Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AP1887 Zaaknr: 38866
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 18-06-2004
Datum publicatie: 18-06-2004
Soort zaak: belasting -
Soort procedure: cassatie
Nr. 38.866
18 juni 2004
az
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente Didam (hierna: B en W) tegen de uitspraak
van het Gerechtshof te Arnhem van 14 oktober 2002, nr. 00/00320,
betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in een
baatbelasting van de gemeente Didam.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van het genot krachtens eigendom van de
onroerende zaak a-straat te Z, gemeente Didam, een aanslag in de
baatbelasting riolering buitengebied 1998-IX van de gemeente Didam
opgelegd ten bedrage van f 5000, welke aanslag, na daartegen gemaakt
bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de sector Middelen, bureau
Financieel beheer en belastingen van de gemeente Didam (hierna: de
heffingsambtenaar)is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, en de uitspraak van de
heffingsambtenaar, alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het
Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
B en W hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Op 29 juni 1995 heeft de raad van de gemeente Didam het
bekostigingsbesluit aanleg riolering buitengebied 1995 RB-0-16
(hierna: het Bekostigingsbesluit) vastgesteld, waarin het volgende is
vermeld:
"Via de heffing van een baatbelasting zullen de voor rekening van de
gemeente blijvende lasten van de door of met medewerking van het
gemeentebestuur tot stand te brengen voorzieningen in het gebied
gelegen buiten de bebouwde kommen van de gemeente voor 85 %, tot een
maximum van f. 5.000,-- per door deze voorzieningen gebate onroerende
zaak, worden omgeslagen over de genothebbenden krachtens eigendom,
bezit of beperkt recht van de door deze voorzieningen gebate
onroerende zaken.
Het gebied waarbinnen de onroerende zaken zijn gebaat, is aangegeven
op de bij dit bekostigingsbesluit behorende kaart, in het gearceerde
gedeelte RB-0-16.
De voorzieningen omvatten in ieder geval de aanleg van riolering met
bijbehorende technische werken"
3.1.2. Op 10 september 1998 heeft de raad de Verordening baatbelasting
riolering buitengebied 1998-IX (hierna: de Verordening) vastgesteld.
3.2. Het Hof heeft de Verordening onverbindend verklaard op de grond
dat, kort samengevat, het Bekostigingsbesluit niet voldoet aan de
eisen omdat daaruit op geen enkele wijze blijkt welke lasten worden
geraamd voor de voorzieningen met betrekking tot de aanleg van
riolering in het gebied RB-0-16.
3.3.1. De middelen, die zich tegen dit oordeel keren, zijn terecht
voorgesteld.
3.3.2. Artikel 222, lid 2, Gemeentewet (hierna: de Wet) dient aldus te
worden uitgelegd dat voor elke in te voeren baatbelasting tevoren bij
een bekostigingsbesluit moet zijn vastgesteld in welke mate de lasten,
verbonden aan die voorzieningen waarop die baatbelasting betrekking
heeft - dat wil zeggen de voorzieningen waarbij de in een bepaald
gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaken zijn gebaat - zullen
worden verhaald (HR 25 oktober 2000, nr. 34920, BNB 2001/17).
3.3.3. In het onderhavige geval blijkt uit het Bekostigingsbesluit in
welke mate - namelijk 85 percent, tot een maximum van f 5000 per
gebate onroerende zaak - de lasten van de voorzieningen waarbij de in
buitengebied RB-0-16 gelegen onroerende zaken zijn gebaat, door middel
van de bij de Verordening ingevoerde baatbelasting riolering
buitengebied 1998-IX zullen worden verhaald.
Het Bekostigingsbesluit voldoet dan ook aan de vereisten van artikel
222, lid 2, van de Wet. 's Hofs andersluidende oordeel is onjuist.
3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet
volgen voor behandeling van de overige grieven van belanghebbende,
waaraan het Hof niet is toegekomen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan
belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een
vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent
het griffierecht, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter
verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit
arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de
raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid
van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar
uitgesproken op 18 juni 2004.