Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AO6503 Zaaknr: 02828/03
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 15-06-2004
Datum publicatie: 16-06-2004
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
15 juni 2004
Strafkamer
nr. 02828/03
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
Amsterdam van 20 mei 2003, nummer 23/001688-02, in de strafzaak tegen:
, geboren (Nederlandse Antillen) op
1959, ten tijde van de betekening van de aanzegging
gedetineerd in het Huis van Bewaring "Het Schouw" te Amsterdam.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de
Rechtbank te Haarlem van 26 april 2002 - de verdachte ter zake van 1.
primair, 2. primair, 3. primair en 4.: "medeplegen van opzettelijk
handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A, van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf
jaar gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr.
J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van
cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar
van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek tot het
horen van als getuige ter terechtzitting ontoereikend
gemotiveerd heeft verworpen.
3.2. Het in het middel bedoelde verzoek houdt blijkens het
proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 23 januari 2003,
voorzover hier van belang, het volgende in:
"Ik verzoek het hof , officier van justitie te Haarlem als
getuige ter terechtzitting te horen.
De verdediging stelt vast dat aan deze zaak de deal met een crimineel,
te weten , ten grondslag ligt. (...).
heeft zojuist ter terechtzitting heel stellig verklaard
dat wat hem betreft de kern van de deal bestond uit de toezegging van
de officier van justitie, , dat het hoger beroep dat door
het openbaar ministerie in zijn strafzaak was ingesteld, zou worden
ingetrokken. Het positief advies dat door het openbaar ministerie bij
een gratieverzoek zou worden gegeven was wat hem betreft daaraan
ondergeschikt; het stopzetten van het strafrechtelijk financieel
onderzoek en het intrekken van het door het openbaar ministerie
ingestelde hoger beroep waren volgens de getuige de belangrijkste
onderdelen van de deal.
(...). Ik wil onder ede horen over de vraag of de
toezegging om het hoger beroep in te trekken wel of niet door hem is
gedaan.
(...).
De stelling van de verdediging is als volgt: op meer onderdelen is de
afspraak tussen het openbaar ministerie en niet zuiver
geweest. Wanneer het hoger beroep inderdaad is ingetrokken vanwege die
afspraak dan moet de deal met als onrechtmatig worden
beschouwd en het openbaar ministerie dient derhalve niet-ontvankelijk
te worden verklaard.
(...)."
3.3. Het Hof heeft het verzoek blijkens het proces-verbaal van de
terechtzitting van 6 februari 2003 als volgt afgewezen:
"Het hof wijst dit verzoek af, nu aan het hof de noodzaak hiertoe niet
is gebleken. Op grond van de stukken in het strafdossier - waarvan
zowel de processen-verbaal ter terechtzitting van het hof als het
arrest van het hof als ook het arrest van de Hoge Raad in de zaak
deel uitmaken - kan niet worden aangenomen dat de
perceptie van van de voor hem meer van belang zijnde
onderdelen van de overeenkomst als ook van hetgeen officier van
justitie hem ten aanzien van een door het openbaar
ministerie ingesteld hoger beroep als handelwijze in het vooruitzicht
zou hebben gesteld, in het licht van de op deze punten afgelegde
verklaringen en overgelegde stukken noodzaakt tot het doen instellen
van een nader onderzoek door middel van het horen van als
getuige ter terechtzitting."
3.4. Het Hof heeft in de einduitspraak als reactie op de stelling van
de verdediging dat indien de intrekking van het hoger beroep onderdeel
is geweest van de overeenkomst tussen en het Openbaar
Ministerie deze overeenkomst als onrechtmatig moet worden beschouwd,
het volgende overwogen:
"De stelling van de verdediging is dat de door het openbaar ministerie
in het kader van de overeenkomst aan toegezegde
tegenprestatie te groot is omdat het intrekken van het hoger beroep in
de strafzaak van niet heeft plaatsgevonden op (los van de
overeenkomst staande) inhoudelijke, juridisch-technische gronden, doch
dient te worden aangemerkt als onderdeel van de toegezegde
tegenprestatie.
Aan de verdediging moet worden toegegeven dat in de processtukken en
het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten zijn te vinden
voor het leggen van een verband tussen het (uiteindelijk) intrekken
van het hoger beroep (op andere dan louter juridisch-technische
gronden) en de door uiteindelijk gegeven toestemming tot
het latere gebruik door het openbaar ministerie van door hem afgelegde
verklaringen. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de eerste
besprekingen die door het openbaar ministerie met zijn
gevoerd met het oog op het sluiten van de overeenkomst, waarbij
aanvankelijk het intrekken van het hoger beroep als onderdeel van de
te sluiten overeenkomst nadrukkelijk onderwerp van gesprek en intern
beraad binnen het openbaar ministerie is geweest en aan hetgeen met
betrekking tot de overeenkomst door zelf als getuige ter
terechtzitting in hoger beroep is verklaard, te weten - kort gezegd -
dat de intrekking van het hoger beroep in zijn zaak naar zijn beleving
een van de onderdelen van de "deal" was.
Echter, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de intrekking van het
hoger beroep, om met de woorden van de raadsman te spreken: materieel
gezien onderdeel van de overeenkomst uitmaakt, dan nog leidt dit nog
niet tot de gevolgen die de raadsman daaraan blijkens zijn stellingen
verbindt.
Immers, daarvan uitgaande is in ieder geval niet aannemelijk geworden
dat door intrekking van het hoger beroep, gevoegd bij de overige aan
gedane toezeggingen, de van de zijde van het openbaar
ministerie in het kader van de overeenkomst aan te leveren
prestatie van zodanige aard en omvang was, dat daardoor op
ontoelaatbare wijze is verleid tot het afleggen van onjuiste of
onwaarachtige verklaringen jegens anderen.
Verder kan ook in de door de raadsman gestelde visie, de intrekking
van het hoger beroep naar het oordeel van het hof niet worden
aangemerkt als een "verboden" tegenprestatie (van de zijde van het
openbaar ministerie) in de zin als in de Richtlijn is vermeld onder 2
sub b. Intrekking van het hoger beroep kan immers in casu niet worden
gezien als een toezegging door het openbaar ministerie van
strafrechtelijke immuniteit omdat, zoals reeds gezegd,
door het openbaar ministerie bij de rechtbank is vervolgd voor twee
drugstransporten en voor een van deze feiten tot een gevangenisstraf
van 8 jaren is veroordeeld. Het gegeven dat de strafvervolging in
hoger beroep niet is voortgezet, doet daar niet aan af.
De conclusie is dat, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan
van de juistheid van de door de raadsman verdedigde stelling dat de
intrekking van het hoger beroep in ieder geval materieel onderdeel van
de overeenkomst heeft uitgemaakt, niet kan worden gezegd dat
dientengevolge deze overeenkomst, (...), als onrechtmatig zou moeten
worden gekwalificeerd."
3.5. Hetgeen hiervoor onder 3.2 met betrekking tot de inhoud van het
verzoek van de raadsman is weergegeven, houdt in dat de verdediging
heeft willen horen teneinde te kunnen nagaan of de
intrekking van het hoger beroep onderdeel is geweest van de
overeenkomst tussen en het Openbaar Ministerie. Indien dit
het geval zou blijken te zijn, zou de verdediging dit gegeven -
blijkens de laatste alinea van hetgeen hiervoor onder 3.2 is
weergegeven - hebben willen gebruiken ter ondersteuning van de
stelling dat de overeenkomst onrechtmatig is. In zijn hiervoor onder
3.4 weergegeven oordeel heeft het Hof veronderstellenderwijs
aangenomen dat de intrekking van het hoger beroep onderdeel was van de
bedoelde overeenkomst. Daarvan uitgaande heeft het Hof voorts evenwel
geconcludeerd dat dit niet leidt tot het oordeel dat de overeenkomst
onrechtmatig is. Bij het middel heeft de verdachte geen belang, omdat
het Hof bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van de
desbetreffende overeenkomst veronderstellenderwijs van de juistheid
van de stelling van de verdediging, ter bevestiging waarvan deze
wenste te horen, is uitgegaan.
3.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel komt onder meer op tegen het oordeel van het Hof dat
de intrekking door het Openbaar Ministerie van het hoger beroep tegen
de ten aanzien van gegeven vrijspraak geen
strafrechtelijke immuniteit oplevert als bedoeld in de Richtlijn
afspraken met criminelen.
4.2. Voorzover voor de beoordeling van deze klacht van belang, heeft
het Hof in de bestreden uitspraak overwogen:
"3.2. is bij de rechtbank Haarlem indertijd vervolgd voor
betrokkenheid bij twee cocaïne-transporten. Deze rechtbank heeft
(na een vordering voor beide feiten van 14 jaar
gevangenisstraf) bij vonnis van 28 mei 1998 vrijgesproken van een
transport betrekking hebbend op 700 kilogram cocaïne en hem terzake
van het andere transport, betrekking hebbende op een transport van 400
kilogram cocaïne veroordeeld tot - kort gezegd - een gevangenisstraf
van 8 jaren. Het door de officier van justitie te Haarlem tegen deze
uitspraak ingestelde hoger beroep, is door deze op 8 oktober 1998
ingetrokken.
3.3. Op het moment dat de schriftelijke overeenkomst tot stand is
gekomen, 6 november 1998, bestond geen wettelijke regeling terzake van
het sluiten van overeenkomsten als de onderhavige, tussen het openbaar
ministerie enerzijds en een verdachte/veroordeelde anderzijds. Het hof
zal dan ook, gelijk het ook in de eerder genoemde zaak van
deed, voor de beoordeling van de gevoerde verweren
m.b.t. de overeenkomst de concrete omstandigheden van dit geval
toetsen aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de mede daaruit afgeleide
beginselen van een goede procesorde. Het hof zal bij de beoordeling
van de verweren voorts betrekken de inhoud van de toentertijd geldende
en te dezen toepasselijke, hiervoor al genoemde, Richtlijn afspraken
met criminelen, vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal
(hierna ook: de Richtlijn). Een en ander mede bezien tegen de
achtergrond van het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad in de
strafzaak tegen .
(...)
De stelling van de verdediging is dat de door het openbaar ministerie
in het kader van de overeenkomst aan toegezegde
tegenprestatie te groot is omdat het intrekken van het hoger beroep in
de strafzaak van niet heeft plaatsgevonden op (los van de
overeenkomst staande) inhoudelijke, juridisch-technische gronden, doch
dient te worden aangemerkt als onderdeel van de toegezegde
tegenprestatie.
Aan de verdediging moet worden toegegeven dat in de processtukken en
het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten zijn te vinden
voor het leggen van een verband tussen het (uiteindelijk) intrekken
van het hoger beroep (op andere dan louter juridisch-technische
gronden) en de door uiteindelijk gegeven toestemming tot
het latere gebruik door het openbaar ministerie van de door hem
afgelegde verklaringen. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de
eerste besprekingen die door het openbaar ministerie met
zijn gevoerd met het oog op het sluiten van de overeenkomst, waarbij
aanvankelijk het intrekken van het hoger beroep als onderdeel van de
te sluiten overeenkomst nadrukkelijk onderwerp van gesprek en intern
beraad binnen het openbaar ministerie is geweest en aan hetgeen met
betrekking tot de overeenkomst door zelf als getuige ter
terechtzitting in hoger beroep is verklaard, te weten - kort gezegd -
dat de intrekking van het hoger beroep in zijn zaak naar zijn beleving
een van de onderdelen van de "deal" was.
Echter, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de intrekking van het
hoger beroep, om met de woorden van de raadsman te spreken: materieel
gezien onderdeel van de overeenkomst uitmaakt, dan nog leidt dit nog
niet tot de gevolgen die de raadsman daaraan blijkens zijn stellingen
verbindt.
Immers, daarvan uitgaande is in ieder geval niet aannemelijk geworden
dat door intrekking van het hoger beroep, gevoegd bij de overige aan
gedane toezeggingen, de van de zijde van het openbaar
ministerie in het kader van de overeenkomst aan te leveren
prestatie van zodanige aard en omvang was, dat daardoor op
ontoelaatbare wijze is verleid tot het afleggen van onjuiste of
onwaarachtige verklaringen jegens anderen.
Verder kan ook in de door de raadsman gestelde visie, de intrekking
van het hoger beroep naar het oordeel van het hof niet worden
aangemerkt als een "verboden" tegenprestatie (van de zijde van het
openbaar ministerie) in de zin als in de Richtlijn is vermeld onder 2
sub b. Intrekking van het hoger beroep kan immers in casu niet worden
gezien als een toezegging door het openbaar ministerie van
strafrechtelijke immuniteit omdat, zoals reeds gezegd,
door het openbaar ministerie bij de rechtbank is vervolgd voor twee
drugstransporten en voor een van deze feiten tot een gevangenisstraf
van 8 jaren is veroordeeld. Het gegeven dat de strafvervolging in
hoger beroep niet is voortgezet, doet daar niet aan af."
4.3. De vorenbedoelde Richtlijn afspraken met criminelen (Stcrt. 1997,
61) - hierna: de Richtlijn - houdt, voorzover hier van belang, in:
"Onder een afspraak wordt verstaan: een afspraak tussen een crimineel
en het openbaar ministerie met het doel om een toetsbare
getuigenverklaring te verkrijgen in ruil voor enige tegenprestatie van
het openbaar ministerie.
Toelichting:
(...)
b) onder tegenprestatie kan niet worden verstaan:
- de toezegging door het openbaar ministerie van strafrechtelijke
immuniteit terzake van ernstige strafbare feiten."
4.4. Aangenomen moet worden dat van strafrechtelijke immuniteit als
bedoeld in de Richtlijn sprake is indien geen vervolging ten gronde
plaatsvindt. Dit houdt in dat de getuige wordt toegezegd dat hij voor
het desbetreffende feit niet terecht behoeft te staan. Indien de
betrokkene in eerste aanleg heeft terechtgestaan, maar vervolgens na
een vrijspraak in eerste aanleg door het openbaar ministerie geen
hoger beroep wordt ingesteld of een reeds ingesteld hoger beroep wordt
ingetrokken, doet zich niet een dergelijke situatie van
strafrechtelijke immuniteit voor. Met de Richtlijn is in dit opzicht
immers beoogd dat iemands vermoede betrokkenheid bij ernstige
strafbare feiten niet op grond van het bij wijze van tegenprestatie
verkrijgen van een, anderen belastende, getuigenverklaring aan het
oordeel van de rechter mag worden onttrokken. Die ratio wordt geen
geweld aangedaan indien de rechter in eerste aanleg over die feiten
heeft geoordeeld. In het licht hiervan geeft het oordeel van het Hof
dat het intrekken van het hoger beroep geen strafrechtelijke
immuniteit oplevert dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting,
zodat de daartegen gerichte klacht faalt.
4.5. Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie
leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die
klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang
van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81
RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording
van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling.
6. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad
ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak
ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden
verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als
voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, B.C. de Savornin Lohman,
W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P.
Bakker, en uitgesproken op 15 juni 2004.
*** Conclusie ***
Griffienr. 02828/03
Mr. Wortel
Zitting:23 maart 2004
Conclusie inzake:
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof
te Amsterdam waarbij verzoeker wegens (1 primair, 2 primair, 3 primair
en 4) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in
artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod,
meermalen gepleegd" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur
van twaalf jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, drie
middelen van cassatie voorgesteld.
3. Al die middelen hebben betrekking op de omstandigheid dat het
Openbaar Ministerie een overeenkomst heeft gesloten met zekere
, teneinde verklaringen te verkrijgen die voor
verschillende personen, onder wie verzoeker, belastend zijn.
4. Dienaangaande is in de bestreden uitspraak het volgende vastgesteld
en overwogen:
"1. Inleiding
1.1. Bij de behandeling van de onderhavige stafzaak, zowel op de
terechtzittingen in eerste aanleg als in hoger beroep, hebben de
verklaringen van centraal gestaan.
Met heeft het openbaar ministerie een overeenkomst
gesloten teneinde van hem verklaringen tegen - onder meer - de
verdachte te verkrijgen.
1.2. De door in het kader van voormelde overeenkomst
afgelegde verklaringen, alsmede de inhoud van de overeenkomst en de
wijze waarop deze tot stand is gekomen, stonden eveneens centraal in
de strafrechtelijke procedure die (in hoger beroep bij dit hof onder
rolnr. 23.001702-99) door het openbaar ministerie is gevoerd tegen een
van de medeverdachten van , genaamd.
1.3. Door het hof zijn - deels op verzoek van de verdediging - door
het openbaar ministerie overgelegde afschriften van de navolgende uit
het strafdossier m.b.t. afkomstige stukken aan het
onderhavige strafdossier toegevoegd:
- alle processen-verbaal van de terechtzittingen van het hof in de
zaak tegen ;
- het op 9 november 2000 onder vermeld rolnummer door het hof gewezen
arrest en
- stukken van het openbaar ministerie die betrekking hebben op de met
gesloten overeenkomst.
Voorts is door het hof aan het strafdossier toegevoegd (een afschrift
van) het in de zaak gewezen arrest van de Hoge Raad
d.d. 9 juli 2002 (nr. 00965/01), dat eveneens door het openbaar
ministerie daartoe is overgelegd.
1.4. is ter terechtzitting van het hof van 23 januari 2003
als getuige gehoord.
2. De verweren
2.1. Door de raadsman van de verdachte is in hoger beroep in de eerste
plaats aangevoerd, samengevat, dat de overeenkomst die met
het openbaar ministerie is aangegaan onrechtmatig is, met als gevolg
dat - primair - het openbaar ministerie in zijn vervolging van
verdachte niet ontvankelijk dient te worden verklaard en - subsidiair
- de verklaringen van en de vruchten daarvan van het
bewijs moeten worden uitgesloten, hetgeen dient te leiden tot
vrijspraak van het tenlastegelegde.
2.2. Door de verdediging zijn de hierna volgende punten aangevoerd
die, zo begrijpt het hof, naar het oordeel van de raadsman zowel op
zichzelf beschouwd als in samenhang bezien, reden vormen de
overeenkomst van het openbaar ministerie met als
onrechtmatig te kwalificeren.
a. de omvang van de met overeengekomen tegenprestatie (van
de zijde van het openbaar ministerie) is te groot;
b. is als grote vis gebruikt om een kleinere vis te
vangen:
c. heeft de overeenkomst niet in vrije wil kunnen aangaan
doordat hij bij het aangaan van de overeenkomst door het openbaar
ministerie bewust is misleid, waarbij door het openbaar ministerie
oneigenlijke middelen zijn ingezet om tot het aangaan van
de overeenkomst te bewegen;
d. inzicht in de cruciale elementen betreffende de totstandkoming van
de overeenkomst ontbreekt.
2.3. Subsidiair is aangevoerd dat de door in de strafzaak
van afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn en dat om
die reden de door hem afgelegde verklaringen niet voor het bewijs
tegen mogen worden gebruikt.
3. Beoordeling van de gevoerde verweren
Inleiding
Bij de beoordeling van het hiervoor onder 2.1 en 2.2 weergegeven
verweer gaat het hof van het volgende uit.
3.1. Op 6 november 1998 is in (onder meer) de onderhavige strafzaak
door het openbaar ministerie met een (schriftelijke)
afspraak gemaakt als bedoeld in de Richtlijn afspraken met criminelen
(Stcrt. 1997, 61), hierna ook te noemen: de overeenkomst.
heeft in de periode van 5 juni 1998 t/m 8 juli 1998 in
totaal tien verklaringen tegenover politie-ambtenaren afgelegd, waarin
hij belastend heeft verklaard over - onder anderen - de verdachte.
Het openbaar ministerie heeft als tegenprestatie toegezegd
- voor zover hier van belang - dat:
- het openbaar ministerie, bij onverkorte nakoming van de overeenkomst
van de zijde van , een positief advies zal uitbrengen ten
aanzien van een door in te dienen gratieverzoek, in dier
voege dat zal worden geadviseerd een derde van de door de rechtbank
Haarlem aan opgelegde gevangenisstraf van 8 jaren door
middel van gratie kwijt te schelden, onverminderd de over het aldus
ontstane strafrestant in mindering te brengen vervroegde
invrijheidstelling;
- het openbaar ministerie een schikkingsvoorstel zal doen, inhoudende
dat een geldbedrag van f 200.000,-- voldoet ter ontneming
van het geschatte voordeel dat hij wederrechtelijk heeft verkregen en;
- het openbaar ministerie inbeslaggenomen niet geldelijke goederen,
ter waarde van ongeveer f 19.000,--, aan zal teruggeven.
3.2. is bij de rechtbank Haarlem indertijd vervolgd voor
betrokkenheid bij twee cocaïne-transporten. Deze rechtbank heeft
(na een vordering voor beide feiten van 14 jaar
gevangenisstraf) bij vonnis van 28 mei 1998 vrijgesproken van een
transport betrekking hebbend op 700 kilogram cocaïne en hem terzake
van het andere transport, betrekking hebbende op een transport van 400
kilogram cocaïne veroordeeld tot - kort gezegd - een gevangenisstraf
van 8 jaren.
Het door de officier van justitie te Haarlem tegen deze uitspraak
ingestelde hoger beroep, is door deze op 8 oktober 1998 ingetrokken.
3.3. Op het moment dat de schriftelijke overeenkomst tot stand is
gekomen, 6 november 1998, bestond geen wettelijke regeling terzake van
het sluiten van overeenkomsten als de onderhavige, tussen het openbaar
ministerie enerzijds en een verdachte/veroordeelde anderzijds. Het hof
zal dan ook, gelijk het ook in de eerder genoemde zaak van
deed, voor de beoordeling van de gevoerde verweren
m.b.t. de overeenkomst de concrete omstandigheden van dit geval
toetsen aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de mede daaruit afgeleide
beginselen van een goede procesorde. Het hof zal bij de beoordeling
van de verweren voorts betrekken de inhoud van de toentertijd geldende
en te dezen toepasselijke, hiervoor al genoemde, Richtlijn afspraken
met criminelen, vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal
(hierna ook: de Richtlijn). Een en ander mede bezien tegen de
achtergrond van het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad in de
strafzaak tegen .
3.4. In het hierna volgende zal op de onder 2.2 sub a t/m d
weergegeven onderdelen van het verweer nader worden ingegaan.
sub a en b
De stelling van de verdediging is dat de door het openbaar ministerie
in het kader van de overeenkomst aan toegezegde
tegenprestatie te groot is omdat het intrekken van het hoger beroep in
de strafzaak van niet heeft plaatsgevonden op (los van de
overeenkomst staande) inhoudelijke, juridisch-technische gronden, doch
dient te worden aangemerkt als onderdeel van de toegezegde
tegenprestatie.
Aan de verdediging moet worden toegegeven dat in de processtukken en
het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten zijn te vinden
voor het leggen van een verband tussen het (uiteindelijk) intrekken
van het hoger beroep (op andere dan louter juridisch-technische
gronden) en de door uiteindelijk gegeven toestemming tot
het latere gebruik door het openbaar ministerie van door hem afgelegde
verklaringen. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de eerste
besprekingen die door het openbaar ministerie met zijn
gevoerd met het oog op het sluiten van de overeenkomst, waarbij
aanvankelijk het intrekken van het hoger beroep als onderdeel van de
te sluiten overeenkomst nadrukkelijk onderwerp van gesprek en intern
beraad binnen het openbaar ministerie is geweest en aan hetgeen met
betrekking tot de overeenkomst door zelf als getuige ter
terechtzitting in hoger beroep is verklaard, te weten - kort gezegd -
dat de intrekking van het hoger beroep in zijn zaak naar zijn beleving
een van de onderdelen van de "deal" was.
Echter, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de intrekking van het
hoger beroep, om met de woorden van de raadsman te spreken: materieel
gezien onderdeel van de overeenkomst uitmaakt, dan nog leidt dit nog
niet tot de gevolgen die de raadsman daaraan blijkens zijn stellingen
verbindt.
Immers, daarvan uitgaande is in ieder geval niet aannemelijk geworden
dat door intrekking van het hoger beroep, gevoegd bij de overige aan
gedane toezeggingen, de van de zijde van het openbaar
ministerie in het kader van de overeenkomst aan te leveren
prestatie van zodanige aard en omvang was, dat daardoor op
ontoelaatbare wijze is verleid tot het afleggen van onjuiste of
onwaarachtige verklaringen jegens anderen.
Verder kan ook in de door de raadsman gestelde visie, de intrekking
van het hoger beroep naar het oordeel van het hof niet worden
aangemerkt als een "verboden" tegenprestatie (van de zijde van het
openbaar ministerie) in de zin als in de Richtlijn is vermeld onder 2
sub b. Intrekking van het hoger beroep kan immers in casu niet worden
gezien als een toezegging door het openbaar ministerie van
strafrechtelijke immuniteit omdat, zoals reeds gezegd,
door het openbaar ministerie bij de rechtbank is vervolgd voor twee
drugstransporten en voor een van deze feiten tot een gevangenisstraf
van 8 jaren is veroordeeld. Het gegeven dat de strafvervolging in
hoger beroep niet is voortgezet, doet daar niet aan af.
De conclusie is dat, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan
van de juistheid van de door de raadsman verdedigde stelling dat de
intrekking van het hoger beroep in ieder geval materieel onderdeel van
de overeenkomst heeft uitgemaakt, niet kan worden gezegd dat
dientengevolge deze overeenkomst, getoetst aan het
onder 3.3 weergegeven toetsingskader, als onrechtmatig zou moeten
worden gekwalificeerd.
De stelling van de raadsman dat met het aangaan van de overeenkomst
het openbaar ministerie (op niet acceptabele wijze) heeft
gebruikt "als grote vis om een kleinere vis te vangen" ontbeert elke
grond. Dit reeds omdat, zoals het hof ook in de zaak tegen
met zoveel woorden heeft overwogen, ervan moet
worden uitgegaan dat, wat er zij van de precieze omvang van het
aandeel van de diverse betrokken verdachten terzake van de hen (deels
gelijkluidende) tenlastegelegde feiten, vaststaat dat in ieder geval
ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met deze
verhoudingen nog niet konden worden vastgesteld.
De sub a en b geformuleerde onderdelen van het verweer treffen
derhalve geen doel.
sub c
Het hof verwerpt de stelling van de raadsman dat bij het
aangaan van de overeenkomst door het openbaar ministerie is misleid
omdat het openbaar ministerie hem zou hebben voorgehouden dat de
intrekking van het hoger beroep deel uitmaakte van de overeenkomst,
terwijl deze intrekking reeds om andere redenen zou geschieden en dit
laatste niet voorafgaand aan het sluiten van de
overeenkomst is meegedeeld.
Voorop gesteld moet worden dat niet is komen vast te staan dat
voorafgaande en of ten tijde van het sluiten van de
overeenkomst bewust de wetenschap dat het hoger beroep op inhoudelijke
gronden zou worden/was ingetrokken, is onthouden. Uit de verklaring
van ter terechtzitting in hoger beroep kan worden afgeleid
dat hij, hoe dan ook, niet het risico van (een zwaardere straf in) het
hoger beroep wilde lopen. Nu voorts vaststaat dat nooit
heeft verklaard dat hij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien
hij geweten had dat het hoger beroep op inhoudelijke gronden ongeacht
de overeenkomst, toch zou zijn ingetrokken, moet ook dit onderdeel van
het verweer worden verworpen.
sub d
Aan de stelling van de verdediging dat de overeenkomst onrechtmatig is
omdat inzicht in de cruciale elementen betreffende de totstandkoming
van de overeenkomst ontbreekt gaat het hof voorbij nu door de raadsman
geen feiten of omstandigheden ter onderbouwing van deze stelling zijn
aangevoerd. Daarbij merkt het hof op dat de overeenkomst met getuige
2 in de ruime zin van het woord uitvoerig voorwerp van het onderzoek
ter terechtzitting in hoger beroep is geweest en dat de getuige ter
terechtzitting in hoger beroep is gehoord en ook de verdediging in de
gelegenheid is gesteld de getuige omtrent de overeenkomst te bevragen.
Het vorenstaande voert tot de conclusie dat ook de hiervoor onder c en
d weergegeven verweren worden verworpen.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van
is op 23 januari 2003 als getuige ter terechtzitting van
het hof gehoord. De verdediging is daarbij in de gelegenheid gesteld
de getuige te doen ondervragen. De getuige heeft voorts op dezelfde
consistente wijze verklaard, gelijk hij eerder bij de
rechter-commissaris en de rechtbank verklaringen heeft afgelegd.
Bovendien vinden de verklaringen van in belangrijke mate
steun in de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachten
en .
Op grond van het vorenstaande en nu, zoals hiervoor reeds is
vastgesteld, het hof niet is gebleken van oneigenlijke beïnvloeding
van in zijn vrijheid tot verklaren als gevolg van de met
hem gesloten overeenkomst, acht het hof de door deze getuige in het
kader van de overeenkomst en daarna afgelegde verklaringen
betrouwbaar."
5. Het eerste middel bevat de klacht dat op onbegrijpelijke gronden
het verzoek als getuige ter terechtzitting te horen is
afgewezen.
Blijkens de stukken is de officier van justitie die de
onderhandelingen heeft gevoerd waaruit de overeenkomst met
is voortgekomen.
6. Blijkens het proces-verbaal van de op 23 januari 2003 gehouden
terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, nadat
was verhoord, verzocht als getuige te horen. De
advocaat-generaal stelde zich op het standpunt dat dit verhoor
overbodig was.
7. In de kern beschouwd kwam het debat tussen de raadsman en de
advocaat-generaal op het volgende neer.
8. De raadsman wilde onder ede horen omtrent de vraag of
hij al dan niet aan de toezegging heeft gedaan dat het (in
diens zaak door het Openbaar Ministerie ingestelde) hoger beroep zou
worden ingetrokken. De raadsman wees er op dat zojuist had
verklaard dat het positief advies op een gratieverzoek voor hem
bijzaak was geweest, en dat hij het grootste belang had toegekend aan
intrekking van het hoger beroep en beëindiging van de
ontnemingsprocedure. De raadsman betrok de stelling dat de afspraak
tussen en het Openbaar Ministerie op verschillende
onderdelen onzuiver is geweest, en dat, in verband met de
rechtmatigheid van de met gesloten overeenkomst,
vastgesteld moest worden of intrekken van het hoger beroep aan
is toegezegd nog voordat intern beraad bij het Openbaar
Ministerie tot de beslissing leidde het appèl op inhoudelijke gronden
in te trekken.
9. De advocaat-generaal stelde zich op het standpunt dat het intrekken
van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep het
logisch voortvloeisel van de aan voorgestelde "deal"
vormde. De toegezegde tegenprestatie bestond (onder meer) uit een
positief advies op een gratieverzoek. Het aan gedane
voorstel betrof derhalve de strafmaat, en daar valt, aldus de
advocaat-generaal, niet over te onderhandelen indien er geen
onherroepelijk vonnis voorligt. Derhalve vormde het intrekken van het
appèl een intrinsiek onderdeel van het aan gedane
voorstel. De overeenkomst zou niet tot stand gekomen kunnen zijn
indien het hoger beroep was doorgezet. De advocaat-generaal wees er op
dat dit is vermeld in stukken van de CTC (de Centrale
Toetsingscommissie van het Openbaar Ministerie), en ook werd
voorgesteld door de raadsman die bijstond.
10. Het Hof heeft zijn beslissing op het verzoek aangehouden tot de
terechtzitting van 6 februari 2003. In het proces-verbaal van die
terechtzitting is als beslissing van het Hof vermeld:
"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari
2003 verzocht de officier van justitie, te doen oproepen
teneinde hem als getuige ter terechtzitting te doen horen.
De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd. heeft
ter terechtzitting van 23 januari 2003 als zijn mening te kennen
gegeven dat voor hem, , de kern van de met hem gesloten
overeenkomst bestond uit de toezegging van dat het door
het openbaar ministerie tegen hem ingestelde hoger beroep zal worden
ingetrokken, als ook uit het stopzetten van het tegen hem ingestelde
strafrechtelijk financieel onderzoek. Uit de stukken van het dossier
blijkt volgens de raadsman echter dat het tegen ingestelde
hoger beroep op inhoudelijke gronden zou zijn ingetrokken en dat de
intrekking van het hoger beroep geen deel uitmaakt van de met getuige
2 gesloten overeenkomst.
Het hof overweegt als volgt en beslist:
Het hof wijst dit verzoek af, nu aan het hof de noodzaak hiertoe niet
is gebleken. Op grond van de stukken in het strafdossier - waarvan
zowel de processen-verbaal ter terechtzitting van het hof als het
arrest van het hof als ook het arrest van de Hoge Raad in de zaak
deel uitmaken - kan niet worden aangenomen dat de
perceptie van van de voor hem meer van belang zijnde
onderdelen van de overeenkomst als ook van hetgeen officier van
justitie hem ten aanzien van een door het openbaar
ministerie ingesteld hoger beroep als handelwijze in het vooruitzicht
zou hebben gesteld, in het licht van de op deze punten afgelegde
verklaringen en overgelegde stukken noodzaakt tot het doen instellen
van een nader onderzoek door middel van het horen van als
getuige ter terechtzitting."
11. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat deze
overwegingen onbegrijpelijk zijn. Met name de verwijzing naar "de
perceptie van " wordt onduidelijk genoemd. Zo het Hof
daarmee heeft willen wijzen op hetgeen heeft begrepen van
het hem gedane voorstel, is het Hof, zo wordt betoogd, op
ontoelaatbare wijze vooruitgelopen op hetgeen de verzochte getuige zou
kunnen verklaren. Zo de overweging in andere zin verstaan moet worden
heeft het Hof, aldus de toelichting op het middel, onvoldoende
duidelijk gemaakt waarom de verklaring van van geen belang
kan zijn voor enige door het Hof te nemen beslissing, aangezien de
stellingen van de verdediging inhielden dat een toezegging aangaande
het in de zaak tegen ingestelde hoger beroep kon raken aan
de rechtmatigheid van de met hem gesloten overeenkomst.
12. Men kan de steller van het middel toegeven dat het Hof zijn
gedachtengang met de zo-even weergegeven overwegingen niet bijzonder
duidelijk uiteen heeft gezet. In die overwegingen ligt evenwel
onmiskenbaar besloten dat het Hof belang heeft toegekend aan hetgeen,
door het Hof en vervolgens door de Hoge Raad, is overwogen en beslist
in verband met de berechting van de inmiddels onherroepelijk
veroordeelde . Voorts meen ik dat de zo-even
weergegeven overwegingen bezien kunnen worden in het licht van hetgeen
het Hof in zijn einduitspraak heeft vastgesteld. Gelijk ook in de
toelichting op het middel wordt gesignaleerd heeft het Hof daarin
overwogen dat er aanwijzingen zijn voor een verband tussen het
intrekken van het OM-appèl in de zaak tegen en diens
bereidheid om de overeenkomst aan te gaan.
13. Het komt mij daarom voor dat de hier bestreden overwegingen als
volgt verstaan moeten worden. Het Hof heeft aangenomen dat het minst
genomen mogelijk is dat de aan gedane toezeggingen
impliceerden dat het in zijn zaak ingestelde hoger beroep zou worden
ingetrokken. Daarvan uitgaande heeft het Hof kennelijk tot
uitgangspunt genomen, in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad in
zijn arrest van 9 juli 2002 (griffienr. 00965.01) onder 4.3.4. heeft
overwogen, dat het Openbaar Ministerie de vrijheid had een dergelijke
toezegging te doen. Nu binnen het Openbaar Ministerie twijfel was
gerezen omtrent de mogelijkheid in hoger beroep alsnog een
bewezenverklaring te bereiken ter zake van het feit waarvan getuige
2 in eerste aanleg was vrijgesproken, kwam die toezegging immers niet
neer op een toezegging van stafrechtelijke immuniteit, als bedoeld in
de 'Richtlijn afspraken met criminelen' (Stcrt. 1997, 61).
Dientengevolge kon het Hof vaststellen dat voldoende klaarheid bestond
omtrent de aan gedane toezeggingen, zoals hij die heeft
kunnen begrijpen, zodat er niet de noodzaak bestond de officier van
justitie daaromtrent te horen.
14. Aldus verstaan vormen 's Hofs overwegingen, naar mij voorkomt, een
niet onbegrijpelijk gemotiveerde beslissing op het verzoek.
Naar mijn inzicht kan het middel daarom geen doel treffen.
15. Het tweede middel behelst de klacht dat de bij pleidooi gevoerde
verweren betreffende de met gesloten overeenkomst,
uitmondend in de stelling dat het Openbaar Ministerie in de vervolging
van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, althans de
door afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden
uitgesloten, op onjuiste of onbegrijpelijke gronden zijn verworpen.
16. In de toelichting op het middel wordt (onder 5.) gesteld dat het
Hof in het midden heeft gelaten of de intrekking van het hoger beroep
onderdeel van de met gesloten overeenkomst uitmaakte.
17. Naar aanleiding van het vorige middel merkte ik reeds op dat ik de
overwegingen in het bestreden arrest anders begrijp. Naar mijn inzicht
dienen die overwegingen aldus te worden verstaan dat het Hof feitelijk
heeft vastgesteld dat zich minstens de gerede mogelijkheid voordoet
dat de aan gedane toezeggingen impliceerden dat het in
diens zaak ingestelde OM-appèl zou worden ingetrokken, althans
heeft kunnen aannemen dat dit zou geschieden. Bij zijn
beslissing op de gevoerde verweren is het Hof er dan ook
("veronderstellenderwijs") van uit gegaan dat de intrekking van het
hoger beroep in ieder geval materieel deel van de overeenkomst is
geweest.
18. Voorts wordt in de toelichting op het middel (onder 9.) betoogd
dat door het intrekken van het hoger beroep feitelijk
strafrechtelijke immuniteit is geboden voor zijn betrokkenheid bij het
transporteren van 700 kilogram cocaïne. Het wordt onbegrijpelijk
genoemd dat het Hof dit niet heeft aangenomen op de grond dat getuige
2 voor twee drugstransporten (waaronder het transport van 700
kilogram cocaïne) is vervolgd, hetgeen resulteerde in veroordeling tot
acht jaren gevangenisstraf ter zake van één van die feiten.
19. Ik zou de steller van het middel kunnen volgen indien in 's Hofs
overwegingen besloten zou liggen dat het hoger beroep is ingetrokken
terwijl het Openbaar Ministerie er van uit ging dat het hoger beroep
er in zou resulteren dat ook voor zijn betrokkenheid bij
het transport van 700 kilogram cocaïne zou worden bestraft.
In die overwegingen ligt evenwel besloten dat er voor het Openbaar
Ministerie ook andere, "louter juridisch-technische" respectievelijk
"inhoudelijke" redenen zijn geweest om het hoger beroep te
heroverwegen.
20. Dat is niet onbegrijpelijk. In de toelichting op het middel wordt
gewezen op een verklaring van de officier van justitie die
in eerste aanleg heeft vervolgd. Die verklaring is bij de behandeling
in hoger beroep afgelegd in de strafzaak tegen de eerder berechte, in
de bestreden uitspraak genoemde, medeverdachte. Daar afschriften van
de processen-verbaal van de in die eerder behandelde zaak gehouden
terechtzittingen in hoger beroep (en van de in die zaak gewezen
arresten van het Hof en van de Hoge Raad) bij de stukken van het
onderhavige geding zijn gevoegd, kan daar ook bij de beoordeling van
dit cassatieberoep kennis van worden genomen.
Van bedoelde verklaring van de officier van justitie wordt in de
toelichting op het middel een passage aangehaald, inhoudend dat zij
het appèl heeft ingesteld omdat zij van oordeel was dat er voldoende
bewijs was in verband met het transport van 700 kilogram cocaïne,
waarvan was vrijgesproken. De steller van het middel laat
echter onvermeld dat deze officier van justitie eveneens heeft
verklaard dat de zaak ook naar haar inzicht bewijsrechtelijk moeilijk
lag, en dat het bewijs "echt bij elkaar moest worden geschreven".
Voorts komt in de bijgevoegde stukken betreffende de eerder behandelde
strafzaak naar voren dat vanuit het arrondissementsparket telefonisch
contact is gezocht met een advocaat-generaal bij het Hof. Naar luid
van de door die advocaat-generaal afgelegde verklaring werd haar de
vraag voorgelegd of het jegens ingestelde hoger beroep
haalbaar leek. Op grond van hetgeen haar in het telefoongesprek werd
voorgehouden (en onkundig van de voorgenomen "deal") gaf de
advocaat-generaal als haar mening te kennen dat het hoger beroep geen
zin had.
21. Bij de behandeling in hoger beroep van de thans te beoordelen zaak
is derhalve aan de orde geweest dat het binnen het Openbaar Ministerie
allerminst voor zeker of waarschijnlijk gehouden werd dat
in hoger beroep ook ter zake van zijn betrokkenheid bij het
transporteren van de 700 kilogram cocaïne veroordeeld zou kunnen
worden.
De passage uit 's Hofs overwegingen:
"Intrekking van het hoger beroep kan immers in casu niet worden gezien
als een toezegging door het openbaar ministerie van strafrechtelijke
immuniteit omdat, zoals reeds gezegd, door het openbaar
ministerie bij de rechtbank is vervolgd voor twee drugstransporten en
voor een van deze feiten tot een gevangenisstraf van 8 jaren is
veroordeeld. Het gegeven dat de strafvervolging in hoger beroep niet
is voortgezet, doet daar niet aan af."
dient, gelet op het ter terechtzitting in hoger beroep verhandelde,
aldus verstaan te worden dat de vermoedelijke betrokkenheid van
bij het transport van 700 kilogram cocaïne aan het oordeel
van de rechter is onderworpen, terwijl het Openbaar Ministerie in
redelijkheid kon besluiten in de ter zake van dat feit gegeven
vrijspraak te berusten.
Daarom is het oordeel dat het intrekken van het hoger beroep niet
neerkomt op het verschaffen van strafrechtelijke immuniteit, als
bedoeld in de 'Richtlijn afspraken met criminelen', niet
onbegrijpelijk.
22. In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd over de
verwerping van het verweer dat door het Openbaar
Ministerie is gebruikt als "grote vis om een kleinere vis te vangen".
's Hofs oordeel dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met
nog niet vaststond welk aandeel de diverse betrokkenen in
de strafbare feiten hebben gehad zou onbegrijpelijk zijn in het licht
van hetgeen in de zaak van de eerder berechte mededader ter
terechtzitting in hoger beroep is verklaard door een lid van het
Openbaar Ministerie, en bij de behandeling in hoger beroep van de
onderhavige zaak door zelf is verklaard.
23. De desbetreffende verklaring van een officier van justitie houdt
in dat destijds is bezien welke positie in de criminele
organisatie, waarvan het bestaan werd vermoed, innam, en dat deze
officier van justitie toen had aangemerkt als een
"middenman".
De desbetreffende verklaring van houdt in dat naar zijn
inzicht de rol van verzoeker is overtrokken. noemde
verzoeker "geen grote jongen in de groep", terwijl die groep volgens
geen hiërarchie kende.
24. Deze verklaringen dwingen niet tot de conclusie dat het Openbaar
Ministerie bij het aangaan van de overeenkomst met met een
grote mate van zekerheid en tamelijk nauwkeurig kon vaststellen welk
aandeel de diverse betrokkenen hadden in de strafbare feiten waarvan
het begaan werd vermoed, of er in ieder geval van uit moest gaan dat
met betrekking tot die feiten een (veel) zwaarder verwijt
valt te maken dan degenen over wie hij kon verklaren.
De verwerping van dit (onderdeel van het) verweer is niet
onbegrijpelijk.
25. Overigens blijf ik van mening dat de enkele omstandigheid dat een
bepaalde persoon een belangrijk aandeel in ernstige strafbare feiten
heeft gehad geen verhindering behoeft te zijn om met die persoon een
overeenkomst te sluiten teneinde, in ruil voor strafvermindering,
verklaringen te verkrijgen die bij de berechting van andere verdachten
tot bewijs kunnen dienen.
26. Bedacht dient te worden dat een doeltreffende opsporing en
vervolging van in georganiseerd verband begane feiten belemmering kan
ondervinden indien met een verdachte die bereid is om, in ruil voor
strafvermindering, verklaringen af te leggen die het onmisbare bewijs
tegen anderen moeten vormen, een zodanige overeenkomst niet gesloten
kan worden om de enkele reden dat die verdachte een te belangrijke
bijdrage aan de delicten heeft geleverd.
Voor die beperking zie ik geen goede grond. Ook ten aanzien van degene
die bij ernstige delicten een prominente rol heeft vervuld geven de
voor het Openbaar Ministerie geldende beleidsuitgangspunten, inhoudend
dat de tegenprestatie nimmer zó ver mag gaan dat volledige
strafrechtelijke immuniteit wordt verleend, maar slechts mag worden
toegezegd dat het Openbaar Ministerie zal meewerken aan
strafvermindering van beperkte omvang, in beginsel voldoende waarborg
dat - in geval van bewezenverklaring - een straf wordt opgelegd die in
redelijke verhouding staat tot de ernst van hetgeen zo'n 'hoofddader'
heeft misdaan. Zo diens 'gekochte verklaringen' in het strafproces
tegen andere verdachten aan de orde komen (en de betrouwbaarheid ervan
wordt betwist) zullen die verklaringen slechts tot het bewijs kunnen
bijdragen indien is voldaan aan de in HR NJ 1998, 799 en HR NJ 1999,
565 ontwikkelde voorwaarden. Dat geeft ten aanzien van de
'kroongetuige' die bij de strafbare feiten zelf een belangrijke rol
heeft gespeeld geen geringere zekerheid dat de verdedigingsrechten van
andere verdachten uitgeoefend kunnen worden, en de betrouwbaarheid van
de 'gekochte verklaringen' zal worden vastgesteld, dan het geval zou
zijn ten aanzien van een 'kroongetuige' die bij het begaan van de
strafbare feiten een min of meer ondergeschikte rol heeft gespeeld.
27. Dit standpunt is breedvoeriger uiteengezet in de conclusie (onder
70 tot en met 74) bij het hierboven reeds genoemde arrest van de Hoge
Raad inzake de mededader, HR 9 juli 2002, griffienr. 00965/01. Ook
vanuit dit standpunt bezien had het "grote vis, kleine vis" verweer
slechts verworpen kunnen worden.
28. Ten slotte wordt in de toelichting op het middel betoogd dat op
onjuiste of onbegrijpelijke gronden het verweer is verworpen dat het
Openbaar Ministerie heeft misleid door intrekking van het
hoger beroep toe te zeggen, terwijl dit OM-àppel hoe dan ook zou
worden ingetrokken omdat een méér feiten omvattende veroordeling niet
haalbaar werd geacht.
29. Het Hof heeft vooropgesteld dat niet kan worden vastgesteld dat
het Openbaar Ministerie welbewust onkundig heeft gehouden
van het voornemen het hoger beroep om inhoudelijke redenen in te
trekken. De steller van het middel noemt dit niet relevant, doch mijns
inziens ten onrechte. Bij onopzettelijke misleiding kan ik mij niets
voorstellen. Dat zou hooguit een vorm van wederzijdse dwaling kunnen
zijn. Misleiding impliceert het doelbewust voorhouden van onjuiste of
onvolledige informatie. Derhalve is niet onbegrijpelijk dat het Hof in
zijn afweging heeft betrokken dat niet is gebleken van het bewust aan
onthouden van de binnen het Openbaar Ministerie bestaande
twijfel aan de haalbaarheid van het appèl en het daarmee verband
houdende voornemen het hoger beroep weer in te trekken.
30. Naar aanleiding van het gevoerde verweer diende het Hof te
beoordelen of zodanig onjuiste of onvolledige informatie
is verstrekt omtrent zijn positie als verdachte of de inhoud van de
overeenkomst dat aannemelijk is dat verplichtingen is
aangegaan die hij bij een juist en volledig inzicht in zijn positie en
de gevolgen van de overeenkomst niet zou hebben aanvaard.
31. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat zelf niet het
risico wilde lopen van een hogere straf als uitkomst van het hoger
beroep. Met de overweging dat nimmer heeft verklaard dat
hij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien hij had geweten dat
het Openbaar Ministerie zijn appèl ook afgezien van de overeenkomst
wilde intrekken, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen
brengen dat voor slechts van belang was dat hij
vermindering kon krijgen van de door de Rechtbank opgelegde straf,
zodat aangenomen kan worden dat de overeenkomst ook zou
zijn aangegaan indien hij had geweten dat het Openbaar Ministerie
reeds had besloten in die straf te berusten.
32. Aldus is naar mijn oordeel ook het op misleiding van de
(kroon)getuige gerichte verweer verworpen op gronden die
niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, en evenmin
onbegrijpelijk zijn.
33. Het middel faalt derhalve in alle onderdelen. Ik vergun mij
evenwel op te merken dat in 's Hofs overwegingen een alleszins
begrijpelijke reserve valt te bespeuren ten aanzien van de wijze
waarop binnen het Openbaar Ministerie is geopereerd, met name de
geringe mate waarin de overeenkomst met controleerbaar is
gemaakt. Die overwegingen laten zien dat het Hof zich daardoor
genoodzaakt zag delicate afwegingen te maken.
34. Het derde middel bevat de klacht dat ten onrechte, althans op
onbegrijpelijke wijze, is vastgesteld dat de door
afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn.
35. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat 's Hofs oordeel
dat de verklaringen van de getuige betrouwbaar zijn onvoldoende steun
vindt in de overweging dat niet is gebleken van oneigenlijke
beïnvloeding van deze getuige, aangezien de verdediging heeft
aangevoerd dat de aan gedane toezeggingen, onder meer tot
het intrekken van het in diens zaak ingestelde hoger beroep,
meebrachten dat een zó groot belang had bij het afleggen
van voor verzoeker belastende verklaringen dat die verklaringen reeds
daarom als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.
36. In de overwegingen ter verwerping van de gevoerde verweren is op
niet onbegrijpelijke wijze vastgesteld dat de aan
toegezegde tegenprestaties niet "van zodanige aard en omvang
dat daardoor op ontoelaatbare wijze is verleid tot het
afleggen van onjuiste of onwaarachtige verklaringen jegens anderen".
Bovendien berust het oordeel dat die verklaringen betrouwbaar zijn ook
op de vaststelling dat bij verschillende gelegenheden op
consistente wijze heeft verklaard, en dat zijn verklaringen in
belangrijke mate steun vinden in verklaringen van andere verdachten.
Het middel faalt.
37. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn
bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik
niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het
beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,