov. 5.2 overweegt: "De onderhavige
verplichting tot ontruiming (...) ontstond in de hiervoor bedoelde zin
eerst nadat de Curator de huurovereenkomst (...) had opgezegd." De
woorden "in de hiervoor bedoelde zin" verwijzen immers naar hetgeen de
rechtbank in rov. 5.1 in navolging van het arrest van 12 november 1993
heeft overwogen. Met "ontstond in de hiervoor bedoelde zin" wordt dus
bedoeld: ontstond voor zover het gaat om de vraag of sprake is van een
boedelschuld.
4.4.3 De klacht van onderdeel 1c faalt omdat zij ten onrechte tot
uitgangspunt neemt dat het voor de beantwoording van de in deze zaak
aan de orde zijnde vraag verschil maakt of de opzegging door de
curator al dan niet het enige rechtsfeit is dat het ontstaan van de
verplichting tot ontruiming heeft veroorzaakt.
4.4.4 De klacht onder 1d treft geen doel omdat de rechtbank met
juistheid heeft geoordeeld dat - zoals zij heeft afgeleid uit
meergenoemd arrest van 12 november 1993 - voor de beantwoording van de
vraag of een verplichting als de onderhavige kan worden gekwalificeerd
als boedelschuld niet mede betekenis toekomt aan de aard of omvang
daarvan.
4.5 Onderdeel 2 vormt in wezen een herhaling van onderdeel 1a en
strandt derhalve eveneens op de hiervoor in 4.4.1 vermelde grond.
4.6 Hetzelfde geldt voor onderdeel 3 voor zover daarin wordt betoogd
dat de daarin genoemde, ook reeds in de onderdelen 1a en 2 aan de orde
gestelde, "kenmerken" ertoe leiden dat het oordeel dat van een
boedelschuld sprake is onbegrijpelijk is, althans geen steun vindt in
het recht, althans onvoldoende is gemotiveerd. Bij dit betoog wordt
overigens uit het oog verloren dat een rechtsoordeel niet met een
motiveringsklacht kan worden bestreden. Voor zover het onderdeel
voorts klaagt dat de rechtbank bij genoemd oordeel uit het oog heeft
verloren dat de ontruimingsverplichting een verplichting is die
voortvloeit uit een contractuele relatie en dat voor die verplichting
geldt dat vanaf het aangaan van de huurovereenkomst vaststaat dat zij
ooit zal moeten worden nagekomen, voldoet het niet aan de ingevolge
art. 407 lid 2 Rv. daaraan te stellen eisen. Het onderdeel laat immers
onvermeld welk verschil een en ander zou maken voor de beantwoording
van de vraag of sprake is van een boedelschuld, terwijl zulks ook niet
zonder meer duidelijk is.
4.7 Onderdeel 4 voegt geen nieuwe gezichtspunten toe aan hetgeen in de
eerdere, ongegrond bevonden klachten naar voren is gebracht en faalt
derhalve eveneens.
4.8 Onderdeel 5 heeft betrekking op de zin in rov. 5.2 luidende:
"Daaraan doet niet af hetgeen de Curator op dit onderdeel als verweer
heeft aangevoerd." Het onderdeel klaagt op dit punt over
onbegrijpelijkheid, althans onvoldoende motivering omdat de rechtbank
niet duidelijk maakt op welke verweren zij doelt en zulks ook uit de
context onvoldoende valt op te maken. Ook dit onderdeel wordt
tevergeefs voorgesteld. Uit de in rov. 4 vermelde stellingen, bezien
in samenhang met het vervolg van rov. 5.2, blijkt immers voldoende
duidelijk welke verweren de rechtbank hier op het oog heeft.
4.9 De kern van onderdeel 6, welk onderdeel gericht is tegen de
overweging van de rechtbank luidende: "De Curator miskent dat in het
algemeen - en zo ook in dit geval - ten tijde van de
faillietverklaring niet vast staat of en wanneer de curator de
huurovereenkomst zal opzeggen.", wordt gevormd door de stelling dat
voor de beantwoording van de vraag of de ontruimingsverplichting een
boedelschuld is niet relevant is wanneer de opzegging plaatsvindt en
derhalve evenmin of opzegging plaatsvindt door de curator tijdens
faillissement. Die stelling is evenwel blijkens hetgeen hiervoor in
4.3 is overwogen onjuist, zodat ook dit onderdeel moet worden
verworpen.
4.10 De onderdelen 7 en 8 kunnen wegens gemis aan belang niet tot
cassatie leiden. Gegrondbevinding daarvan zou niet kunnen afdoen aan
de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat van een boedelschuld
sprake is.
4.11 Ook onderdeel 9 stuit af op hetgeen hiervoor in rov. 4.3 is
overwogen.
4.12 Onderdeel 10, waarin onder verwijzing naar de voorafgaande
onderdelen nog eens wordt herhaald dat de conclusie van de rechtbank
dat de boedel gehouden is tot vergoeding van de schade die Circle
Vastgoed heeft geleden als gevolg van de weigering van de curator om
het gehuurde te ontruimen onjuist is, deelt het lot van al die
onderdelen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op
deze uitspraak aan de zijde van Circle Vastgoed begroot op EUR 301,34
aan verschotten en EUR 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter,
H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C.
Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein
op 18 juni 2004.
*** Conclusie ***
Rolnummer C02/229HR
Mr. Keus
Zitting 26 maart 2004
Nadere conclusie inzake
Mr. Robert Jan VAN GALEN (als opvolger van mr. E.W.J.H. de Liagre
Böhl) in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Circle
Plastics B.V.
(zowel mr. Van Galen als mr. De Liagre Böhl worden hierna zonder
onderscheid aangeduid als: de curator)
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CIRCLE
VASTGOED B.V.
(hierna: Circle Vastgoed)
1. Inleiding
1.1In deze zaak, waarin ik op 14 november 2003 heb geconcludeerd tot
niet-ontvankelijkverklaring van de curator in het door hem ingestelde
beroep in cassatie, heeft de Hoge Raad een nadere conclusie gevraagd,
houdende een bespreking van het door de curator aangevoerde
cassatiemiddel.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 De curator heeft één cassatiemiddel voorgesteld. Het middel is in
zijn tien (als klachten aangeduide) onderdelen gericht tegen de rov.
5.1-5.3:
"5.1 In het arrest van de Hoge Raad van 12 november 1993 (mr. Frima
q.q./Blankers-van Gennip; NJ 1994, 229) is onder meer overwogen:
"De voormelde verplichting tot affinanciering is pas ontstaan door de
opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator en derhalve als
gevolg van een door de curator ten behoeve van de boedel verrichte
rechtshandeling. Dit brengt mee dat deze verplichting als een
boedelschuld moet worden aangemerkt. Dit wordt - anders dan het middel
betoogt - niet anders doordat vóór de faillietverklaring reeds de
hiervoor aangeduide rechtsverhouding (...) bestond, waarin besloten
lag dat een opzegging door de curator tot het ontstaan van de
voormelde verplichting zou leiden."
Mede gezien de conclusie van de advocaat generaal bij dat arrest en de
eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 28 september 1990 (mr. De
Ranitz q.q./de Ontvanger; NJ 1991, 305), leidt de rechtbank uit
eerstgenoemd arrest af dat een verplichting die ontstaat door de
opzegging door de curator van een overeenkomst tussen de failliet
verklaarde persoon en een derde, als boedelschuld moet worden
aangemerkt. De rechtbank ziet in het arrest geen aanknopingspunten
voor de opvatting dat de Hoge Raad voor de kwalificatie van een
dergelijke verplichting als boedelschuld mede betekenis heeft
toegekend aan de aard van de opgezegde overeenkomst of aan de aard of
omvang van de uit die opzegging voortvloeiende verplichting.
De rechtbank zal in deze zaak niet van de aldus begrepen opvatting van
de Hoge Raad afwijken.
5.2 De onderhavige verplichting tot ontruiming (niet zijnde een
verplichting tot herstel van door de huurder veroorzaakte
beschadigingen aan het gehuurde) ontstond in de hiervoor bedoelde zin
eerst nadat de Curator de huurovereenkomst met toepassing van artikel
39 Fw had opgezegd. Daaraan doet niet af hetgeen de Curator op dit
onderdeel als verweer heeft aangevoerd. De Curator miskent dat in het
algemeen - en zo ook in dit geval - ten tijde van de
faillietverklaring niet vast staat of en wanneer de curator de
huurovereenkomst zal opzeggen. Bovendien is de omvang van de
ontruimingsverplichting gedurende de looptijd van de huurovereenkomst
wisselend, immers afhankelijk van hetgeen (hoeveel en wat) zich van
tijd tot tijd in het gehuurde bevindt. Verder is van belang dat de
voortgezette aanwezigheid/opslag van zaken in het gehuurde als een
vorm van gebruik van dat gehuurde moet worden aangemerkt. (Vergelijk
artikel 101 Fw: "goederen die niet dan met nadeel voor den boedel
bewaard kunnen blijven".)
5.3 Uit het voorgaande volgt dat de Curator verplicht was om het
gehuurde te ontruimen. Nu de Curator heeft geweigerd om het gehuurde
te ontruimen, is de boedel gehouden om de schade die Circle Vastgoed
daardoor heeft geleden te vergoeden."
Inleiding
2.2 In het onderhavige geding staat het begrip boedelschuld centraal.
Alhoewel de Faillissementswet (hierna ook: Fw) het begrip wel
hanteert(1), bevat zij daarvan géén algemene omschrijving.
De memorie van toelichting bij het ontwerp van het uiteindelijke art.
28 Fw(2) stelde het begrip boedelschuld tegenover het begrip schuld
van de gefailleerde en omschreef boedelschulden als "die schulden,
welke eene onmiddellijke aanspraak op den boedel geven, welke, als
komende ten laste van de curator in zijne qualiteit, door deze
onmiddellijk uit den boedel moeten worden voldaan, zonder dat daarvoor
verificatie noodig is (...)".
Boedelschulden moeten worden onderscheiden van schulden die slechts
door aanmelding ter verificatie kunnen worden gerealiseerd en schulden
waarvoor de boedel in het geheel niet aansprakelijk is. Bij het eerste
onderscheid komt het vooral aan op het tijdstip van ontstaan van de
betrokken schuld: als uitgangspunt kan dienen dat slechts de reeds ten
tijde van de faillietverklaring bestaande schuld voor verificatie
vatbaar is, alhoewel de wet op dit uitgangspunt wel uitzonderingen
toelaat (zie in het bijzonder de art. 37a, 136 lid 2 en 299 Fw). In
verband met het tweede onderscheid (waarbij het steeds gaat om ná de
faillietverklaring ontstane schulden) laat zich uit art. 24 Fw
afleiden dat de boedel in elk geval niet aansprakelijk is voor
"verbintenissen van den schuldenaar, na de faillietverklaring
ontstaan, (...) dan voor zoverre deze (de boedel; LK) ten gevolge
daarvan is gebaat". Aldus beschouwd verlangt het begrip boedelschuld
tenminste een na de faillietverklaring ontstane schuld die hetzij door
toedoen van de curator is ontstaan, hetzij door toedoen van de
gefailleerde zelf, doch (althans) in dat laatste geval slechts voor
zover de boedel ten gevolge daarvan is gebaat.
2.3 Volgens de Hoge Raad moet een verplichting die is ontstaan als
gevolg van een door de curator ten behoeve van de boedel verrichte
rechtshandeling als boedelschuld worden aangemerkt. Ik verwijs in dit
verband naar HR 28 september 1990, NJ 1991, 305, m.nt. PvS, over een
door de vervreemding van bedrijfsmiddelen door de curator aan de
fiscus verschuldigd geworden desinvesteringsbetaling en (vooral) naar
HR 12 november 1993, NJ 1994, 229, m.nt. WMK, over de als gevolg van
de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de curator krachtens
art. 9 Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet
ontstane verplichting tot verhoging van de premievrije aanspraak van
de betrokken werkneemster tot het niveau van het evenredig
ouderdomspensioen en over de daarmee samenhangende premieplicht
(affinanciering). In de genoemde arresten ligt besloten dat aan het
karakter van boedelschuld niet afdoet dat de betrokken verplichting
mede wortelt in vóór de faillietverklaring gelegen rechtsfeiten en dat
de betrokken rechtshandeling van de curator niet primair op het
ontstaan van de betrokken verplichting was gericht; voorts speelt
blijkens de genoemde arresten geen rol of en in hoeverre de boedel bij
de betrokken rechtshandeling van de curator is gebaat. In het arrest
van 28 september 1990 overwoog de Hoge Raad:
"3.3 (...) Deze vraag (de vraag of de desinvesteringsbetaling een
boedelschuld vormt; LK) moet bevestigend worden beantwoord. In
overeenstemming met HR 22 juli 1983, BNB 1983, 288, heeft het hof
terecht overwogen dat de betreffende schuld eerst is ontstaan als
gevolg van de vervreemding van de betreffende bedrijfsmiddelen door
curatoren. (...) Daaraan doet, anders dan het onderdeel aanvoert, niet
af dat de WIR-premies waarop de desinvesteringsbetaling betrekking
heeft, door de vennootschap voor het faillissement zijn genoten, noch
ook dat de curatoren de betreffende bedrijfsmiddelen voor of namens
separatisten hebben verkocht en ter zake daarvan - geringe -
boedelbijdragen hebben ontvangen. (...)"
In het arrest van 12 november 1993 overwoog de Hoge Raad:
"3.3 (...) De voormelde verplichting tot affinanciering is pas
ontstaan door de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator
en derhalve als gevolg van een door de curator ten behoeve van de
boedel verrichte rechtshandeling. Dit brengt mee dat deze verplichting
als een boedelschuld moet worden aangemerkt.
Dit wordt - anders dan het middel betoogt - niet anders doordat vòòr
de faillietverklaring reeds de hiervoor aangeduide rechtsverhouding
tussen KGN, Blankers en Nationale Nederlanden bestond, waarin besloten
lag dat een opzegging door de curator tot het ontstaan van de
voormelde verplichting zou leiden.
Ook kan niet worden gezegd dat vòòr deze opzegging te dezer zake reeds
een verbintenis onder opschortende voorwaarde als bedoeld in art. 6:22
BW bestond, waarop overeenkomstig art. 6:26 BW de bepalingen
betreffende onvoorwaardelijke verbintenissen in beginsel reeds
toegepast konden worden en die zich op het tijdstip van de
faillietverklaring reeds voor verificatie naar de maatstaven van de
art. 129 e.v. Fw leende. Dit laat onverlet dat, zo een werknemer in
gemeenschap van goederen is gehuwd, de pensioenrechten die hij,
eventueel mede wegens een later uitgevoerde affinanciering als
hiervoor bedoeld, geacht moet worden te hebben opgebouwd over de
periode vòòr de ontbinding van deze gemeenschap, als voorwaardelijke
vorderingsrechten moeten worden beschouwd die als zodanig bij de
verdeling van die gemeenschap op de voet van HR 27 nov. 1981, NJ 1982,
503, in aanmerking moeten worden genomen."
2.4 Het bestreden vonnis sluit zó nauw op de genoemde rechtspraak van
de Hoge Raad - en meer in het bijzonder op het arrest van 12 november
1993 - aan, dat de toepassing die de rechtbank in de onderhavige zaak
aan die rechtspraak heeft gegeven, al kort na het arrest van 12
november 1993 werd voorspeld. Al in april 1994 schreef A. van Hees:
"Er zijn ook andere overeenkomsten dan arbeidsovereenkomsten waarbij,
indien zij beëindigd worden, verplichtingen ontstaan. Zo is dat bij
huurovereenkomsten vrijwel steeds het geval. De huurder zal het
gehuurde na het eindigen van de huur moeten ontruimen en in de
oorspronkelijke staat aan de verhuurder moeten opleveren. Zijn ook
deze verplichtingen boedelverplichtingen als het de curator van de
huurder is die huur beëindigt? Ik vrees van wel. Met evenveel recht
als bij de verplichting tot affinanciering van pensioenaanspraken in
geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de curator, kan
men hier zeggen dat de opleveringsverplichting (in lege en
oorspronkelijke staat) pas ontstaat door de opzegging van de
huurovereenkomst en derhalve een gevolg is van een door de curator ten
behoeve van de boedel verrichte rechtshandeling als het de curator is
geweest die heeft opgezegd."(3)
Over de uitkomst dat de ontruimingsverplichting na opzegging door de
curator als boedelschuld heeft te gelden, betoonde Van Hees zich
bepaald kritisch. Van Hees wees erop dat de curator nauwelijks keus
heeft. Doorgaans zal de curator wel moeten opzeggen om een voortdurend
aanwassende en door de huurprijs gevormde boedelschuld (art. 39 lid 1
Fw) te voorkomen. Dat de curator vervolgens onbedoeld en ongewild een
door de ontruimingsverplichting gevormde boedelschuld zou oplopen,
achtte Van Hees ongewenst, mede tegen de achtergrond dat het steeds
vaker voorkomt dat de curator grote hoeveelheden chemisch afval in het
bedrijf van de failliet verklaarde (rechts-)persoon aantreft. Volgens
Van Hees zou het (met het oog op de aansprakelijkheid van de boedel
voor de ontruimingsverplichting) geen verschil mogen maken of de
curator dan wel de verhuurder de huurovereenkomst op grond van art. 39
Fw opzegt. In beide gevallen gaat het om de ("voor de opzegging van de
huur niet slechts toekomstig(e)") verplichting tot het ongedaan maken
van een situatie die reeds bij het begin van het faillissement
bestond. "Houdt (zo verzuchtte Van Hees aan het slot van zijn artikel)
de Hoge Raad vast aan de lijn uitgezet in het hier besproken arrest
(het arrest van 12 november 1993; LK), dan zullen curatoren spoedig
het opmaken van een uitdelingslijst verleren."
2.5 In zijn kritiek op de door de Hoge Raad bij de afbakening van het
begrip boedelschuld uitgezette lijnen staat Van Hees niet alleen(4).
In de literatuur, waarin de boedelschuld doorgaans wordt voorgesteld
als een uitzondering op het uitgangspunt dat de boedel niet
aansprakelijk is voor na de faillietverklaring ontstane vorderingen en
als een doorbreking van de wettelijke rangorde van schuldeisers (art.
3:277 BW), overheerst de opvatting dat, buiten het geval dat een
bepaalde schuld krachtens de wet als boedelschuld geldt(5),
terughoudendheid in het aannemen van boedelschulden past. In het
bijzonder in het geval dat de betrokken verplichting verband houdt met
een ten tijde van de faillietverklaring reeds bestaande
rechtsverhouding, wordt het enkele toedoen van de curator in het
ontstaan daarvan als onvoldoende grond voor een kwalificatie als
boedelschuld aangemerkt. Over de vraag aan welke bijkomende
voorwaarden zou moeten worden voldaan vooraleer een dergelijke
verplichting als boedelschuld kan gelden, bestaat echter geen
overeenstemming.
Van Galen (de faillissementscurator in de onderhavige zaak) heeft met
het oog op de vatbaarheid voor verificatie van vorderingen die niet
direct "volwaardig" zijn (Van Galen doelt daarmee op vorderingen die
in potentie uit een bestaande rechtsverhouding voortvloeien maar
waarvan de omvang en de opeisbaarheid van toekomstige onzekere
gebeurtenissen afhangen) een relatief ontstaanscriterium verdedigd, op
grond waarvan dergelijke vorderingen, ondanks het feit dat zij eerst
ten gevolge van een actief handelen van de curator "volwaardig"
worden, kunnen worden geacht reeds ten tijde van de faillietverklaring
te hebben bestaan (en derhalve ter verificatie kunnen worden
aangemeld), als materiële verschuldigdheid en omvang van de schuld in
overwegende mate zijn bepaald door rechtsfeiten die zich vóór de
faillietverklaring hebben voorgedaan(6).
Ook Boekraad kent betekenis toe aan de vraag of de betrokken
verplichting haar materiële grondslag voornamelijk vindt in
rechtsfeiten waarin de schuldenaar vóór het faillissement de hand
heeft gehad. Anders dan Van Galen verbindt Boekraad aan het bestaan
van een dergelijke grondslag echter niet een verschuiving van het
moment van ontstaan van de betrokken vordering; dat de betrokken
vordering bij het bestaan van een materiële grondslag die voornamelijk
in vóór het faillissement door de schuldenaar teweeg gebrachte
rechtsfeiten is gelegen, zich voor verificatie leent, baseert Boekraad
vooral op de ruimte die de Faillissementswet (blijkens de art. 37a,
136 lid 2 en 299) zou bieden voor een verificatie van vorderingen die
eerst na de faillietverklaring zijn ontstaan, maar uit een ten tijde
van de faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding
voortvloeien(7).
Van Eeghen, volgens wie "de boedel (wordt) 'verontreinigd' bij het
aannemen van boedelschulden terzake van bijvoorbeeld kosten verband
houdende met milieuverontreiniging voor faillissement, een
affinancieringsplicht van pensioenen van de gefailleerde, en - in
minder duidelijke mate - de des-WIR-verplichting in verband met de
liquidatie van activa ten behoeve van separatisten"(8), legt een
verband met de taak van de curator en de wijze waarop deze zijn taak
uitoefent. Afgezien van de boedelschulden die voortvloeien uit de wet
en de boedelverplichtingen die door de curator zelf direct worden
aangegaan of gestand gedaan, is volgens Van Eeghen voor het ontstaan
van boedelschulden noodzakelijk dat het toedoen (inclusief nalaten)
van de curator niet behoort tot diens (behoorlijke)
taak(-uitoefening)(9).
De Werkgroep Faillissementskosten hanteert ter omschrijving van
boedelschulden een connexiteitscriterium: boedelschulden zijn hetzij
verplichtingen die het karakter van boedelschuld rechtstreeks aan een
wettelijke bepaling ontlenen, hetzij verplichtingen die door of na de
faillietverklaring zijn ontstaan en die in overwegende mate verband
houden met het beheer en de vereffening van de boedel, zodat zij aan
de boedel kunnen worden toegerekend. Bij de hantering van dit
criterium (en in het bijzonder bij de afbakening van de boedelschulden
van de prefaillissementsschulden) moeten verschillende aspecten in
aanmerking worden genomen, zoals de vraag of de verplichting materieel
uit een reeds ten tijde van het faillissement bestaande
rechtsverhouding voortvloeit en of het toekennen van het karakter van
boedelschuld niet tot een onaanvaardbare doorbreking van de paritas
creditorum leidt(10).
In die gevallen waarin een materieel reeds bestaande schuld door een
handeling van de curator wordt geformaliseerd (waarin een in de wet
reeds besloten liggende verschuldigdheid door toedoen van de curator
wordt geactiveerd), acht ook Wessels de desbetreffende rechtshandeling
van de curator een op zichzelf onvoldoende grondslag voor een
kwalificatie van de betrokken schuld als boedelschuld. Een
boedelschuld zou in een dergelijk geval slechts kunnen worden
aangenomen als zij zou passen in het stelsel van de wet of zou
aansluiten bij wel in de wet geregelde gevallen. In verband met het
eerste zou van belang zijn of de betrokken schuld uit een welbewuste
taakuitoefening van de curator voortvloeit en niet louter als een met
die taakvervulling niet beoogd nevengevolg zou zijn aan te merken. In
verband met het tweede zou van belang zijn of de betrokken schuld aan
de boedel is toe te rekenen, in die zin, dat zij de noodzakelijke
prijs vormt voor het dienen van het belang van de schuldeisers ("(d)e
'noodzaak' moet het 'nut' dienen.")(11).
2.6 In de literatuur wordt intussen onderkend dat de Hoge Raad het
belang van de rechtszekerheid bij de afwikkeling van faillissementen
heeft benadrukt. In dat verband is in het bijzonder van belang dat de
Hoge Raad een onderscheid tussen (verschillend te behandelen) schulden
dat niet op een duidelijke maatstaf is gebaseerd, van de hand heeft
gewezen op de grond dat de rechtszekerheid die bij de afwikkeling van
faillissementen is vereist, daardoor in het gedrang zou komen(12).
Wessels wijst de hiervóór (onder 2.5) omschreven opvatting van Van
Galen van de hand, in het bijzonder op de grond dat deze opvatting in
het geval van de niet direct "volwaardige" vordering tot "een
speurtocht (...) naar de specifieke ontstaanscriteria van die
'vordering'" zou nopen en zulks niet praktisch en niet strokend met de
eisen van de rechtszekerheid zou zijn. Overigens wijst Wessels erop
dat de door Van Galen verdedigde opvatting principieel met het stelsel
van bronnen van verbintenissen breekt en dat voor die opvatting
onvoldoende aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis voorhanden
zijn(13).
Kritiek is er ook op de benadering van Boekraad. De art. 37a, 136 lid
2 en 299 Fw, waarop Boekraad de door hem voorgestane oplossing van
verifieerbaarheid van bepaalde, in een reeds vóór de
faillietverklaring bestaande rechtsverhouding wortelende schulden,
ondanks het ontstaan daarvan ná de faillietverklaring, baseert, zouden
als uitzonderingen op het fixatiebeginsel(14) limitatief moeten worden
opgevat en derhalve geen ruimte voor verifieerbaarheid van niet
uitdrukkelijk daarin genoemde schulden laten(15).
Tegen de opvatting van Van Eeghen is aangevoerd dat het niet voor de
hand ligt dat de (al dan niet behoorlijke) wijze van taakvervulling
van de curator bepalend zou zijn voor de status van een door de
curator in het leven geroepen vordering van een derde, en dat zulks
ook niet in het systeem van het recht past(16). Voorts is erop gewezen
dat voor een kwalificatie van schulden, al dan niet als boedelschuld,
veeleer de "welbewustheid" dan de "behoorlijkheid" van het handelen
van de curator van belang zou zijn(17).
Bij de opvatting van Wessels teken ik aan dat daarin (anders dan in de
overige, hiervóór onder 2.5 besproken opvattingen) als mogelijke
consequentie van het niet aanvaarden van het karakter van boedelschuld
wordt aanvaard dat de betrokken, door de curator na de
faillietverklaring in het leven geroepen schuld niet slechts het
karakter van boedelschuld ontbeert, maar (als
post-faillissementsschuld) evenmin voor verificatie vatbaar is(18).
Voorts teken ik - in verband met de door de Hoge Raad bedoelde eisen
van rechtszekerheid - aan, dat ook de door Wessels verdedigde criteria
van "noodzaak" en "nut" een zekere rek blijken te vertonen, onder meer
daar waar Wessels de door hem voorgestane criteria ook voor een geval
als bedoeld in HR 5 september 1997, NJ 1998, 437, m.nt. PvS
(onverschuldigde betaling aan de boedel als gevolg van een
onmiskenbare vergissing) verdedigt en een beslissing zoals in het
genoemde arrest is vervat, met die criteria tracht te verzoenen: "In
een ruime benadering zou dit (een aan de door Wessels verdedigde
criteria beantwoordende boedelschuld; LK) kunnen worden aangenomen.
(...) De 'noodzaak' schuilt in het een derde niet opzadelen met
kosten. De derde mag niet (in de woorden van de HR) 'het slachtoffer'
worden. Een ruime benadering van 'nut' staat toe dat de kosten die de
curator maakt (restitueren bedrag) uiteindelijk niet ten laste van de
boedel komen."
2.7 De in de literatuur geuite kritiek was voor de Hoge Raad geen
aanleiding op zijn eerdere rechtspraak terug te komen, alhoewel de
zaak die leidde tot het arrest van 3 december 1999, NJ 2000, 53, m.nt.
PvS, daartoe naar mijn mening wel gelegenheid bood. Weliswaar betrof
die zaak de als loon aan te merken aanspraak op een uitkering in geld
voor niet genoten vakantiedagen en vloeit reeds uit de wet (art. 40
lid 2 Fw) voort dat "van de dag der faillietverklaring af het loon
(...) boedelschuld (is)". Bij de beantwoording van de vraag of voor de
"datering" van de betrokken aanspraak de beëindiging van de
dienstbetrekking door de curator dan wel de vóór de faillietverklaring
gelegen opbouw van de betrokken vakantieaanspraken beslissend is,
speelt naar mijn mening echter exact hetzelfde dilemma als bij de
kwalificatie van een door de curator geactiveerde maar goeddeels uit
vóór het faillissement gelegen rechtsfeiten voortvloeiende
verschuldigdheid. De Hoge Raad kende aan (het tijdstip van) de
beëindigingshandeling doorslaggevende betekenis toe:
"3.4 (...) De aan het einde van de dienstbetrekking voor het recht op
vakantie in de plaats komende aanspraak op een uitkering in geld
behoort als loon in de zin van de art. 7A:1638 en 7A:1638q (oud) BW
(thans art.7:616 onderscheidenlijk 7:625) te worden aangemerkt (HR 6
maart 1998, nr. 16550, NJ 1998, 527). Het begrip loon in de zin van
art. 40 lid 4 F. wijkt, getuige ook de geschiedenis van deze wet, niet
af van het begrip loon in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge
art. 40 lid 4 F. vormt een zodanige uitkering derhalve van de dag der
faillietverklaring af een boedelschuld. De aanspraak op die uitkering
ontstaat, ongeacht of deze betrekking heeft op vakantieaanspraken
opgebouwd vóór de dag der faillietverklaring dan wel op nadien
opgebouwde aanspraken, eerst bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst. Nu die beëindiging hier heeft plaatsgevonden na
de dag der faillietverklaring, is de uitkering in geld niet slechts
boedelschuld voorzover zij betrekking heeft op vakantieaanspraken
opgebouwd vanaf die dag, zoals de Rechtbank heeft geoordeeld, maar in
haar geheel."
2.8 De rechtspraak van de Hoge Raad is pertinent, terwijl de Hoge Raad
daaraan heeft vastgehouden ondanks de in de literatuur geuite kritiek.
Dat doet aan die (vanuit de rechtspraktijk gevoede) kritiek, hierop
neerkomende dat in situaties als de onderhavige een ten tijde van de
faillietverklaring reeds bestaand probleem zonder goede
rechtvaardiging ten laste van de faillissementscrediteuren wordt
opgelost, op zichzelf uiteraard niet af, alhoewel ten aanzien van die
kritiek mijns inziens wel enige relativering past. Zie ik het wel, dan
zal ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad een "toedoen" van de
curator (niet in verband met alle, ten tijde van de faillietverklaring
reeds bestaande wederkerige overeenkomsten, maar) vooral in verband
met huur- en arbeidsovereenkomsten tot (door de curator) "onbedoelde"
boedelschulden kunnen leiden, en wel als gevolg van de opzegging door
de curator, die op grond van art. 39 lid 1 respectievelijk art. 40 lid
1 Fw is vereist, als de curator de boedel (verder oplopende)
boedelschulden, gevormd door de huurprijs respectievelijk het loon en
de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden, wil
besparen. Andere, vóór de faillietverklaring door de schuldenaar
aangegane wederkerige overeenkomsten binden de curator slechts, voor
zover deze zich tot gestanddoening bereid verklaart; vorderingen van
de wederpartij van de schuldenaar, voortvloeiend uit ontbinding of
vernietiging van zulke overeenkomsten, moeten krachtens de wet (niet
als boedelschulden maar) als (verifieerbare) faillissementsschulden
worden aangemerkt (art. 37 jo art. 37a Fw). Hoe begrijpelijk de zorg
voor aantasting van het voor de (concurrente)
faillissementscrediteuren beschikbare deel van de boedel ook is, ik
kan mij eerlijk gezegd niet voorstellen dat juist de als gevolg van
een door de curator noodzakelijk geachte opzegging van huur- of
arbeidsovereenkomst te aanvaarden boedelschulden (in de woorden van
Van Hees(19):) de curator het opmaken van een uitdelingslijst zouden
doen verleren. Voorts moet - meer in het algemeen - worden bedacht dat
het fixatiebeginsel ook in andere opzichten tot een ogenschijnlijk
willekeurig onderscheid in de behandeling van vorderingen kan leiden.
Zo kan de vraag rijzen, op welke andere grond dan die van het
fixatiebeginsel zèlf is gerechtvaardigd dat de crediteur die bij
vergissing onverschuldigd heeft betaald, afhankelijk van het louter
toevallige moment waarop zijn betaling is ontvangen, zijn aanspraak op
terugbetaling als faillissementsschuld ziet verzanden, dan wel als
boedelschuld volledig en bij voorrang uit de failliete boedel
gehonoreerd ziet(20).
Hoe breed gedragen de kritiek op de rechtspraak van de Hoge Raad over
de afbakening van de categorie boedelschulden ook is, een eenduidig en
binnen de wet passend alternatief wordt vanuit de literatuur niet
aangereikt. Ik vraag mij ook af of een dergelijk alternatief
voorhanden is. Een schuld is ofwel een (verifieerbare)
faillissementsschuld, ofwel een boedelschuld, ofwel een
niet-verifieerbare postfaillissementsschuld. Aanvaardt men de uit de
rechtspraak van de Hoge Raad voortvloeiende kwalificatie als
boedelschuld niet, dan heeft de betrokken schuld ofwel als een
faillissementsschuld, ofwel als een niet-verifieerbare
postfaillissementsschuld te gelden. Doorgaans wordt het eerste
verdedigd, kennelijk om te voorkomen dat de betrokken crediteur
(huurder of werknemer) met lege handen (een niet-verifieerbare schuld)
blijft staan. Dat de (beschouwd naar haar ontstaansmoment:
postfaillissements)schuld (niettemin) voor verificatie vatbaar zou
zijn, wordt op uiteenlopende wijzen onderbouwd, waarbij géén van die
onderbouwingen (het relatieve ontstaanscriterium van Van Galen, het
door Boekraad verdedigde, niet uitputtende karakter van de bepalingen
van de Faillissementswet op grond waarvan bepaalde, na de
faillietverklaring ontstane schulden voor verificatie vatbaar zijn)
zonder (naar mijn mening:) terechte kritiek is gebleven. Als
consequentie van het afwijzen van de opvatting van de Hoge Raad is
(met name door Wessels) ook wel (en naar mijn mening: terecht) onder
ogen gezien dat de betrokken schuld in het geheel niet verifieerbaar
is; een dergelijke consequentie, die naar mijn mening leidt tot een
niet minder bezwaarlijke inbreuk op de paritas creditorum, thans ten
laste van de crediteur wiens (in een reeds ten tijde van de
faillietverklaring bestaande rechtsverhouding wortelende) aanspraken
door een ten behoeve van de boedel door de curator verrichte
rechtshandeling worden "geactiveerd", komt mij niet aanvaardbaar voor.
Bij deze stand van zaken zie ik niet in waarom de Hoge Raad (alsnog)
op zijn eerdere rechtspraak zou moeten terugkomen, temeer niet, waar
die rechtspraak onmiskenbaar op het (op zichzelf onbetwiste) belang
van rechtszekerheid bij de afwikkeling van de failliete boedel steunt
en het daarin ontwikkelde criterium naar mijn mening, méér dan de in
de literatuur gesuggereerde alternatieven, aan de in dat verband te
stellen eisen voldoet.
Het is tegen deze achtergrond dat ik de onderdelen van het door de
curator voorgestelde middel van cassatie kort de revue zal laten
passeren.
2.9 Onderdeel 1 klaagt over de opvatting van de rechtbank dat
verplichtingen die door de opzegging door de curator van een
overeenkomst tussen de schuldenaar en een derde ontstaan, als
boedelschuld moeten worden aangemerkt. In het licht van de rechtspraak
van de Hoge Raad, waarbij de rechtbank blijkens de slotzin van rov.
5.1 uitdrukkelijk heeft beoogd aan te sluiten, acht ik de bestreden
opvatting echter juist; daarbij teken ik nog aan dat de verwijzing
door de rechtbank naar de rechtspraak van de Hoge Raad en het in rov.
5.1 opgenomen citaat uit het arrest van 12 november 1993 mede het
oordeel impliceren dat de opzegging door de curator als een ten
behoeve van de boedel verrichte rechtshandeling moet worden
aangemerkt.
De rechtsklacht onder a faalt, omdat (anders dan onder i betoogd) een
voor haar ontstaan van een door de curator te verrichten
rechtshandeling afhankelijke verschuldigdheid zich niet op één lijn
laat stellen met een voor verificatie vatbare vordering onder
opschortende voorwaarde of tijdsbepaling(21) en omdat (anders dan
onder ii-iv betoogd) de omstandigheid dat een eerst door een
rechtshandeling van de curator in het leven geroepen verschuldigdheid
in meerdere of mindere mate in een ten tijde van de faillietverklaring
reeds bestaande rechtsverhouding wortelt, aan het
postfaillissementskarakter van de betrokken verschuldigdheid niet kan
afdoen(22).
De motiveringsklacht onder b faalt, omdat geenszins onbegrijpelijk is
wat de rechtbank in rov. 5.2 met een ontstaan van de betrokken
verplichting "in de hiervoor bedoelde zin" heeft bedoeld. Daarmee
heeft de rechtbank niet anders bedoeld dan het voor de "datering" van
de betrokken verplichting (en voor de kwalificatie daarvan als
faillissements- dan wel als boedelschuld) beslissende rechtsfeit.
De motiveringsklacht onder c kan niet tot cassatie leiden, omdat de
daaraan ten grondslag gelegde veronderstelling dat het voor de
kwalificatie van de betrokken verplichting als faillissements- dan wel
als boedelschuld verschil zou maken of de opzegging van de curator al
dan niet als enige rechtsfeit aan het ontstaan van de verplichting
heeft bijgedragen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
Dat de rechtbank, door betekenis te ontzeggen aan de aard en omvang
van de uit de (ten behoeve van de boedel verrichte) opzegging
voortvloeiende verplichting, van een onjuiste rechtsopvatting zou
hebben blijk gegeven (de rechtsklacht onder d), kan in het licht van
de rechtspraak van de Hoge Raad evenmin worden aanvaard(23).
2.10 Onderdeel 2, dat voorbouwt op de in het eerste onderdeel vervatte
klachten, klaagt over het (rechts)oordeel van de rechtbank dat de
betrokken verplichting eerst door opzegging door de curator van de
huurovereenkomst met toepassing van art. 39 lid 1 Fw is ontstaan.
Onderdeel 2 faalt op dezelfde gronden als de rechtsklachten van het
eerste onderdeel. Voor zover onderdeel 2 over de motivering van het
bestreden rechtsoordeel klaagt, geldt dat tegen een rechtsoordeel niet
met een motiveringsklacht kan worden opgekomen.
2.11 Onderdeel 3 betoogt dat sprake zou zijn van een relevant verschil
tussen de onderhavige zaak, waarin de ontruimingsverplichting uit een
contractuele relatie zou voortvloeien, en de door de Hoge Raad
besliste zaken, waarin de betrokken verplichtingen rechtstreeks door
de wet aan een door de curator verrichte rechtshandeling zouden zijn
gekoppeld. Voorts betoogt het onderdeel dat er in zoverre verschil is,
dat, anders dan ten aanzien van een desinvesteringsbetaling en een
affinanciering van een pensioen geldt, ten aanzien van de
ontruimingsverplichting van stonde af aan vaststaat dat deze ooit zal
moeten worden nagekomen.
Daargelaten dat het eerste, door het onderdeel bedoelde verschil mij
betrekkelijk relatief lijkt (zo haakten ook de wettelijke
voorschriften die in het arrest van 12 november 1993 aan de orde
waren, aan bij een contractueel geaarde relatie, te weten een
bepaalde, door de werkgever gedane pensioentoezegging, terwijl
anderzijds de contractuele ontruimingsverplichting steun in de wet
niet kan worden ontzegd - vergelijk art. 7A:1599 (oud) BW -), meen ik
dat er geen enkel aanknopingspunt is voor de opvatting dat - behoudens
het geval waarin een bepaalde schuld krachtens de wet als boedelschuld
heeft te gelden - bij de kwalificatie van een schuld als boedelschuld
ook maar enig gewicht in de schaal zou leggen in hoeverre de
betrokken, door de curator in het leven geroepen verplichting mede in
de wet wortelt. Evenmin doet mijns inziens ter zake, dat de betrokken
schuld hoe dan ook "ooit" zou ontstaan; dit laatste doet immers niet
af aan het gegeven dat het onder omstandigheden de
faillissementscurator (en niet de schuldenaar) is die de betrokken
schuld in het leven roept.
2.12 Onderdeel 4 komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het
oordeel dat een ontruimingsverplichting, die bedongen is, althans
bestaat onder de huurovereenkomst, als gevolg van een rechtshandeling
van de curator (opzegging van de huurovereenkomst) ontstaat en
(derhalve) een boedelschuld vormt. Het onderdeel miskent mijns inziens
het ook door de Hoge Raad relevant geachte verschil tussen het gegeven
dat (in de woorden van de Hoge Raad in het arrest van 12 november
1993:) "vòòr de faillietverklaring reeds de hiervoor aangeduide
rechtsverhouding (...) bestond, waarin besloten lag dat een opzegging
door de curator tot het ontstaan van de voormelde verplichting zou
leiden" en het eigenlijke (en voor de "datering" met het oog op de
kwalificatie van de betrokken verplichting als boedelschuld
beslissende) ontstaan van de verplichting. Dat de litigieuze
verplichting onlosmakelijk met het (in geval van faillissement van een
opzegging afhankelijke) einde van de huur is verbonden, is intussen in
lijn met HR 27 november 1998, NJ 1999, 380, m.nt. PAS:
"3.3. (...) Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De huurder
- die ingevolge art. 7A:1600 BW aansprakelijk is voor schade aan de
gehuurde zaak, tenzij hij bewijst dat deze niet is ontstaan door een
hem toerekenbare tekortkoming - is verplicht de zaak bij het einde van
de huurovereenkomst in goede staat terug te geven. Deze verplichting,
die niet kan worden gesplitst in een verplichting tot teruggave van de
gehuurde zaak en een eventuele verplichting die zaak in goede staat te
brengen, kan naar haar aard slechts worden nagekomen op het tijdstip
waarop de huurovereenkomst eindigt. (...)"
2.13 Onderdeel 5 klaagt over onbegrijpelijkheid van het bestreden
vonnis, waar de rechtbank in rov. 5.2 heeft overwogen dat aan haar
oordeel omtrent het tijdstip van ontstaan van de
ontruimingsverplichting "(...) niet af(doet) hetgeen de Curator op dit
onderdeel als verweer heeft aangevoerd", zonder dat zij daarbij
(voldoende) blijk heeft gegeven op welke verweren zij in de geciteerde
passage heeft gedoeld. Daargelaten dat de klacht mijns inziens
ongegrond is (uit de in rov. 4 weergegeven stellingen van de curator,
bezien in samenhang met het vervolg van rov. 5.2, blijkt mijns inziens
voldoende duidelijk op welke stellingen van de curator de rechtbank
het oog heeft gehad), zou de curator bij de geformuleerde klacht
slechts belang hebben indien (niet zou zijn uitgesloten dat) de
rechtbank als essentieel aan te merken stellingen van de curator
buiten beschouwing zou hebben gelaten. Dat dit laatste het geval zou
(kunnen) zijn, wordt echter niet - onder verwijzing naar concrete
vindplaatsen in de processtukken - geponeerd.
2.14 Onderdeel 6 bouwt voort op de onjuiste rechtsopvatting dat, met
het oog op het karakter van de ontruimingsverplichting, niet ter zake
doet wanneer de huurovereenkomst wordt opgezegd. Het onderdeel kan
daarom, evenmin als de andere onderdelen waaraan die rechtsopvatting
ten grondslag is gelegd, tot cassatie leiden. Dat, zoals het onderdeel
betoogt, de ontruimingsverplichting ooit "manifest" zal worden, neem
niet weg dat die verplichting, voor zover de curator haar met een ten
behoeve van de boedel verrichte rechtshandeling in het leven roept,
als boedelschuld heeft te gelden. Aan dat laatste doet evenmin af dat
de status van de ontruimingsverplichting (mogelijk) verschilt, al naar
gelang de curator of de verhuurder haar (door opzegging van de
huurovereenkomst) in het leven roept, en dat zulks tot een impasse in
de afwikkeling van een faillissement kan leiden, doordat, in het
bijzonder in het geval dat de opruimingskosten de verschuldigde huur
overtreffen, géén van beide partijen tot opzegging zal zijn genegen.
2.15 Onderdeel 7 keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat
"de omvang van de ontruimingsverplichting gedurende de looptijd van de
huurovereenkomst wisselend (is), immers afhankelijk van hetgeen
(hoeveel en wat) zich van tijd tot tijd in het gehuurde bevindt".
Kennelijk heeft de rechtbank zich in deze overweging afgezet tegen de
door de curator verdedigde, voortdurende en ononderbroken gelding van
een ontruimingsverplichting, met de naar mijn mening terechte
opvatting dat de inhoud van die verplichting zich slechts aan de hand
van de op een bepaald moment bestaande, feitelijke toestand laat
concretiseren. Aan deze opvatting doet mijns inziens niet af dat de
verplichting van de huurder om bij het einde van de huur te ontruimen
op zichzelf niet een wisselend (maar een onveranderlijk) gegeven is:
het gaat daarbij in wezen om het ook in het arrest van 12 november
1993 onderkende (en op zichzelf inderdaad onveranderlijke) gegeven dat
(in de woorden van de Hoge Raad:) "vòòr de faillietverklaring reeds de
hiervoor aangeduide rechtsverhouding (...) bestond, waarin besloten
lag dat een opzegging door de curator tot het ontstaan van de
voormelde verplichting zou leiden". Aan de opvatting van de rechtbank
omtrent de naar haar aard wisselende (niet onveranderlijke) omvang van
de betrokken verplichting doet naar mijn mening evenmin af dat in het
gegeven geval de feitelijke situatie in het gehuurde ten tijde van de
faillietverklaring niet aanmerkelijk van die ten tijde van de
opzegging van de huur door de curator verschilde.
2.16 Onderdeel 8 keert zich tegen de opvatting van de rechtbank dat de
aanwezigheid/opslag van zaken in het gehuurde als vorm van gebruik van
het gehuurde moet worden aangemerkt. Ik begrijp die opvatting aldus
dat naar het oordeel van de rechtbank de aanwezigheid van (bij het
einde van de huurovereenkomst te verwijderen) zaken de boedel wel
degelijk regardeerde, omdat de aanwezigheid/opslag van die zaken als
een vanaf de dag van de faillietverklaring ten laste van de boedel
komend gebruik van het gehuurde vormde.
Naar mijn mening heeft de curator bij de klachten van het onderdeel
geen belang, omdat voor het karakter van de litigieuze schuld als
boedelschuld volstaat dat deze door een ten behoeve van de boedel
verrichte rechtshandeling van de curator in het leven is geroepen en
daartoe niet noodzakelijk is dat de aanwezigheid/opslag van de te
verwijderen zaken vóór het einde van de huurovereenkomst een de boedel
regarderend gebruik van het gehuurde vormde.
Overigens treft de klacht onder a, ertoe strekkende dat sprake zou
zijn van een tegenstrijdigheid met het oordeel dat de
ontruimingsverplichting niet een onder de huurovereenkomst reeds
bestaande verplichting was, geen doel, omdat de rechtbank in rov. 5.2
niet een ontruimingsverplichting, maar slechts het gebruik van het
gehuurde vóór het einde van de huurovereenkomst op het oog heeft
gehad.
De klacht onder b, volgens welke de rechtbank zich aan een cirkel- of
drogredenering zou schuldig maken door het karakter van de
verplichting tot ontruiming als boedelschuld mede te baseren op het
feit dat de curator het landbouwplastic niet weghaalt (en aldus het
gebruik van het gehuurde voortzet), mist mijns inziens feitelijke
grondslag. In het bestreden vonnis lees ik niet dat de rechtbank het
karakter van de litigieuze schuld als boedelschuld mede op een
voortgezet gebruik van het gehuurde door de curator heeft gebaseerd.
De rechtbank heeft met de bestreden overweging kennelijk slechts
gerespondeerd op de door de curator verdedigde opvatting dat de
ontruimingsverplichting een in wezen onveranderlijke verplichting is,
die ook reeds ten tijde van de faillietverklaring gold. De rechtbank
heeft (zonder haar conclusies omtrent het karakter van de litigieuze
schuld daarop - mede - te baseren) tegen de bedoelde opvatting slechts
ingebracht, dat de rechtstoestand door de faillietverklaring ook in
zoverre is gewijzigd, dat de aanwezigheid/opslag van de bij het einde
van de huurovereenkomst te verwijderen zaken de curator althans als
een ten laste van de boedel komend gebruik van het gehuurde is gaan
regarderen.
Dat de ontruimingsverplichting een boedelschuld zou worden doordat de
curator de in het faillissement aangetroffen zaken nog enige tijd in
het gehuurde laat, heeft de rechtbank, anders dan het onderdeel onder
c veronderstelt, niet beslist, zodat het onderdeel ook in zoverre
feitelijke grondslag mist.
2.17 Onderdeel 9 klaagt over een onjuiste rechtsopvatting, die hieruit
zou blijken dat de rechtbank het bereik van het begrip boedelschulden
met het aangevochten vonnis ontoelaatbaar in strijd met het systeem
van de Faillissementswet zou hebben uitgebreid. Het onderdeel faalt op
grond van hetgeen ik hiervoor in de inleiding op de bespreking van de
onderdelen reeds heb aangevoerd. Het bestreden vonnis sluit naadloos
aan op de rechtspraak van de Hoge Raad over de afbakening van het
begrip boedelschulden.
2.18 Onderdeel 10 voegt aan de voorgaande onderdelen geen zelfstandige
klacht(en) toe en behoeft om die reden geen nadere bespreking.
3. Conclusie
Uitgaande van ontvankelijkheid van de curator in het door hem
ingestelde cassatieberoep, concludeer ik tot verwerping van dat
beroep.
De Procureur-Generaal van de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Zie art. 15d lid 1 onder b, art. 16 lid 1, art. 28 lid 3, art. 39
lid 1, art. 40 lid 2, art. 238 lid 2, art. 239 lid 3, art. 247c lid 1
onder b, art. 249 lid 1 onder 3o, art. 311 lid 3 en art. 359 lid 1
onder b Fw.
2 Zie daarvoor G.W. van der Feltz, Geschiedenis van de Wet op het
Faillissement en de Surséance van Betaling, eerste deel (1896), p.
384.
3 A. van Hees, Ontruimingsverplichting bij de opzegging van een
huurovereenkomst door de curator van een failliete huurder
boedelschuld?, Nieuwsbrief BW 1994/4, p. 38-40, in het bijzonder p.
39.
4 Zie onder meer W.J.M. van Andel, Jurisprudentie inzake
boedelschulden: wanneer keert de wal het schip?, JORplus 2003, p.
34-44, in het bijzonder p. 34. Volgens Van Andel, die spreekt van een
breed gedragen onvrede, heeft de jurisprudentie van de Hoge Raad van
het afgelopen decennium over de vraag wanneer van een boedelschuld
sprake is, noch in de literatuur, noch in de rechtspraktijk bijval van
betekenis gekregen.
5 Daaronder begrijp ik mede het in art. 24 Fw bedoelde geval dat de
boedel ten gevolge van een verbintenis van de schuldenaar die na de
faillietverklaring is ontstaan, is gebaat; vgl. HR 12 mei 1992, NJ
1992, 630.
6 R.J. van Galen, Drie typen schulden bij faillissement (I en II),
WPNR 96/6225 en 96/6226, in het bijzonder p. 394 (over de niet direct
"volwaardige" vorderingen) en p. 416 (voor het voorgestelde
ontstaanscriterium).
7 G.A.J. Boekraad, Afwikkeling van de faillissementsboedel (1997), p.
17 e.v., p. 52-54 en (toegespitst op de ontruimingsverplichting na
opzegging van de huurovereenkomst door de curator) p. 79/80. Boekraad
is in zijn opvatting bijgevallen door E.W.J.H. de Liagre Böhl in diens
bespreking van de dissertatie van Boekraad in RMThemis 1998, p.
374-377, in het bijzonder p. 375. Bij de opvatting van Boekraad sluit
ook de opvatting aan, die door Van Andel, a.w., p. 39/40, is
verdedigd. Van Andel bepleit toepasselijkheid van art. 37a Fw, ook
voor uit de huurovereenkomst voortvloeiende verschuldigdheden, voor
zover die verschuldigdheden niet op grond van art. 39 Fw als
boedelschuld kwalificeren.
8 L.J. van Eeghen, Boedelverontreiniging, TvI 1999/9, p. 194-204, in
het bijzonder p. 204.
9 L.J. van Eeghen, a.w., in het bijzonder p. 203.
10 Zie over het niet gepubliceerde rapport "Voorlopige conclusies van
de Werkgroep Faillissementskosten" (coproductie van de Vereniging
Insolventierecht Advocaten Insolad en het Instituut voor
Insolventierecht van de KU Nijmegen) B. Wessels, Vereffening van de
boedel (2001), p. 55-56.
11 B. Wessels, a.w., p. 56-58.
12 HR 30 juni 1995, NJ 1996, 554, m.nt. prof. mr. S.C.J.J. Kortmann,
rov. 3.9 (over een mogelijk onderscheid tussen algemene
faillissementskosten en boedelschulden); zie over de betekenis van de
eisen van de rechtszekerheid voorts HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 467,
m.nt. PvS, rov. 3.4.
13 B. Wessels, a.w., p. 53. Zie overigens ook L.J. van Eeghen, a.w.,
p. 200, die de door Van Galen voorgestelde criteria (evenals die van
Boekraad) als "ingewikkeld" aanmerkt.
14 Volgens het fixatiebeginsel moet de rechtspositie van alle bij de
boedel betrokkenen naar het moment van de faillietverklaring worden
beoordeeld; zie onder meer G.A.J. Boekraad, a.w., p. 13.
15 B. Wessels, a.w., p. 53; zie voorts S.C.J.J. Kortmann en N.E.D.
Faber, Honderd jaar Faillissementswetgeving, TvI 1996/5, p. 123-133,
in het bijzonder p.132, en F.M.J. Verstijlen, Enige beschouwingen naar
aanleiding van A.L. Leuftink, Surséance van betaling, TvI 1996/2, p.
36-43, in het bijzonder p. 38. Op p. 42 onderscheidt Verstijlen
overigens tussen de als boedelschuld aan te merken
schadevergoedingsplicht indien de curator het gehuurde na opzegging
niet ontruimd oplevert enerzijds en de verplichting tot ongedaanmaking
van door de huurder voor de faillietverklaring aangebrachte
veranderingen en beschadigingen en allerlei aan de opzegging
gekoppelde schadevergoedingsplichten anderzijds; voor de
verplichtingen van de tweede soort zou de boedel volgens Verstijlen
mogelijk in het geheel niet aansprakelijk zijn, alhoewel Verstijlen
een voorkeur voor verifieerbaarheid van de betrokken schulden
uitspreekt.
16 F.M.J. Verstijlen, Kroniek van het faillissementsrecht, NJB
2000/31, p. 1576.
17 B. Wessels a.w., p. 58.
18 B. Wessels, a.w., p. 56 ("Ik teken daarbij echter aan dat ik
begrijp dat in het rapport (het rapport "Voorlopige conclusies van de
Werkgroep Faillissementskosten"; LK) een criterium wordt aangelegd ter
onderscheiding van een schuld als boedelschuld dan wel als
pre-faillissementsschuld. Ik zou een derde kwalificatie ook mogelijk
achten: de desbetreffende gehoudenheid is een niet-verifieerbare
post-faillissementsschuld."), p. 57 ("Dergelijke vorderingen zouden
als (pre-)faillissementsschulden moeten worden afgewikkeld dan wel als
niet-verifieerbare post-faillissementsschulden geheel buiten de
boedelafwikkeling behoren te blijven.") en p. 59 ("Ook in deze
gevallen zou ik echter alleen een boedelschuld willen aannemen (en de
gehoudenheid het karakter van post-faillissementsschuld ontnemen)
indien zij voldoet aan het 'noodzaak' en 'nut' criterium.";
onderstreping toegevoegd; LK).
19 Zie hiervóór onder 2.4, slot.
20 Vgl. HR 5 september 1997, NJ 1998, 437, m.nt. PvS, waarbij ik
overigens aanteken dat ook de rechtspraak over de behandeling van
onverschuldigde betalingen tijdens faillissement, althans op het punt
van de daaruit voortvloeiende rangorde van boedelschulden, niet zonder
kritiek is gebleven; zie onder meer W.J.M. van Andel, a.w., p. 34-44,
in het bijzonder p. 40-44.
21 Zie rov. 3.3 van het arrest van 12 november 1993 en de instemmende
noot daarbij van Kleijn in de NJ: "We stuiten hier op een onderscheid,
dat omschreven zou kunnen worden als het verschil tussen enerzijds een
recht dat eerst ontstaat door het uitoefenen van een daartoe strekkend
wilsrecht en anderzijds een recht, dat afhankelijk is van een (van
buiten komende) onzekere toekomstige gebeurtenis, en daarom als een
voorwaardelijk recht te kwalificeren. In deze casus was sprake van de
eerste rechtsfiguur: de debiteur in de onderhavige rechtsverhouding
maakte gebruik van zijn bevoegdheid om de verplichting tot
affinanciering in het leven te roepen, nl. door opzegging van de
dienstbetrekking. Pas door die wilsuiting van de curator ontstond deze
verplichting en dan is er dus sprake van een boedelschuld, aldus -
terecht - de Hoge Raad."
22 Zie wederom rov. 3.3 van het arrest van 12 november 1993: "(...)
Dit wordt - anders dan het middel betoogt - niet anders doordat vòòr
de faillietverklaring reeds de hiervoor aangeduide rechtsverhouding
tussen KGN, Blankers en Nationale Nederlanden bestond, waarin besloten
lag dat een opzegging door de curator tot het ontstaan van de
voormelde verplichting zou leiden."
23 Vgl. B. Wessels, a.w., p. 58, die, ondanks het door hem voorgestane
criterium van "noodzaak" en "nut" van de betrokken verplichting,
onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht voor een limitering van de
omvang van door toedoen van de curator opgeroepen
boedelverplichtingen, in het bijzonder aan de hand van de omvang van
het voordeel voor de boedel.
Rolnummer C02/229
Mr. Keus
Zitting 14 november 2003
Conclusie inzake
mr. Robert Jan van Galen (als opvolger van mr. E.W.J.H. de Liagre
Böhl) in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Circle
Plastics B.V.
(zowel mr. Van Galen als mr. De Liagre Böhl worden hierna zonder
onderscheid aangeduid als: de curator)
tegen
CIRCLE VASTGOED B.V.
(hierna: Circle Vastgoed)
1. Feiten en procesverloop
1.1 In deze zaak, waarin de curator de huurovereenkomst tussen de
gefailleerde vennootschap Circle Plastics B.V. (hierna: Circle
Plastics) en Circle Vastgoed(1) heeft opgezegd en waarin aan de orde
is of de kosten van ontruiming van het gehuurde een boedelschuld
vormen, rijst de vraag naar de ontvankelijkheid van de curator in het
door hem ingestelde cassatieberoep.
1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(2).
(a) Na een voorlopige surséance van betaling is Circle Plastics B.V.
op 6 oktober 1998 in staat van faillissement verklaard met aanstelling
van mr. E.W.J.H. de Liagre Böhl tot curator.
(b) Op de dag waarop het faillissement werd uitgesproken, gold een
huurovereenkomst tussen Circle Vastgoed (als verhuurster) en Circle
Plastics (als huurster)(3) met betrekking tot een terrein met
opstallen te Rotterdam, Europoort. Op de faillissementsdatum was op
het gehuurde een grote hoeveelheid (5.000 ton) verontreinigd
landbouwplastic aanwezig. De oorspronkelijke opzet van de
bedrijfsvoering van Circle Plastics was dat plastic te verwerken
(recyclen) tot niet-verontreinigde plastic korrels. Bedoeld
landbouwplastic had vanwege de verontreinigde staat daarvan een
negatieve waarde, in die zin dat anderen het slechts tegen betaling
van een aanzienlijk bedrag als afval in ontvangst wilden nemen. Enige
tijd voorafgaande aan de faillissementsdatum had Circle Plastics haar
bedrijfsactiviteiten gestaakt. Die activiteiten zijn daarna niet
hervat.
(c) Korte tijd na de faillissementsdatum, althans vóór 10 november
1998 (de datum van een verslag aan de rechter-commissaris), heeft de
curator de hiervoor genoemde huurovereenkomst met toepassing van art.
39 Faillissementswet opgezegd tegen 7 januari 1999, zulks met
aankondiging van oplevering tegen 8 januari 1999(4).
(d) Vóór 10 november 1998 is de curator van overheidswege verzocht om
op het gehuurde maatregelen te nemen teneinde verontreiniging van het
milieu, afkomstig van het vervuilde landbouwplastic en meegenomen in
het daarover spoelende regenwater (percolaat), tegen te gaan. In dat
kader heeft de boedel circa fl. 15.000,- uitgegeven. PROAV N.V., een
overheidsvennootschap die indirect 80% van de aandelen in Circle
Plastics houdt, heeft verdere maatregelen getroffen, waartoe de
curator zich bereid heeft verklaard eenmalig een krediet van fl.
50.000,- te verschaffen. Dat krediet is nimmer aangesproken, althans
de desbetreffende uitgaven zijn tot een maximumbedrag van fl. 50.000,-
als boedelschuld erkend onder de voorwaarde dat het meerdere als een
ter verificatie in te dienen faillissementsschuld zal gelden. Daarbij
heeft de curator zich het recht voorbehouden om indien het meerdere
als boedelschuld wordt geclaimd, de status van de genoemde fl.
50.000,- als boedelschuld wederom ter discussie te stellen.
(e) Bij brief van 31 december 1998 heeft de curator aan Circle
Vastgoed (onder meer) geschreven:
"Aan de verplichting het terrein schoon en ontdaan van afval in de
oorspronkelijke staat terug te leveren kan de boedel niet voldoen,
omdat het daartoe aan middelen ontbreekt. Dat de boedel krachtens het
huurcontract tot schone oplevering in oorspronkelijke staat verplicht
is, staat niet ter discussie. Evenmin staat ter discussie dat de
verhuurder tot schadevergoeding gerechtigd is indien de huurder aan
genoemde verplichting niet voldoet. Wat wel tussen ons ter discussie
staat is het karakter van die schadevergoedingsplicht. Vooralsnog
stellen wij ons op het standpunt dat schending van de verplichting
geen boedelschuld, doch een faillissementsschuld oplevert."
(f) Bij brief van 8 januari 1999 heeft de curator aan Circle Vastgoed
(onder meer) geschreven:
"Dezerzijds is nooit ontkend dat het juridisch de plicht van de boedel
is het gehuurde ontruimd op te leveren. Indien die plicht niet wordt
nagekomen, staat de verhuurder in beginsel de mogelijkheid open de
nalatige huurder te dagvaarden tot nakoming of tot schadevergoeding.
Een actie tot nakoming zal niet worden toegewezen, omdat de boedel
daartoe niet de middelen heeft. (...) Wat resteert is een vordering
tot schadevergoeding, welke vordering - voorzover u zich houdt aan uw
schadebeperkingsplicht - door mij in beginsel is erkend. In dispuut is
slechts het karakter van die vordering."
(g) De curator heeft jegens Circle Vastgoed geweigerd het
landbouwplastic en het daaruit vrijkomende vervuilde percolaatwater
van het gehuurde te verwijderen. Circle Vastgoed is daarna zelf tot
verwerking / afvoer van dat plastic overgegaan. De kosten daarvan
liggen in de orde van grootte van fl. 400.000,-. De curator heeft
geweigerd die kosten als boedelschuld aan te merken en aan Circle
Vastgoed te vergoeden.
(h) De curator heeft de in het gehuurde aanwezige machines e.d. in of
na december 1998 verkocht aan BioBase B.V., zulks voor fl. 950.000,-
exclusief BTW. Een voorstel van BioBase om die machines te kopen voor
fl. 540.000,- exclusief BTW "voor de situatie waarin BioBase het
verwijderen / verwerken van het ter plaatse aanwezige plastic
verzorgt", heeft de curator verworpen.
(i) In de loop van de onderhavige procedure heeft mr. R.J. van Galen
mr. De Liagre Böhl voornoemd als curator opgevolgd.
1.3 Tegen deze achtergrond heeft Circle Vastgoed bij dagvaarding van
30 juli 2001 het onderhavige geding bij de rechtbank Rotterdam
ingeleid. Haar vordering strekte tot een verklaring voor recht dat de
schadevergoedingsvordering die voortvloeit uit de niet-nakoming van de
op de curator en de boedel rustende verplichting tot ontruiming van
het gehuurde, door de curator jegens Circle Vastgoed dient te worden
aangemerkt als boedelschuld in het kader van de afwikkeling door de
curator van het faillissement, met inachtneming van de tussen de
daarin opgekomen boedelschulden eventueel bestaande rangorde, met
veroordeling van de curator in de kosten van het geding.
De curator heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft gesteld dat de
onderhavige opruimingskosten een van vóór het faillissement daterende
faillissementsschuld vormen en geen door toedoen van de curator
ontstane boedelschuld. De materiële verschuldigdheid en omvang van de
verplichting zijn in overwegende mate bepaald door rechtsfeiten die
vóór de faillissementsdatum plaatsvonden. Bovendien is sprake van een
schuld uit een rechtsverhouding, daterend van vóór het faillissement,
die volledig opeisbaar is geworden ten gevolge van het handelen van de
curator na de faillietverklaring, welk handelen behoort tot zijn
typische taken(5), aldus de curator.
1.4 Bij vonnis van 25 april 2002 heeft de rechtbank de vordering van
Circle Vastgoed toegewezen(6).
1.5 De curator heeft tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld. Circle
Vastgoed heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is
voor partijen toegelicht door hun advocaten, waarna de curator heeft
gerepliceerd.
2. Ontvankelijkheid van het beroep
2.1 De curator heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een in eerste
aanleg gewezen vonnis van de rechtbank. In de cassatiedagvaarding,
onder 5, heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat, nu het
onderhavige geschil een huurgeschil betreft en dit geschil aanhangig
is gemaakt bij de rechtbank, tegen het vonnis van de rechtbank géén
hoger beroep heeft opengestaan (art. 39 sub 4 (oud) RO en art. 157
(oud) Rv), zodat het bestreden vonnis tevens in hoogste ressort in de
zin van art. 398 sub 1 Rv is gewezen.
2.2 Nog daargelaten of hier inderdaad van een rechtsvordering
betrekkelijk tot huur in de zin van het tot 1 januari 2002 geldende
art. 39 sub 4 RO sprake is(8), kan het standpunt van de curator naar
mijn mening niet worden aanvaard. Weliswaar bepaalde het eveneens tot
1 januari 2002 geldende art. 157 Rv dat, indien een geding dat tot de
kennisneming van de kantonrechter behoort, bij de rechtbank is
aanhangig gemaakt en de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid niet
heeft voorgesteld, de rechtbank de zaak aan zich houdt en daarin in
hoogste ressort recht spreekt, maar uit art. VII lid 2 van de Wet van
6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke
zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb.
2001, 580), vloeit voort dat ten aanzien van de mogelijkheid van het
aanwenden van rechtsmiddelen tegen het na de inwerkingtreding van die
wet totstandgekomen vonnis van de rechtbank art. 157 (oud) Rv
toepassing mist. Het genoemde art. VII bepaalt:
"1. Ten aanzien van de verdere behandeling door een kantongerecht, een
arrondissementsrechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken
die op de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn,
blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van
deze wet van toepassing.
2. Ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van
rechtsmiddelen tegen een beslissing van een kantongerecht,
arrondissementsrechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad die voor de
datum van inwerkingtreding van deze wet is tot stand gekomen en de
termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend blijft het
recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet
van toepassing.
3. In afwijking van het tweede lid kan het rechtsmiddel requeste
civiel vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet niet meer
worden aangewend. In plaats daarvan kan slechts herroeping worden
gevorderd overeenkomstig de tiende titel van het Eerste Boek van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals deze vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet luidt."
De toelichting op art. VII luidt:
"Als op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet bijvoorbeeld
een rechtbank vonnis wijst in een civiele zaak die voor die datum
aanhangig was gemaakt, is dat vonnis tot stand gekomen met toepassing
van het oude procesrecht, maar is vervolgens op een eventuele volgende
instantie het nieuwe recht van toepassing.
Het tweede lid bepaalt dat ook voor de mogelijkheid van het aanwenden
van rechtsmiddelen tegen beslissingen van voor de inwerkingtreding van
de wet en de toepasselijke termijnen het oude recht geldt. Uit artikel
VII, eerste lid, volgt dat als het rechtsmiddel wordt aangewend voor
die datum het oude procesrecht van toepassing blijft, en a contrario
dat als het rechtsmiddel wordt aangewend op of na die datum het nieuwe
procesrecht van toepassing is.
Het derde lid bevat een afzonderlijke bepaling ten aanzien van het
rechtsmiddel requeste civiel. Dat rechtsmiddel komt in het nieuwe
stelsel niet meer voor en is vervangen door het rechtsmiddel
herroeping. Daarom is eerbiedigende werking hier niet op haar
plaats."(9)
Alhoewel de gevolgtrekking a contrario in de laatste volzin van de
tweede alinea van de geciteerde passage slechts betrekking heeft op de
(in art. VII lid 1 geregelde) kwestie welk procesrecht de (verdere)
behandeling van een zaak beheerst, kan ook uit art. VII lid 2 niet
anders worden afgeleid dan dat ten aanzien van de mogelijkheid van het
aanwenden van rechtsmiddelen tegen op of na de datum van
inwerkingtreding van het herziene procesrecht totstandgekomen
beslissingen (en ten aanzien van de daarvoor geldende termijnen) niet
het oude, maar het nieuwe procesrecht van toepassing is(10). Overigens
bevestigt de op het derde lid gegeven toelichting dat het tweede lid
in eerbiedigende werking voorziet en dat, daar waar eerbiedigende
werking ontbreekt, van onverkorte gelding van het nieuwe procesrecht
moet worden uitgegaan.
2.3 Een bepaling als die van art. 157 (oud) Rv ontbreekt in het per 1
januari 2002 geldende procesrecht. Er is ook overigens geen grond om
aan te nemen dat naar het herziene procesrecht hoger beroep tegen het
bestreden vonnis niet heeft opengestaan. Daarbij neem ik mede in
aanmerking dat de curator zich niet op het standpunt heeft gesteld (en
dat ook niet is gebleken) dat sprake is van een overeenkomst in de zin
van art. 333 of art. 398 sub 2 Rv. De curator kan derhalve niet in het
door hem ingestelde beroep in cassatie worden ontvangen.
2.4 Uit de stukken blijkt niet of de curator, naast het onderhavige
beroep in cassatie, hoger beroep tegen het bestreden vonnis heeft
ingesteld. Zou dit laatste niet het geval zijn, dan zou dit de weg
naar de appelrechter overigens niet afsnijden. Art. 340 Rv voorziet er
immers in dat de termijn van beroep van het bestreden vonnis opnieuw
aanvangt, te rekenen van de dag van de uitspraak in cassatie.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de curator in
het door hem ingestelde beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Volgens de schriftelijke toelichting (p. 1) van mr. Van Staden ten
Brink hebben Circle Vastgoed B.V. (gevestigd te Monster) en Circle
Plastics B.V. (gevestigd te Bergschenhoek) slechts een bestanddeel van
de naam met elkaar gemeen en zijn zij niet in enig opzicht met elkaar
verbonden.
2 Zie de rov. 2.1-2.9 van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25
april 2002.
3 Geen van beide partijen heeft (een kopie van) de huurovereenkomst
overgelegd.
4 Geen van beide partijen heeft (een kopie van) de opzegging
overgelegd.
5 Zie rov. 4 van het bestreden vonnis.
6 Het vonnis is gepubliceerd in JOR 2002, 146, m.nt. G.A.J. Boekraad.
7 Het vonnis is gewezen op 25 april 2002, de cassatiedagvaarding is
uitgebracht op 24 juli 2002.
8 Ik neig tot een positieve beantwoording van die vraag, gelet op de
ruime uitleg die onder meer blijkens HR 16 november 2001, NJ 2002,
400, m.nt. HJS, aan de door art. 39 (oud) RO aan de kantonrechter
gegeven bevoegdheid moest worden gegeven.
9 A.I.M. van Mierlo / F.M. Bart, Parlementaire geschiedenis herziening
van het burgerlijk procesrecht voor burgerlijke zaken, in het
bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (2002), p. 742.
10 In die zin ook HR 10 oktober 2003, RvdW 2003, 160, rov. 3.2, tweede
volzin.