Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AP1872 Zaaknr: C03/082HR
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 18-06-2004
Datum publicatie: 18-06-2004
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: cassatie
18 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/082HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
NAAMLOZE VENNOOTSCHAP GEMENGD BEDRIJF "NEDERLANDSCHE
OMROEPZENDERMAATSCHAPPIJ" "NOZEMA",
gevestigd te 's-Gravenhage,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
t e g e n
,
wonende te ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: - heeft bij
exploot van 16 mei 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen:
Nozema - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd
bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Nozema te veroordelen tot
betaling van schadevergoeding op onteigenings- en verplaatsingsbasis
dan wel op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot
die der algehele voldoening en vermeerderd met de kosten van dit
geding en vermeerderd met de door hem gemaakte advocaatkosten ten
bedrage van f 25.000,-- exclusief BTW.
Nozema heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 november 1995 een
comparitie van partijen gelast, bij tussenvonnis van 26 maart 1997
partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in dit
vonnis geformuleerde vragen ten behoeve van een deskundigenonderzoek,
en bij twee tussenvonnissen van 20 augustus 1997 en 21 januari 1998
twee deskundigen benoemd en een aantal vragen geformuleerd. Na
deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindvonnis van 7 juli 1999
Nozema veroordeeld tot vergoeding van de door tengevolge
van door uitzending door Nozema van radiofrequente straling
veroorzaakte storingen in electrische en electronische apparatuur
geleden schade, voor zover veroorzaakt door onrechtmatig handelen van
Nozema als in rechtsoverweging 7 van dit vonnis omschreven, op te
maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en het meer of anders
gevorderde afgewezen.
Tegen de vijf hiervoor vermelde vonnissen heeft hoger
beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Nozema heeft
incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 14 november 2002 heeft het hof in het principaal appel
niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de
vonnissen van 15 november 1995, 26 maart 1997, 20 augustus 1997 en 21
januari 1998, het vonnis van 7 juli 1999 vernietigd, doch uitsluitend
voor zover in het dictum de zinsnede "voor zover veroorzaakt door
onrechtmatig handelen van Nozema als in rechtsoverweging 7 van dit
vonnis omschreven" is opgenomen en daarin toewijzing van de wettelijke
rente achterwege is gelaten, Nozema veroordeeld over de door
geleden schade wettelijke rente aan te
vergoeden vanaf 16 mei 1994, en het vonnis van 7 juli 1999 voor het
overige bekrachtigd. In het incidenteel appel heeft het hof het beroep
verworpen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Nozema beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen is verstek verleend.
Nozema heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door haar advocaat
en mr. B.T.M. van der Wiel, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot
verwerping van het beroep.
De advocaat van Nozema heeft bij brief van 9 april 2004 op die
conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) was erfpachter van een perceel grond met een woonhuis
en schuren te Zeewolde. Hij exploiteerde sedert 1984 op dit perceel
een fruitkwekerij. Hij woonde sedert 1988 met zijn gezin in het
woonhuis.
(ii) De met Rijkswaterstaat gesloten erfpachtovereenkomst bepaalde
onder meer: "De erfpachter verklaart er mede bekend te zijn dat het
erfpachtsgoed zich in de nabijheid bevindt van het
kortegolfzendstation, gelegen op de kavels Mz 6 en 7, en deze
situering alsmede de eventuele consequenties daarvan te aanvaarden."
(iii) Nozema exploiteert sinds 1985 een kortegolfzender te Zeewolde op
korte afstand van het perceel van .
(iv) De zender, bestemd voor het uitzenden van programma's voor Radio
Nederland Wereldomroep, zendt radiofrequente stralen uit.
(v) Bij deden zich van tijd tot tijd technische problemen
voor bij elektrische en elektronische apparatuur, die Nozema -
telkenmale na ontvangst van een klacht daarover - voor haar rekening
zoveel mogelijk heeft trachten te verhelpen. De storingen konden
worden beperkt door de aankoop van technisch geschikte apparatuur, al
of niet in combinatie met eenvoudige ontstoringsmaatregelen.
3.2 heeft de hiervoor in 1 vermelde vordering, strekkende
tot betaling van schadevergoeding, tegen Nozema ingesteld. Hij heeft
aangevoerd dat hij, zijn gezinsleden en werknemers als gevolg van de
straling van de zender gezondheidsproblemen hebben ondervonden en dat
de door hem gebruikte huishoudelijke en bedrijfsmatige apparatuur
regelmatig uitviel en anderszins storingen heeft gehad. Hij heeft de
exploitatie van zijn bedrijf gestaakt en zijn woning en
bedrijfsterrein verkocht. De rechtbank heeft, na deskundigenbericht te
hebben ingewonnen, geoordeeld dat schadelijkheid als gevolg van
blootstelling aan elektromagnetische straling naar de huidige stand
van de wetenschap niet is vastgesteld en dat de hierover bestaande
lichamelijke en psychische klachten van en andere zich op
het terrein bevindende personen, welke klachten de rechtbank op
zichzelf als reëel beschouwde, voor hun risico dienen te blijven. De
rechtbank heeft wat betreft de schade die lijdt door
storing en uitval van apparatuur, geoordeeld dat de hinder in ieder
geval niet zo ernstig was dat zij niet geduld behoefde te worden, doch
dat Nozema onrechtmatig handelde wanneer zij deze klachten van de aard
en/of de omvang zoals nader door de rechtbank omschreven niet
onmiddellijk en adequaat heeft verholpen. In lijn hiermee veroordeelde
zij Nozema slechts tot vergoeding van schade tengevolge van door haar
veroorzaakte storingen, voorzover veroorzaakt door laatstbedoeld
onrechtmatig handelen.
3.3 Het hof heeft in het principaal appel de beslissing van de
rechtbank met betrekking tot de schade wegens aantasting van de
gezondheid van en anderen in stand gelaten, doch wat
betreft de schade door storing en uitval van apparatuur de daaraan
door de rechtbank verbonden beperking geschrapt, en het incidenteel
appel van Nozema verworpen.
3.4 Onderdeel I van het middel bevat de centrale klacht dat het hof
ten onrechte en op grond van een ontoereikende motivering heeft
aangenomen dat sprake is van onrechtmatige hinder. Deze klacht wordt
uitgewerkt en toegelicht in de onderdelen 2 - onderdeel 1 bevat een
inleiding - 3 en 4. Het onderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden
op grond van hetgeen hierna in 3.5 wordt overwogen.
3.5.1 De rechtbank heeft in rov. 5.4 van haar tussenvonnis tot
uitgangspunt genomen dat het antwoord op de vraag of het toebrengen
van hinder onrechtmatig is, afhankelijk is van de aard, de ernst en de
duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met
de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening
moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de
hinder toebrengende activiteiten worden gediend en de mogelijkheid,
mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om
maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. In rov. 5.5 van dit
vonnis heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat
bij het aangaan van de erfpachtovereenkomst zich jegens
Rijkswaterstaat heeft verbonden de consequenties voortvloeiende uit
het feit dat zijn perceel naast dat van Nozema was gelegen, te
aanvaarden, in dier voege dat hij zich op dat perceel heeft gevestigd
in de wetenschap dat hij van de zenders van Nozema enige hinder en
overlast zou ondervinden zodat een redelijke tolerantie ten opzichte
van Nozema in beginsel geboden is. Kennelijk is ook het hof van de de
hiervoor omschreven maatstaf, die door partijen in hoger beroep niet
is bestreden en die ook door het middel als juist wordt aanvaard,
uitgegaan. Voorzover het onderdeel uitgaat van een andere lezing van
het bestreden arrest, mist het feitelijke grondslag.
3.5.2 De rechtbank heeft in rov. 7 van haar eindvonnis overwogen dat
de aard en de duur van de door ondervonden hinder,
bestaande in uitval en ontregeling van elektrische en elektronische
apparatuur, ernstig zijn. Het hof heeft in rov. 8.2 vastgesteld dat
Nozema tegen dit oordeel, welk oordeel het hof in het licht van de
stukken ook juist acht en overneemt, in hoger beroep niet is
opgekomen. De in het onderdeel tegen dit oordeel aangevoerde klachten,
voorzover deze al feitelijke grondslag hebben, falen. Het oordeel van
het hof dat in hoger beroep tegen de desbetreffende overweging niet is
opgekomen, is niet onbegrijpelijk en is voor het overige voorbehouden
aan het hof, dat zich bovendien bij het alleszins toereikend
gemotiveerde oordeel van de rechtbank, dat in cassatie als van
feitelijke aard niet op juistheid kan worden getoetst, heeft
aangesloten.
3.5.3 Het hof heeft in zijn oordeel betrokken dat bij de uitzending
van de programma's van Radio Nederland Wereldomroep een algemeen
maatschappelijk belang is betrokken. De weging van dit belang is
voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. De
klacht dat het hof dit belang niet (voldoende) heeft gewogen, faalt.
3.5.4 Voorzover het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat bij
Nozema en de door haar ingeschakelde hulppersonen onvoldoende
deskundigheid aanwezig was, kan deze klacht bij gebrek aan belang niet
tot cassatie leiden. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het
ontbreken van deskundigheid geheel voor rekening van Nozema komt. Dit
oordeel is in cassatie terecht niet bestreden.
3.5.5 Het hof heeft ook overigens de door Nozema aangevoerde verweren
klaarblijkelijk in zijn beoordeling betrokken en is daarbij tot een
afweging gekomen die in het nadeel van Nozema is uitgevallen. Ook deze
afweging, die door het hof toereikend is gemotiveerd, is aan het hof
voorbehouden.
3.5.6 Het betoog dat het hof uit het oog heeft verloren dat de
stelplicht en de bewijslast voor het bestaan van relevante schade door
onrechtmatige hinder op behoren te rusten, mist
feitelijke grondslag. Het hof heeft dit immers in rov. 4.2 van zijn
bestreden arrest juist uitdrukkelijk vooropgesteld.
3.5.7 Op het hiervoor overwogene stuiten ook alle (overige) klachten
van het onderdeel af.
3.6 De onderdelen II en III hebben naast onderdeel I geen zelfstandige
betekenis en behoeven daarom geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Nozema in de kosten van het geding in cassatie, tot op
deze uitspraak aan de zijde van begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als
voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman,
A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de
raadsheer A. Hammerstein op 18 juni 2004.
*** Conclusie ***
Zaaknr. C03/082HR
Mr. Huydecoper
Zitting van 26 maart 2004
Conclusie inzake
De naamloze vennootschap "Naamlooze vennootschap gemengd bedrijf
"Nederlandsche omroepzendermaatschappij" "Nozema"(1)
eiseres tot cassatie
tegen
.
verweerder in cassatie
Feiten en procesverloop
1) Zoals wel vaker het geval is, is in cassatie nog maar een beperkt
deel van de materie die in de feitelijke instanties in geschil was,
aan de orde. Ik bespreek de feiten met inachtneming van de mate waarin
die voor de in cassatie te beoordelen vragen (nog) van belang zijn.
In het in cassatie bestreden arrest wordt overigens in de rov. 2.1 en
2.2 een samenvatting van de feiten en het procesverloop tot dan toe
gegeven; met - voor wat de feiten betreft - verwijzing naar rov. 2 van
het in de eerste aanleg gewezen (tussen)vonnis van 15 november 1995.
2) Het gaat om het volgende: de verweerder in cassatie, ,
exploiteerde sinds 1984 een fruitkwekerij op een door hem in erfpacht
verkregen perceel in Zeewolde. Sinds 1988 woonde hij daar ook.
Op korte afstand van het perceel van heeft de eiseres tot
cassatie, Nozema, sinds 1985 een kortegolfzender in bedrijf, waarmee
de programma's van Radio Nederland Wereldomroep worden uitgezonden.
Deze zender zendt, zoals de naam al suggereert, radiogolven uit - een
vorm van elektromagnetische straling.
was, toen hij zich ter plaatse vestigde, ervan op de
hoogte dat zijn erfpachtsgoed zich dicht bij de weldra in gebruik te
nemen zender bevond. Hij heeft in de met Rijkswaterstaat gesloten
erfpachtsovereenkomst verklaard hiermee bekend te zijn en eventuele
consequenties daarvan te aanvaarden.
Bij deden zich - volgens zijn stellingen: veelvuldig, en
als gevolg van de door Nozema uitgezonden radiogolven - technische
problemen voor bij elektrische c.q. elektronische apparatuur. Nozema
trachtte die problemen, na ontvangst van een klacht daarover, voor
haar rekening zoveel mogelijk te verhelpen.
De bedoelde problemen kunnen worden beperkt door gebruik van technisch
geschikte apparatuur, al of niet in combinatie met eenvoudige
ontstoringsmaatregelen(2).
3) In de onderhavige procedure vorderde schadevergoeding
terzake van de hinder die volgens zijn stellingen door de uitzendingen
van Nozema werd veroorzaakt. Daarbij beriep hij zich op schade in de
vorm van gezondheidsklachten, optredend bij hemzelf, zijn gezin en
werknemers van zijn bedrijf, en op schade in de vorm van, resp. als
gevolg van, de eerder bedoelde technische problemen.
Deze vordering werd in de eerste aanleg afgewezen voorzover
zich beriep op, kort gezegd, gezondheidsproblemen, maar
in beperkte omvang toegewezen terzake van de gestelde technische
problemen. In dat verband stelde de rechtbank - in rov. 7 van het
eindvonnis van 7 juli 1999 - vast: "De rechtbank stelt voorop dat de
aard en de duur van de hinder, bestaande in uitval en ontregeling van
elektrische en elektronische apparatuur, ernstig is."
4) In appel bestreed zowel de afwijzing van zijn
vordering wegens gezondheidsklachten, als de slechts beperkte
toewijzing van zijn vordering voor het overige. Nozema bestreed in
incidenteel appel het laatstbedoelde, in haar nadeel uitgevallen
oordeel.
In het in cassatie bestreden arrest verwierp het hof 's
grieven op het punt van de gezondheidsklachten, maar honoreerde het de
grief over de kwestie van de hinder in de vorm van storing van
elektrische en elektronische apparatuur (allicht: met verwerping van
de van de kant van Nozema aangevoerde grief van de tegengestelde
strekking). Te dien aanzien veroordeelde het hof Nozema tot
schadevergoeding, op te maken bij staat (zoals ook, na
wijziging(en) van zijn eis, had gevorderd).
5) Tegen het zojuist beschreven oordeel, uiteraard: voorzover voor
haar nadelig, komt Nozema (tijdig(3)) in cassatie op. is
in cassatie niet verschenen. Het cassatieberoep is namens Nozema
schriftelijk toegelicht.
Het leerstuk van de onrechtmatige hinder
6) Zoals voor wel meer begrippen geldt, is "hinder" een woord dat bij
degeen die het verneemt een goed beeld oproept van het verschijnsel
dat daarmee wordt bedoeld, terwijl het toch niet zo eenvoudig is om
dat verschijnsel nader te omschrijven, laat staan te definiëren.
In de literatuur wordt wel de omschrijving gebruikt van: stoornis in
het genot (van een zaak)(4). Juist lijkt mij, dat het om een
handelwijze of manifestatie moet gaan die de daardoor betroffene (met
recht) als storend mag aanmerken. In de literatuur worden als
voorbeelden - ongetwijfeld: mede naar aanleiding van art. 5:37 BW(5) -
vaak genoemd: geluidsoverlast en stoornis als gevolg van emissies (van
rook, gassen e.d. en daarmee verband houdende stank). De onderhavige
zaak laat zien dat ook andere emissies als storend kunnen worden
ervaren. Ten aanzien van lozingen van (vloei)stoffen in het milieu was
dat al bij herhaling aan de orde geweest(6); en in de praktijk zijn
natuurlijk nog legio (andere) stoornis opleverende fenomenen
vastgesteld, variërend van het belemmeren van toegang of genot
anderszins door de plaatsing van voorwerpen (voertuigen(7),
bouwmaterialen en -werktuigen(8) etc.), het "hinderlijk volgen" door
een (ex-)relatie(9), maar ook door anderen ("persmuskieten"(10)), het
"bombarderen" van de ander met (elektronische) berichten(11), het
veroorzaken van excessieve "toeloop" van al-dan-niet gemotoriseerd
verkeer of publiek(12) of van overlast veroorzakend gedierte(13), etc.
etc.
7) In zeer veel gevallen hangt het van de omstandigheden af of een
verschijnsel als hinderlijk, en ook: of het als excessief hinderlijk
en daarmee als ongeoorloofd, mag worden aangemerkt.
Tegen het feit dat mijn buren hun auto's voor mijn huis parkeren kan
ik misschien bezwaar hébben, maar geen bezwaar maken. Als de dochter
van de buurman trouwt moet ik op de blijde dag zelf ook genoegen nemen
met een flinke hoeveelheid extra "parkeeroverlast" én met extra
geluidsoverlast (en misschien "lichtoverlast") van de bruiloftsgasten
en hun "entertainers". Hetzelfde geldt, ten opzichte van alle
omwonenden, ieder jaar op 31 december 's avonds. Als ik een "bekende
Nederlander" was, zou ik mij een belastende hoeveelheid aandacht van
"de media" moeten laten welgevallen(14); en als er iets gebeurt
waardoor ik in bijzondere mate de aandacht trek, kan ik er ook geen
bezwaar tegen maken wanneer de aandacht van "de media" gedurende een
bepaalde tijd omvangrijk is, in een mate die ik zeer wel als
"hinderlijk" mag aanmerken: er is (ook) dan hinder, maar geen
onrechtmatige hinder. Als ik in het openbaar een controversieel en
impopulair standpunt verdedig, moet ik aanvaarden dat anderen dat
krachtig, en vaak op voor mij onaangename toon en/of langs mij
onwelgevallige weg (bijvoorbeeld door mij op te bellen als ik juist
met rust wens te worden gelaten) zullen weerspreken - onder bepaalde
omstandigheden ook via "ludieke" acties(15). Een betrekkelijk modern
verschijnsel is de hinder in de vorm van blootstelling aan massale
reclame per brievenbus, telefoon(16) of elektronisch medium
("spam"(17)).
Elke inbreuk op mijn ongestoorde rust, of op mijn "genot" anderszins,
moet in zijn context worden beoordeeld(18), om te kunnen vaststellen
of ik die al of niet heb te tolereren (en in voorkomend geval: welke
remedies ik mag inroepen).
8) Dat is dan ook de uitkomst waartoe de rechtsleer, zowel in
Nederland als in andere landen, is gekomen(19); en tegen de zojuist
besproken achtergrond kan men vaststellen dat die uitkomst in
normatief opzicht, en misschien alleen al logisch, de enig denkbare
is.
Van de omstandigheden die bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid
van hinder van belang zijn, is een aanzienlijk aantal in de
rechtspraak onderzocht - voorop natuurlijk de aard, ernst en duur van
de hinder en de daardoor veroorzaakte schade, die in de eerder
aangehaalde rechtspraak telkens weer als wegingsfactoren naar voren
komen.
9) Op andere in de rechtspraak beoordeelde omstandigheden, wordt in
het cassatiemiddel de nadruk gelegd - zoals: of de benadeelde zich
vóór of na het tijdstip waarop de hinder begon ter plaatse heeft
gevestigd (waarbij in het laatstgenoemde geval, de betrokkene een
zekere mate van hinder eerder zal moeten dulden)(20).
Nog zo'n omstandigheid kan zijn, dat er zwaarwegende maatschappelijke
belangen bestaan, die de hinder veroorzakende partij met zijn storende
activiteiten bevordert. Ook dat kán van belang zijn voor de vraag of
de hinder (eerder) moet worden getolereerd(21).
Ook (bereidheid tot) het treffen van maatregelen ter beperking van de
hinder of de daardoor veroorzaakte schade, aan de kant van de
veroorzaker, is een omstandigheid die kan meebrengen dat de hinder
niet als onrechtmatig wordt bestempeld (en, min of meer omgekeerd, kan
het feit dat het tegengaan of verminderen van de hinder grote offers
zou vergen, bijdragen tot het oordeel dat de hinder moet worden
getolereerd)(22).
Bespreking van het cassatiemiddel
10) De klacht van het middel bestaat er vooral in, dat het hof in rov.
8.2 van het bestreden arrest niet, zoals blijkens de hoger besproken
rechtsleer zou moeten gebeuren, aan de hand van alle gebleken
omstandigheden heeft onderzocht of de handelwijze van Nozema
onrechtmatige hinder opleverde (maar daarentegen de van de kant van
Nozema benadrukte omstandigheden (slechts) heeft beoordeeld als
mogelijke rechtvaardigingsgronden, dan wel als factoren die
als "eigen schuld" (op de voet van art. 6:101 BW) zouden
mogen worden toegerekend).
Dat zou, aldus de steller van het middel, ook daarom moeten worden
aangenomen omdat de stellingen die Nozema heeft ingebracht bij een
andere "invalshoek" (van het hof) niet zo hadden kunnen worden
behandeld, als in feite is gebeurd. Het lijkt mij goed om, ter
beoordeling van deze "centrale" klacht van het middel, eerst de
zojuist bedoelde stellingen, en de beoordeling daarvan door het hof,
te onderzoeken.
11) Ik stel dan voorop dat ik, anders dan namens Nozema bij
schriftelijke toelichting wordt betoogd, van het merendeel van de
thans in cassatie ingeroepen stellingen niet zie dat die in de
feitelijke instanties met veel nadruk naar voren zijn gebracht, en al
helemaal niet, dat die zodanig waren toegelicht en onderbouwd dat dat
de rechters van de feitelijke instanties tot bijzondere aandacht
daarvoor (en een daaraan aangepaste nadere motivering) had moeten
dwingen.
Dat geldt in uitgesproken mate voor de stelling die in onderdeel 3.2
sub (iv) wordt omschreven (kort gezegd: dat het met de hinder als
gevolg van technische problemen wel mee viel). In de processtukken in
de eerste aanleg is Nozema hier nauwelijks op ingegaan, en heeft zij
óók stellingen betrokken die geredelijk als erkenning van (mogelijk
omvangrijke) problemen kunnen worden opgevat(23). Het heeft mij dan
ook niet verbaasd dat de rechtbank de in alinea 3 hiervóór aangehaalde
vaststelling heeft gedaan (namelijk: dat vaststond dat de "technische"
hinder qua aard en qua duur ernstig was); en ik kan slechts instemmen
met 's hofs constatering, dat tegen die vaststelling in appel geen
bezwaar is gemaakt. Voorzover het middel in onderdelen 4.2 en 4.5 iets
anders betoogt, mist het volgens mij dan ook feitelijke grondslag.
12) Dat geldt ook voor een tweede feitelijk gegeven dat in het middel
naar voren wordt gehaald: namelijk dat er bij Nozema niet altijd
voldoende "EMC-kennis"(24) beschikbaar zou zijn (of toegepast zou
zijn). Niet alleen kan men de hier (door het middel, in onderdeel 4.3)
bedoelde uitlatingen (in het zojuist in voetnoot 24 aangehaalde
deskundigenbericht en de bijlage daarbij) zeer wel zo lezen dat ook de
van de kant van Nozema zelf ingebrachte deskundigheid op dit gebied
(in meer dan verwaarloosbare mate) tekortschoot; maar ook valt niet in
te zien waarom - zoals het middel hier kennelijk aanvaard wil zien -
gebrekkige tegemoetkoming aan (technische) klachten als gevolg van
onvoldoende EMC-kennis bij de van de kant van Nozema ingeschakelde
"hulppersonen", niet gewoon voor rekening van Nozema zou moeten
blijven.
13) In beide gevallen - dus: gebrekkige kennis bij Nozema zelf, of
gebreken in de kennis van de ingeschakelde "hulppersonen" - blijft
(ook) overeind de gevolgtrekking die het hof (kennelijk) in rov. 9.2
heeft gemaakt: Nozema's stelling dat de technische problemen vooral
door gebrek aan medewerking van (of door manco's aan
diens apparatuur) zouden mogen verklaard gaat niet op, want de ernst
van de problemen laat zich ook, of mede, verklaren door het feit dat
de genomen maatregelen "weinig ... vanuit een gedegen EMC-kennis
(waren) ... ontwikkeld". En allicht relativeert het hier besproken
gegeven ook in wezenlijke mate de stelling (of bevinding) dat Nozema
storingen aan de apparatuur van steeds adequaat zou
hebben verholpen, en daarmee het gewicht dat aan de betreffende
stelling(en) van Nozema toekwam. Voorzover de onderdelen 3.2 sub
(iii), 4.2, 4.3, 4.5 en 4.6 er telkens op berusten dat in cassatie wèl
(veronderstellenderwijs) van dat gegeven - een volledig adequate
reactie van Nozema op (de meeste van) s storingsmeldingen
- uit zou mogen worden gegaan, missen zij in zoverre feitelijke
grondslag.
14) Als ik dan, na deze achtergrond te hebben onderzocht, aan de
"centrale" klacht van het middel toe kom, moet voorop worden gesteld
dat een niet-onwezenlijk deel van de argumenten die ter ondersteuning
van die klacht worden aangevoerd, als ondeugdelijk moet worden
terzijde gesteld.
Wat dan resteert, beoordeel ik dan (eveneens) als niet aannemelijk.
Ofschoon het hof niet met zovele woorden uitspreekt dat het de
(on)rechtmatigheid van de aan Nozema verweten hinder heeft beoordeeld
aan de hand van weging van alle gebleken omstandigheden, meen ik dat
het bestreden arrest wèl op zo'n afweging berust; en meen ik ook dat
daarvan voldoende uit de motivering van de beslissing blijkt.
15) Een eerste reden waarom dat aannemelijk is is deze, dat de
rechtbank in het eerste tussenvonnis dat in de eerste aanleg werd
gewezen (van 15 november 1995) in rov. 5.4 expliciet heeft overwogen
dat de (on)rechtmatigheid van de hinder moest worden beoordeeld aan de
hand van het uit de hoger besproken rechtsleer blijkende criterium
(dat ook in het middel tot uitgangspunt wordt genomen). Die overweging
van de rechtbank is in appel niet bestreden. (Al) daarom is - in hoge
mate - aannemelijk dat het hof hetzelfde criterium als een
"sous-entendu" aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, en het
(dus) niet nodig heeft geoordeeld, dat nog eens expliciet te
vermelden.
16) Voor het overige lijkt mij aannemelijk dat de wijze waarop het hof
de motivering van het bestreden arrest heeft opgebouwd, is ingegeven
door de wijze waarop Nozema haar verweren had gepresenteerd. Die
verweren betroffen niet de door de rechtbank, zoals zojuist
aangegeven, geformuleerde toetsingsmaatstaf - wat (nader) verklaart
waarom het hof daar geen woorden aan vuil heeft gemaakt. Zij betroffen
wèl de vier achtereenvolgens door het hof in rov. 8.2 onderzochte
argumenten. In de zojuist geschetste context lijkt mij duidelijk dat
het hof die argumenten in aanmerking heeft genomen in het kader van
zijn toetsing aan de als onbestreden vaststaande maatstaf, en dat het
niet - zomaar - een andere weg is ingeslagen, dan de weg die in de
gegeven context zo zeer voor de hand lag.
Dat verklaart ook waarom een deel van de motivering die ik als mede
voor de onderhavige beslissing dragend aanmerk, verderop in het arrest
in de rov. 9.1 en 9.2 is beland: het lag in de rede om de
desbetreffende argumenten te bespreken bij de beoordeling van het
incidentele appel, omdat Nozema die argumenten (vooral) dáár naar
voren had gebracht; wat er niet aan afdoet dat de daarop gegeven
oordelen ook in de eerder gegeven afweging gewicht in de schaal konden
leggen. In wezen betroffen de in rov. 8.2 beoordeelde grief en de in
het incidentele appel te beoordelen grief, nu eenmaal dezelfde vraag.
17) Dat de rechter de motivering van zijn beslissing richt op de
argumenten die de partijen naar voren hebben gebracht, is het
tegendeel van verwerpelijk. Dat kan er - zoals de onderhavige zaak
laat zien - toe leiden dat stappen in de redenering als "sous-entendu"
(kunnen) worden overgeslagen, of dat in bepaalde opzichten van een
overigens voor de hand liggende volgorde van behandeling wordt
afgeweken.
Het zou de motiveringseis bepaald overtrekken, wanneer dat door de
partij wier argumenten op deze manier werden beoordeeld, met de
wijsheid van achteraf, als een "fataal" motiveringsgebrek zou kunnen
worden aangevochten. Ook daarom beoordeel ik het hier besproken betoog
(van het middel) als onaannemelijk.
18) Wat de afzonderlijke middelonderdelen - voorzover hiervóór nog
niet besproken - betreft:
- onderdeel 1 heeft een inleidend karakter en bevat geen klacht.
Onderdeel 2 bevat slechts een generieke klacht, die pas in de volgende
onderdelen wordt onderbouwd (en die bovendien afstuit op het zojuist
in alinea's 14 - 16 besprokene). Beide kunnen dus niet tot cassatie
leiden.
- onderdeel 3.1 omschrijft de toetsingsmaatstaf die, in mijn lezing
van het bestreden arrest, door het hof op de voet van rov. 5.4 van het
rechtbankvonnis van 15 november 1995 aan zijn oordeel ten grondslag is
gelegd. In onderdeel 3.2 wordt betoogd dat niet aan die maatstaf zou
zijn getoetst, en dat dat zou blijken uit de beoordeling van de sub
(i) t/m (v) omschreven argumenten van Nozema. Zoals in alinea's 11 t/m
13 hiervóór bleek, meen ik dat het hof de hier sub (iii) en (iv)
omschreven argumenten op plausibele gronden (wezenlijk) anders heeft
gewaardeerd dan Nozema in cassatie aangeeft; en geldt voor de sub (i),
(ii) en (v) omschreven argumenten dat het hof die heeft betrokken in
zijn toetsing aan de (juiste) beoordelingsmaatstaf, maar heeft
gewaardeerd als niet-doorslaggevend (althans: in de door Nozema
gewenste zin; en mét inachtneming van het feit dat het hof de
teweeggebrachte hinder kennelijk als aanzienlijk ernstiger heeft
beoordeeld, dan Nozema thans verdedigt).
- onderdeel 4 is wederom generiek - het lot daarvan hangt van de
uitwerking in de volgende (sub)onderdelen af. De eerste daarvan,
onderdeel 4.1, behoeft na het in alinea 11 besprokene alleen nog deze
aantekening, dat het leerstuk van de zgn. "devolutieve werking van het
appel" hier tevergeefs wordt ingeroepen, omdat Nozema de hier bedoelde
stellingen ook in de eerste aanleg niet zodanig had gepresenteerd, dat
dat de appelrechter tot een nadere beoordeling daarvan noopte.
- onderdeel 4.2 dringt (opnieuw) aan dat het hof niet de rechtens
vereiste "holistische" afweging zou hebben verricht, welk argument ik
om de in alinea's 14 - 16 besproken redenen verwerp. Daar komt nog bij
dat het onderdeel van een onjuiste feitelijke premisse met betrekking
tot Nozema's voorkomen/verhelpen van de gebleken klachten uitgaat. Het
betoog dat onbegrijpelijk zou zijn (het oordeel) dat storingen niet
anders dan door staking van de uitzendingen kunnen worden voorkomen,
lijkt mij dan ook onjuist. (Ook) Nozema had niet méér aangevoerd, dan
dat (betere ontstorings)maatregelen "veelal" aan technische problemen
tegemoet konden komen; en uit het in alinea's 12 en 13 hiervóór
besprokene volgt, dat het hof die stelling van Nozema nog als te
rooskleurig zal hebben gewaardeerd.
- onderdeel 4.3 faalt (eveneens) om de in alinea's 12 en 13 hiervóór
besproken reden(en). Voor onderdeel 4.4. geldt wederom dat het ten
onrechte veronderstelt dat het hof het daar bedoelde gegeven niet in
een afweging van alle omstandigheden zou hebben betrokken; en miskent
voorts dat het hof de ernst van de hinder en de kwaliteit van Nozema's
verhelpen van de problemen klaarblijkelijk anders heeft beoordeeld,
dan strookt met Nozema's (ook) in cassatie ingenomen standpunt (wat
ook een andere waardering van de mogelijk aan te
verwijten gebrekkige medewerking begrijpelijk maakt).
- onderdeel 4.5 gaat er op zichzelf met juistheid van uit dat een
veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat, moet
berusten op een ten laste van de veroordeelde vastgestelde
aansprakelijkheid (terzake van tekortkoming of onrechtmatig handelen);
zodat vaststelling van voor de aansprakelijkheid bepalende elementen
niet mag worden "geëndosseerd" aan de rechter in de
vervolg(schadestaats)procedure(25). Zoals hiervóór bleek meen ik
echter dat het hof de aansprakelijkheid van Nozema wel degelijk (en
aan de hand van de juiste toetsingsmaatstaf) heeft beoordeeld; met
dien verstande dat het hof een aantal voor die aansprakelijkheid
relevante gegevens wezenlijk anders heeft gewaardeerd, dan namens
Nozema was verdedigd.
- voor onderdeel 4.6 geldt ook het hiervóór in alinea's 12 en 13
besprokene. De klacht dat aan Nozema's aanbod van tegenbewijs voorbij
zou zijn gegaan beoordeel ik als ongegrond, omdat het blijkens de
aangehaalde §§ 33 - 36 van de Memorie van Antwoord hier argumenten
betrof die ertoe strekten dat 's klachten (in het licht
van Nozema's beweerde adequate optreden bij storingen) vooral aan
gebrekkige medewerking van en/of gebreken van diens
apparatuur zouden mogen worden toegeschreven. Voor deze, als
zelfstandig verweer aangevoerde stellingen berustte de bewijslast op
Nozema, niet op , en ging het dus niet om het aanbieden
van tegenbewijs(26).
- de met II en III genummerde middelonderdelen verwijzen slechts naar
de eerder aangevoerde argumenten. Zij behoeven dus naast de eerdere
middelonderdelen geen bespreking.
Conclusie
Ik meen dat het cassatieberoep zou moeten worden verworpen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 In de stukken wordt de naam van de eiseres tot cassatie niet uniform
gespeld. Ik houd hier de spelling aan die in de van de eiseres tot
cassatie zelf afkomstige stukken is gevolgd.
2 Zie voor de laatstgenoemde gegevens met name rov. 2. 5 van het
tussenvonnis van 15 november 1995, samen met rov. 2.1 van het
bestreden arrest.
3 Binnen de termijn van art. 402 lid 1 Rv.
4 Onrechtmatige Daad (losbl.), Lindenbergh, VIII.3 aant. 3, met
verdere verwijzingen; Asser - Van Dam - Mijnssen - Van Velten, 2002,
nr. 37 ((iets) ruimer); Pitlo - Reehuis c.s., Het Nederlands
Burgerlijk recht, Deel 3 (Goederenrecht), 2001, nr. 480; Mon. Nieuw BW
B26, Burenrecht, Davids, 1999, p. 20 - 21.
5 De rechtsleer met betrekking tot hinder heeft - in Nederland en
elders, zie Van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, 2000, nr. 1214 - zich in
belangrijke mate ontwikkeld aan de hand van de rechtsverhouding tussen
de rechthebbenden op in elkaars nabijheid gelegen onroerende zaken.
Men kan elkaar intussen heel goed (onrechtmatig) hinderen zonder dat
enig verband met onroerend goed bestaat, zoals uit de hierna te noemen
casuïstiek overvloedig blijkt. Het leerstuk is dan ook van algemenere
strekking, en (de meeste) recente Nederlandse literatuur behandelt het
dienovereenkomstig; zie o.a. Mon. Nieuw BW B26, Burenrecht, Davids,
1999, p. 18 - 20 en Mon. Nieuw BW B45, Jansen, Onrechtmatige Daad,
algemene bepalingen, 1996, p. 81, met verdere verwijzingen; Spier,
Preadvies NJV 1996, p. 303 - 304.
6 HR 23 september 1988, NJ 1989, 743 m.ntn. JHN en JCS, rov. 3.3.2
(Kalimijnen); in andere varianten HR 3 mei 1991, NJ 1991, 476, rov.
3.2 (overwaaiend onkruidzaad) en HR 3 november 2000, NJ 2000, 108
m.nt. ARB, rov. 3.4 (overwaaiend meel).
7 HR 29 januari 1988, NJ 1988, 872 rov. 3.1 (over de vraag of overlast
verenigbaar was met de verplichtingen van een goed huurder - waarbij
volgens mij geen wezenlijk andere maatstaf geldt).
8 HR 7 december 2001, NJ 2002, 26 (Van Sloun/William Properties; hier
ging het om aan de verhuurder verweten overlast; uit rov. 3.3.2 van
dit arrest blijkt expliciet dat hier dezelfde maatstaf wordt aangelegd
als het geval is bij (beoordeling van) onrechtmatige hinder); HR 3
april 1987, NJ 1987, 703 m.nt. G, rov. 3.
9 Als één voorbeeld uit vele noem ik Hof Amsterdam 7 oktober 1999,
Nemesis 2002, 1424 (Nr. 1).
10 HR 4 maart 1988, NJ 1989, 361 m.nt. CJHB, rov. 3.1.3 - 3.3 (Lage
Landen/De Borbon-Parma).
11 Hof Arnhem 4 februari 2003, NJ 2004, 54, rov. 4.4.
12 HR 16 maart 1973, NJ 1975, 74 m.nt. BW, "O. omtrent onderdeel 5a -
5c" en "O. omtrent de onderdelen 2 en 9" ("Stikke Trui"); Rb. Arnhem
18 januari 1996, NJ 1997, 142 (drugsverslaafden).
13 HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278 m.nt. GJS, "O. aangaande het vierde,
vijfde en zesde onderdeel" (Vermeulen/Lekkerkerker); HR 15 februari
1991, NJ 1992, 639 m.nt. CJHB, rov. 4.6 (Aalscholvers); HR 18
september 1998, NJ 1999, 69 m.nt. ARB, rov. 3.3.1 ("Bijenspat II").
14 Aandacht van de media heb ik natuurlijk ook als niet-bekende
Nederlander te tolereren; maar dan wel gesterkt door de plezierige
zekerheid, dat die aandacht geheel aan mij voorbij zal gaan.
15 Maar ook daar zijn grenzen, zie HR 2 mei 2003, NJ 2003, 80 m.nt.
EJD.
16 Persoonlijk ervaar ik de toenemende telefonische werving waaraan ik
blootsta, als bijzonder hinderlijk; maar als onrechtmatig is die
meestal niet te kwalificeren.
17 Beoordeeld in HR 12 maart 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AN8483;
waarin overigens geen vragen aan de orde waren die voor de onderhavige
zaak relevant zijn.
18 In Carmiggelts "Honderd dwaasheden" (Arbeiderspers, herdruk 1994,
p. 18) lees ik: "Veronderstel dat iemand bij U aanbelde en zei:
"Meneer, ik ga U gedurende vijf minuten met een hard voorwerp op het
hoofd slaan en ontvang dan een rijksdaalder van U". U zou schaterend
de deur voor zijn neus dichtwerpen. Maar hier (de kapsalon, noot A-G)
wordt deze idiotie doodernstig vertoond en staat als "hoofdmassage" op
de prijslijst. De kapper kijkt er studieus bij, de heer ernstig.
Pof-pof-pof op zijn veelbetekenende schedel. Als je hem buiten één
zo'n tik gaf, zou hij een agent roepen."
Handelen in het kader van een (behandelings)overeenkomst, zoals bij de
kapper, is natuurlijk iets wezenlijk anders dan hinder, veroorzaakt
buiten een contractuele relatie; maar de illustratie van Carmiggelt is
te mooi om die onvermeld te laten.
19 Zie, naast de (vele) voorbeelden uit de eerder aangehaalde
rechtspraak, Onrechtmatige Daad (losbl.), Lindenbergh, VIII.3 aant. 6
e.v.; Spier c.s., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 2003,
nr. 55; Asser - Hartkamp III, 2002, nrs. 39 - 40; Asser - Van Dam -
Mijnssen - Van Velten, 2002, nrs. 39 - 41; Snijders - Rank-Berenschot,
Goederenrecht, 2001, nr. 183; Pitlo - Reehuis c.s., Het Nederlands
burgerlijk recht, Deel 3 (Goederenrecht), 2001, nr. 487; Van Dam,
Aansprakelijkheidsrecht, 2000, nrs. 1215 - 1218; Mon. Nieuw BW B26,
Burenrecht, Davids, 1999, p. 23 - 25; Mon. Nieuw BW B45, Onrechtmatige
Daad, algemene bepalingen, Jansen, 1996, nr. 63; Spier, Preadvies NJV
1996, p. 304 e.v.; Parl. Gesch. Boek 5, p. 34 (waar men vindt: "In
beide rubrieken van hinder moet men binnen zekere grenzen het nadeel
dulden, dat een ander door het gebruik van eigen zaak veroorzaakt.
Waar de grens wordt overschreden, wanneer een geoorloofd gebruik
overgaat in een onbetamelijk gebruik, is niet in het algemeen te
zeggen. Behalve met hetgeen ter plaatse gebruikelijk is, moet hier
rekening worden gehouden met de belangen van anderen, welke worden
geschaad. Een zekere belangen afweging is noodzakelijk, mag niet
zonder meer tot onrechtmatigheid worden geconcludeerd, wanneer het
benadeelde belang een grotere waarde heeft dan het eigen belang dat
men dient: ook de omstandigheid dat aan de handelende persoon een
recht toekomt om zijn zaak te gebruiken, moet zich doen gelden.").
Dat deze uitkomst zich logisch opdringt blijkt (ook) daaruit dat het
recht elders, hoewel vaak aan de hand van wezenlijk andere principes,
tot dezelfde resultaten komt, zie bijvoorbeeld Winfield & Jolowicz on
tort, 2002, nrs. 14.6 - 14.12; Von Bar, Gemeineuropäisches
Deliktsrecht, 1996, rndnr. 534.
20 HR 18 september 1998, NJ 1999, 69 m.nt. ARB, rov. 3.4.1; HR 3 mei
1991, NJ 1991, 476, rov. 3.2.
21 HR 18 september 1998, NJ 1999, 69 m.nt. ARB, rov. 3.4.2; HR 15
februari 1991, NJ 1992, 639 m.nt. CJHB, rov. 4.6; HR 23 september
1988, NJ 1989, 743 m.ntn. JHN en JCS, rov. 3.3.5; HR 16 maart 1973, NJ
1975, 74, "O. omtrent de onderdelen 2 en 9".
22 HR 15 februari 1991, NJ 1992, 639 m.nt. CJHB, rov. 4.6; HR 29
oktober 1993, NJ 1994, 107, rov. 3.2 en 3.3; HR 9 januari 1981, NJ
1981, 227, rov. 12.
23 Zie daarvoor bijvoorbeeld de Conclusie van Antwoord, al. 6 - 8;
Conclusie van Dupliek, al. 11 en al. 18. Na het eerste tussenvonnis in
de eerste aanleg (van 15 november 1995, zie rov. 5.7 daarvan) heeft
bij akte van 2 juli 1996 nadere gegevens omtrent de aard
en intensiteit van de hinder als gevolg van technische storingen
overgelegd (zie bijvoorbeeld prod. 11 en 12 bij deze (overigens
moeilijk toegankelijke) akte). Op het in dit verband aangevoerde is
Nozema vervolgens niet meer concreet ingegaan.
24 Dit is, blijkens de stukken, kennis op het gebied van de
elektro-magnetische compatibiliteit, kennis die naar luid van het in
de eerste aanleg op 5 augustus 1998 gedeponeerde deskundigenbericht
van Dr. Van Deursen, p. 5 bovenaan, bij het verhelpen van dit soort
technische problemen belangrijk is, en die meer dan eens tekort schoot
(citaat uit de paragraaf O2 waarnaar Dr. Van Deursen hier (met
instemming) verwijst: "De meeste aangetroffen maatregelen hadden een
ad-hoc karakter; weinig waren er vanuit een gedegen EMC-kennis
voldoend vroegtijdig ontwikkeld.")
25 Zie bijvoorbeeld HR 14 maart 2003, NJ 2004, 49, rov. 3.2 en 3.3.
26 HR 25 oktober 2002, NJ 2003, 171, rov. 5.6.