Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AP1852 Zaaknr: C02/273HR


Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage Datum uitspraak: 18-06-2004
Datum publicatie: 18-06-2004
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: cassatie

18 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C02/273HR
JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

,
wonende te ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,

t e g e n


1. ,
wonende te , België,

2. ,
wonende te ,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.


1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: - en twee zussen van haar hebben bij twee exploten van 3 en 5 juli 2001 verweerders in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: en
- in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) en hoofdelijk, des dat als de een aan de veroordeling voldoet de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om binnen zeven dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis de in de dagvaarding bedoelde prefabgarage te verwijderen van het perceel Woensdrecht sectie nummer ;

2) en te veroordelen om zich in de toekomst te onthouden van a) zowel enige belemmering van de toegang tot de boerderij via de oprit op enig gedeelte van het perceel kadastraal bekend Woensdrecht , als van b) elke ingreep in dat perceel, waardoor de per 18 maart 1989 bestaande inrichting of gebruik van dat perceel zou worden gewijzigd, en
3) te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het door hem aan de gemeente Woensdrecht gedane verzoek tot het hem verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van een prefabgarage op het perceel in te trekken en om binnen dertig dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de door hem als voorschreven aangebrachte vernielingen van de oprit te herstellen zodanig dat deze in de oorspronkelijke staat zal zijn hersteld, een en ander op verbeurte van een dwangsom van f 5.000,-- per dag voor elke dag dat zij of een van hen in overtreding is of voor iedere daad die als overtreding strijdig met het in deze te wijzen vonnis moet worden aangemerkt, een en ander met hoofdelijke veroordeling van hen in de kosten van deze procedure.

en hebben de vorderingen bestreden. De president heeft bij vonnis van 13 augustus 2001 de gevorderde voorzieningen geweigerd.
Tegen dit vonnis heeft alleen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 3 juni 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen en is verstek verleend.
heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.


3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.


4. Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van en begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 juni 2004.


*** Conclusie ***

C02/273HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 9 april 2004

Conclusie inzake:

tegen


1.

2.


1. Feiten(1) en procesverloop


1.1 en verweerster in cassatie onder 1, [verweerster
1], zijn als broer en zus sinds 1967 tezamen gerechtigd in de nalatenschap van hun ouders.
Deze nalatenschap is nog steeds niet verdeeld en in dat kader zijn al diverse juridische procedures gevoerd.


1.2 Tot de onverdeelde nalatenschap behoort een boerderij, gelegen aan de te , kadastraal bekend gemeente Woensdrecht, sectie nummers .


1.3 en diens echtgenote wonen in deze boerderij althans hebben daar tot voor kort gewoond. Eiseres tot cassatie, , staat thans(2) op dit adres ingeschreven en woont daar ook, naar zij stelt, hetgeen door niet wordt betwist.


1.4 In 1991 heeft zijn onverdeeld aandeel in de nalatenschap overgedragen aan zijn vier kinderen, te weten , haar twee zussen en haar broer.


1.5 is sinds 1956 eigenaresse van de bungalow gelegen aan de , kadastraal bekend gemeente Woensdrecht, sectie nummer , welk perceel grenst aan het perceel .


1.6 heeft deze bungalow in 1956 van haar vader gekocht en heeft daar samen met haar echtgenoot gewoond. Sinds enige tijd verhuurt zij deze bungalow aan verweerder in cassatie onder 2, .


1.7 heeft omstreeks 1995 een prefabgarage op het door hem gehuurde perceel doen plaatsen. Deze garage is door eind 1999/begin 2000 binnen de kadastrale grenzen van het perceel enkele meters verplaatst.


1.8 In dezelfde periode is door een bouwvergunning voor deze garage aangevraagd, waaromtrent - voorzover uit de stukken blijkt
- nog niet onherroepelijk is beslist.


1.9 Bij inleidende dagvaardingen van 3 en 5 juli 2001 heeft (samen met haar twee zussen) respectievelijk en gedagvaard in kort geding voor de president van de arrondissementsrechtbank te Breda en gevorderd hen te veroordelen de prefabgarage te verwijderen en zich in de toekomst te onthouden van enige belemmering van de toegang tot de boerderij via de oprit en van elke ingreep in dat perceel waardoor de per 18 maart 1989 bestaande inrichting of gebruik ervan zou worden gewijzigd. Daarnaast hebben c.s. gevorderd dat wordt veroordeeld tot het intrekken van zijn verzoek voor de bouwvergunning en tot herstel van de door hem aangebrachte vernielingen van de oprit en tot het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van de oprit, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.


1.10 c.s. hebben daartoe gesteld dat de prefabgarage zich op een oprit van de boerderij bevindt.
Volgens c.s. hebben zij spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen nu de administratieve procedure met betrekking tot de vergunningsaanvrage van is gestart en verhinderd moet worden dat aan de zich thans voordoende onrechtmatige situatie een permanent karakter wordt gegeven door verlening van een vergunning door de gemeente.


1.11 en hebben gemotiveerd verweer gevoerd.
Bij vonnis van 13 augustus 2001 heeft de president van de rechtbank de gevorderde voorzieningen geweigerd.


1.12 is (zonder haar twee zussen) op 27 augustus 2001 van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, onder aanvoering van een viertal grieven. en hebben primair de ontvankelijkheid van in haar hoger beroep bestreden en subsidiair inhoudelijk verweer gevoerd.
Het hof heeft bij arrest van 3 juni 2002 het vonnis van de president, onder verbetering van gronden, bekrachtigd.


1.13 heeft tijdig(3) beroep in cassatie tegen het arrest van het hof ingesteld. en zijn in cassatie niet verschenen(4). heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.


2. Bespreking van de cassatiemiddelen


2.1 heeft twee cassatiemiddelen gericht tegen de oordelen van het hof onder 4.7.3 en 4.8 van zijn arrest. Voor een goed begrip van de zaak zijn de volgende rechtsoverwegingen van belang:

"4.7. Grief II en III lenen zich voor gezamenlijke behandeling nu deze beide betrekking hebben op de vraag of terecht aanspraak maakt op het gebruik van de litigieuze strook grond van het perceel van . Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.7.1. heeft ter onderbouwing van haar standpunt een beroep gedaan op een kortgeding-vonnis van 7 april 1989. (...)

(...).

4.7.3. Geheel ten overvloede merkt het hof op voorbij te gaan aan het proces-verbaal van het getuigenverhoor, zoals in een andere procedure door afgelegd, nog afgezien van het feit dat voormeld proces-verbaal in deze procedure volstrekt tardief in het geding is gebracht. Uit voormelde verklaring blijkt geenszins, zoals betoogt, dat de bungalow in het kader van de nalatenschap heeft verkregen. Weliswaar verklaart zij zulks, maar daarmee bedoelt zij, zo begrijp het hof, niet dat zij de bungalow onder algemene titel heeft verkregen. Zij verklaart immers eveneens dat zij de bungalow van haar van haar vader heeft gekocht en in de procedure waarin zij de desbetreffende verklaring heeft afgelegd, was volgens juist ten bewijze opgedragen dat de koopsom niet zou zijn voldaan. Het ging aldaar dus ook om een verkrijging onder bijzondere titel, niet om een verkrijging onder algemene titel.

4.7.4. Voorts beroept zich op een stelling van [verweerster
1] in de dagvaarding van voormeld kort geding. (...)


4.7.5. Uit de gedingstukken van voormeld kort geding blijkt echter op geen enkele wijze dat zich op een recht van weg op voormelde strook grond beroept. Integendeel. (...)


4.7.6. Het hof is dan ook van oordeel dat het bestaan van het door gepretendeerde gebruiksrecht van weg op voormelde strook grond geenszins aannemelijk is gemaakt, en dat voorts, in het licht van het dictum van het kort-gedingvonnis van 1989, aan dat vonnis geen gebruiksrecht van kan worden ontleend op de bewuste strook grond op het perceelsgedeelte B. Nu in het kader van een kort geding voor nadere bewijsvoering geen plaats is, moet het er thans voor worden gehouden dat geen gebruiksrecht van weg op de litigieuze strook grond toekomt. Haar vordering tot verwijdering van de prefabgarage dient op die grond dan ook te worden afgewezen.


4.8. Nu de grieven II en III niet slagen, is het belang aan grief IV komen te ontvallen en behoeft deze om die reden geen bespreking meer."


2.2 Het eerste cassatiemiddel komt in twee onderdelen op tegen rechtsoverweging 4.7.3.
Volgens onderdeel 1a heeft het hof met zijn oordeel dat het een door een partij overgelegd proces-verbaal van getuigenverhoor mede terzijde legt "omdat het afkomstig is uit een andere procedure", miskend dat het proces-verbaal een authentieke akte is als bedoeld in art. 156 lid
2 Rv.(5) en dat het feit dat het uit een andere procedure afkomstig is, geen (deel van een) reden kan vormen om zulk bewijsmateriaal terzijde te leggen. Onderdeel 1b betoogt onder meer dat de combinatie van de twee andere afwijzingsgronden de overweging van het hof innerlijk tegenstrijdig maakt.


2.3 Het middel faalt omdat het is gericht tegen een overweging ten overvloede.
Het hof heeft in cassatie onbestreden onder 4.1 vastgesteld dat de bungalow, die zij met haar echtgenoot heeft bewoond, in 1956 van haar vader heeft "gekocht" en dus onder bijzondere titel heeft verkregen. Daarmee behoefde het hof de stelling van dat uit de verklaring van in het proces-verbaal van het getuigenverhoor zou blijken dat zij indertijd de bungalow in het kader van de nalatenschap (onder algemene titel) zou hebben verkregen, niet meer te beoordelen. Het toch bespreken van deze stelling van in rechtsoverweging 4.7.3 was voor het hof derhalve terecht "geheel ten overvloede".


2.4 Daarnaast mist onderdeel 1a feitelijke grondslag. Het hof heeft het proces-verbaal van het getuigenverhoor niet terzijde gelegd omdat het afkomstig was uit een andere procedure, maar op twee andere gronden. Het hof is allereerst van oordeel dat het stuk in deze procedure volstrekt tardief in het geding is gebracht (formele grond). De tweede (inhoudelijke) grond is dat het betoog van , dat de bungalow in het kader van de nalatenschap onder algemene titel had verkregen, geenszins uit de verklaring van in dat proces-verbaal kan worden afgeleid.


2.5 Het aan het hof als feitelijke rechter voorbehouden voorbijgaan aan het proces-verbaal omdat het tardief in het geding is gebracht, stond er niet aan in de weg dat het hof het betoog van tevens geheel ten overvloede inhoudelijk beoordeelde. Voor het overige behoeft onderdeel 1b geen bespreking.


2.6 Het tweede cassatiemiddel komt op tegen rechtsoverweging 4.8. Daarin heeft het hof geoordeeld dat door het falen van de tweede en derde grief, het belang is komen te ontvallen aan grief IV, zodat deze geen bespreking behoefde. Grief IV was gericht tegen het oordeel van de president van de rechtbank dat gesteld noch gebleken was dat er hinder wordt ondervonden van de prefabgarage.
Betoogd wordt dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom het hof zich bevrijd achtte van het behandelen van deze grief, nu juist de hinder die van deze garage ondervindt, de aanzet heeft gevormd tot het onderhavige kort geding.

2.7 Ook dit cassatiemiddel mist doel.
Het hof is in rechtsoverweging 4.7.6 tot de slotsom gekomen dat geen gebruiksrecht van weg toekomt op de strook grond waarop de prefabgarage zich bevindt. Bij die stand van zaken behoefde het hof niet te beoordelen of van die garage bij het gebruik van de daar bedoelde oprit hinder ondervindt. Dit oordeel, dat tot het achterwege laten van behandeling van de vierde grief leidt, is voldoende gemotiveerd.

2.8 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.


3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden

A-G


1 Zie rov. 4.1 van het arrest van het hof Den Bosch van 3 juni 2002. Zie ook rov. 3.1 van het vonnis van de president van de rechtbank Breda van 13 augustus 2001.

2 D.w.z. ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest.
3 De cassatiedagvaarding is op 29 juli 2003 uitgebracht. De cassatietermijn bedraagt acht weken (art. 402 lid 2 Rv. in verbinding met art. 339 lid 2 Rv.).

4 De verstekverlening van heeft geleid tot het interessante arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003, NJ 2003, 113 m.nt. PV.

5 Nu in deze zaak het vóór 1 januari 2002 geldende procesrecht van toepassing is, zou niet het huidige art. 156 lid 2 Rv. doch het gelijkluidende art. 183 oud Rv. gelden.