Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AO8364 Zaaknr: 02463/03 P
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 15-06-2004
Datum publicatie: 15-06-2004
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
15 juni 2004
Strafkamer
nr. 02463/03 P
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdam van 28 januari 2003, nummer 23/002210-98, op een vordering
tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
, geboren te op 1968,
wonende te .
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing
van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 3 april 1998 - de
betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een
bedrag van EUR 13.000,--, subsidiair tweehonderd dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr.
C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van
cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van
de bestreden uitspraak en verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde
op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans
onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen strekkende tot
niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens
overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste
lid, EVRM.
3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt
samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat
het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard,
nu de redelijke termijn van berechting, zoals bedoeld in artikel 6
EVRM, is overschreden. De raadsman heeft daartoe - zakelijk
weergegeven - aangevoerd dat vanaf de datum dat bij de veroordeelde
huiszoeking ter inbeslagneming was gedaan op 7 mei 1996, tot aan de
behandeling in hoger beroep op 7 januari 2003 een termijn van 6 jaar
en 7 maanden is verstreken.
(...)
Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6
EVRM in hoger beroep is overschreden, met dien verstande dat tussen de
datum van instellen van het hoger beroep op 3 april 1998 en de datum
van het eindarrest van het gerechtshof van 28 januari 2003 meer dan
twee jaar is verstreken. Anders dan de raadsman kennelijk meent is in
deze de datum waarop huiszoeking ter inbeslagneming is gedaan, niet
van belang.
Het hof acht deze overschrijding van de redelijke termijn echter niet
zodanig ernstig dat om die reden het openbaar ministerie niet in zijn
verdere vervolging kan worden ontvangen. Het hof acht het openbaar
ministerie daarom ontvankelijk in zijn vervolging en zal met de
overschrijding van de redelijke termijn rekening houden bij de
vaststelling van het eventueel te betalen bedrag, met dien verstande
dat het bedrag van het voordeel met 10% zal worden verlaagd."
3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat
overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken in de regel
behoort te leiden tot vermindering van het te betalen bedrag. Voor
niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de
vordering is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats (vgl. HR 9
januari 2001, NJ 2001, 307 rov. 3.11 en 3.12).
3.4. Het onder 3.2 weergegeven oordeel van het Hof moet aldus worden
verstaan dat het daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat bij
afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na
overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving
door berechting en anderzijds het belang dat de betrokkene heeft bij
niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn
ontnemingsvordering nadat die termijn is overschreden, ook indien het
totale proces-verloop in aanmerking wordt genomen, eerstgenoemd belang
moet prevaleren. Dat oordeel getuigt tegen de achtergrond van hetgeen
onder 3.3 is overwogen niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook
niet onbegrijpelijk. Het behoefde geen nadere motivering. Dat wordt
niet anders als, overeenkomstig het standpunt van de raadsman in hoger
beroep, ervan zou moeten worden uitgegaan dat de op zijn redelijkheid
te beoordelen termijn is aangevangen op 7 mei 1996, het tijdstip
waarop bij de betrokkene huiszoeking werd gedaan, in plaats van op het
uit de stukken blijkende eerst mogelijke andere tijdstip waarop de
betrokkene ervan op de hoogte kon zijn dat een vordering tot ontneming
van wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden gedaan, te weten: 8
augustus 1996, de datum waarop hem de machtiging tot het instellen van
een strafrechtelijk financieel onderzoek in persoon is betekend.
3.5. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het eerste middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld
in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
4.2. De betrokkene heeft op 29 januari 2003 beroep in cassatie
ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst
stempel zijn deze op 16 oktober 2003 ter griffie van de Hoge Raad
ingekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art.
6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus in zoverre
terecht voorgesteld.
4.3. Gelet op de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting in
verhouding tot het door het Hof vastgestelde wederrechtelijk verkregen
voordeel en de mate waarin de redelijke termijn in cassatie is
overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de
redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en
zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81
RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording
van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling.
6. Beoordeling van het vierde middel
6.1. Het middel klaagt erover dat ten onrechte vervangende hechtenis
is opgelegd.
6.2. Het middel slaagt. Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei
2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het
Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere
wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen
voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van
toepassing. De bestreden uitspraak moet daarom worden vernietigd
voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd (vgl. HR 7 oktober
2003, LJN AF9473).
7. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden
uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen
hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voorzover daarbij
vervangende hechtenis is opgelegd;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als
voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings en W.A.M. van Schendel, in
bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en
uitgesproken op 15 juni 2004.
*** Conclusie ***
Nr. 02463/03 P
Mr. Vellinga
Zitting: 20 april 2004
Conclusie inzake:
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het door de veroordeelde uit
medeplegen van opzettelijke handel in cocaïne en heroïne en deelneming
aan een criminele organisatie verkregen voordeel vastgesteld op f.
117.170,- en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk
verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat
van een bedrag van EUR 13.000,- subsidiair 200 dagen hechtenis.
2. Namens veroordeelde heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te
Utrecht, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 02436/03 P,
02437/03 P, 02460/03 P en 02463/03 P. In al deze zaken zal ik vandaag
concluderen.
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de stukken niet
tijdig aan de Hoge Raad heeft doen toekomen.
5. Namens veroordeelde is op 29 januari 2003 beroep in cassatie
ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst
stempel zijn deze op 16 oktober 2003 ter griffie van de Hoge Raad
binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht
maanden met ruim twee weken is overschreden.
6. Doet de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden na het instellen
van het cassatieberoep af, dan wordt daardoor de overschrijding van de
inzendingstermijn in voldoende mate gecompenseerd en kan, wat betreft
de totale duur van de berechting in cassatie, niet worden gesproken
van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6,
eerste lid, EVRM.(1) Wordt de zaak in cassatie niet binnen zestien
maanden berecht dan is er niettemin gezien de beperkte overschrijding
van de inzendingstermijn en het betrekkelijk geringe bedrag ter zake
waarvan veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat is
opgelegd geen reden aan uitsluitendde overschrijding van de
inzendingstermijn enig rechtsgevolg te verbinden.(2)
7. Het middel faalt.
8. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof het Openbaar
Ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard.
9. Het Hof heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar
Ministerie op de terechtzitting van 7 januari 2003 het volgende
overwogen:
"Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6
EVRM is overschreden, maar acht deze overschrijding niet zodanig dat
het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in de verdere
vervolging. Het hof heeft daarbij het belang van de veroordeelde bij
tijdige behandeling van de ontnemingsvordering afgewogen tegen het
belang van de maatschappij bij berechting van zaken als de
onderhavige, ook na overschrijding van voormelde redelijke termijn,
waarbij het laatste belang prevaleert."
10. Voorts heeft het Hof in zijn arrest het volgende overwogen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat
het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard,
nu de redelijke termijn van berechting, zoals bedoeld in artikel 6
EVRM, is overschreden. De raadsman heeft daartoe - zakelijk
weergegeven - aangevoerd dat vanaf de datum dat bij de veroordeelde
huiszoeking ter inbeslagneming was gedaan op 7 mei 1996, tot aan de
behandeling in hoger beroep op 7 januari 2003 een termijn van 6 jaar
en 7 maanden is verstreken.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het vonnis van de rechtbank
niet is uitgewerkt ten aanzien van de inhoud van de wettige
bewijsmiddelen, zodat het openbaar ministerie ook om die reden
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat het vonnis
van de rechtbank nietig dient te worden verklaard.
Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6
EVRM in hoger beroep is overschreden, met dien verstande dat tussen de
datum van instellen van het hoger beroep op 9 april 1998 en de datum
van het eindarrest van het gerechtshof van 28 januari 2003 meer dan
twee jaar is verstreken. Anders dan de raadsman kennelijk meent is in
deze de datum waarop huiszoeking is gedaan, niet van belang.
Het hof acht deze overschrijding van de redelijke termijn echter niet
zodanig ernstig dat om die reden het openbaar ministerie niet in zijn
verdere vervolging kan worden ontvangen. Het hof acht het openbaar
ministerie daarom ontvankelijk in zijn vervolging en zal met de
overschrijding van de redelijke termijn rekening houden bij de
vaststelling van het eventueel te betalen bedrag, met dien verstande
dat het bedrag van het voordeel met 10% zal worden verlaagd.
Voorts constateert het hof dat het vonnis van de rechtbank Utrecht van
3 april 1998 niet is uitgewerkt ten aanzien van de inhoud van de
wettige bewijsmiddelen waaraan de schatting van het voordeel is
ontleend. Mede daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank
vernietigen en opnieuw recht doen. Het beroep op niet-ontvankelijkheid
van het openbaar ministerie wordt verworpen, nu het onderhavige gebrek
die ontvankelijkheid niet raakt."
11. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter
inzake de redelijke termijn slechts in beperkte mate in cassatie kan
worden getoetst. In de regel behoort overschrijding van de redelijke
termijn in ontnemingszaken te leiden tot vermindering van het te
betalen bedrag en de vervangende hechtenis(3). Voor
niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering is
slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. (HR 9 januari 2001, NJ
2001, 307, m.nt. JdH).
12. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof ten onrechte de
datum van de huiszoeking voor het tijdstip van aanvang van de
redelijke termijn als niet van belang aangemerkt.
13. Bij zijn uitspraak van 9 januari 2001, NJ 2001, 307, m.nt. JdH
heeft de Hoge Raad als criterium voor de aanvang van de redelijke
termijn in ontnemingszaken gehanteerd het moment dat vanwege de
Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht
waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem
een ontnemingsvordering aanhangig zal worden gemaakt. Volgens het Hof
is de datum van de huiszoeking voor de datum van aanvang van de
redelijke termijn niet van belang. Waarop dit oordeel berust laat het
Hof in het midden. Bovendien laat het Hof - niettegenstaande de
omstandigheid dat in de pleitnota nog enige andere mogelijke
aanvangstijdstippen worden genoemd - in het midden welk tijdstip dan
wel als aanvang van de redelijke termijn moet worden aangemerkt. In
zoverre is het oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk.
14. Bij gebreke van enige daartoe strekkende vaststelling van het Hof
dient als tijdstip van aanvang van de redelijke termijn in elk geval
te gelden de datum waarop de Officier van Justitie heeft aangekondigd
een ontnemingsvordering te zullen instellen(4), te weten 22 augustus
1996. Toen is immers bij de veroordeelde iedere mogelijk nog bestaande
onzekerheid ten aanzien van de vraag of een vordering tot ontneming
van wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden ingesteld
weggenomen. De beslissing van de Rechtbank op de vordering tot
ontneming is gegeven op 3 april 1998, dus binnen twee jaar na genoemd
tijdstip. In hoger beroep duurt het vervolgens bijna vijf jaar - tot
28 januari 2003 - voordat op de vordering wordt beslist. Weliswaar
vindt een eerste behandeling van de zaak plaats op 22 maart 2001, maar
de behandeling van de zaak kan dan geen doorgang vinden omdat het
dossier niet compleet is en een uitgewerkte ontnemingsbeslissing
ontbreekt. De vertraging die daardoor optreedt kan dus niet voor
rekening van de veroordeelde komen.
15. De vraag is nu of in de omstandigheden van het onderhavige geval
het oordeel van het Hof dat de uitgesproken forse overschrijding van
de redelijke termijn in hoger beroep, die meebrengt dat pas bijna
zeven jaar na de aanvang van de redelijke termijn in hoger beroep op
de vordering wordt beslist, niet zo ernstig is dat het openbaar
ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn
vordering, zonder nadere redengeving begrijpelijk is.
16. In HR 22 mei 2001, NJ 2001, 440 was na een veroordeling bij
verstek wegens bijstandsfraude tot een gevangenisstraf van vier weken
een periode van ruim vijf jaar gevolgd waarin niet was gepoogd het
verstekvonnis te betekenen. Toen oordeelde de Hoge Raad dat de mate
van overschrijding van de redelijke termijn zodanig was dat bij
afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na
overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste
lid, EVRM behield bij normhandhaving door berechting en anderzijds het
belang dat de verdachte had bij verval van het recht tot
strafvervolging nadat die termijn was overschreden, in dit geval
laatstgenoemd belang moest prevaleren. Tot hetzelfde oordeel kwam de
Hoge Raad in zijn arrest van 29 mei 2001, NJ 2001, 517 in een geval
waarin de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf
maanden wegens het meermalen plegen van heling en medeplegen van
valsheid in geschrift, omdat de feiten bijna tien jaar geleden hadden
plaatsgevonden en de inzendingstermijn van de stukken in cassatie meer
dan vier jaar bedroeg terwijl niet was gebleken van bijzondere
omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen.
17. Het Hof komt in de onderhavige zaak tot een wederrechtelijk
verkregen voordeel van een bedrag van f 117.170,-- , maar tot een
terug te betalen bedrag van niet meer dan EUR 13.000,--. Omtrent de
ingewikkeldheid van de zaak die zou kunnen verklaren waarom het in
hoger beroep zo lang heeft geduurd totdat op de vordering werd beslist
stelt het Hof niets vast. In zijn requisitoir wijst de
Advocaat-Generaal bij het Hof er op dat op 2 maart 2002 van de
Rechtbank te Utrecht een brief is ontvangen dat er geen uitgewerkte
ontnemingsuitspraak en geen proces-verbaal van de terechtzitting
beschikbaar zijn vanwege (kennelijk met voorbijgaan aan het bepaalde
in art. 511d lid 1 jo. 365a Sv getroffen; WHV) afspraken tussen de
Utrechtse Rechtbank en het Amsterdamse Hof. Vervolgens is de zaak -
hoewel ter terechtzitting van 22 maart 2001 de redelijke termijn al
was overschreden(5) - pas aangebracht ter terechtzitting van 7 januari
2003. Het Hof oordeelt zonder enige nadere redengeving dat de
overschrijding van de redelijke termijn niet zo ernstig is dat deze
moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in
de vordering, of - zoals het Hof blijkens het proces-verbaal van de
terechtzitting heeft overwogen - dat het belang dat de gemeenschap ook
na overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6,
eerste lid, EVRM behoudt bij berechting van de vordering tot ontneming
van wederrechtelijk verkregen voordeel opweegt tegen het belang dat de
veroordeelde heeft bij tijdige behandeling van de ontnemingsvordering
en derhalve niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet op
zijn plaats is.
18. Ook wanneer wordt uitgegaan van hetgeen staat vermeld in het
proces-verbaal van de terechtzitting valt op dat de afweging die het
Hof maakt afwijkt van die welke de Hoge Raad pleegt te maken. Het Hof
spreekt van het belang van berechting van de onderhavige zaak, de Hoge
Raad van het belang van normhandhaving door berechting.(6) Zo zou ik
de overweging van het Hof ook willen verstaan. Ook in ander opzicht
wijkt de afweging van het Hof af van die welke in de formulering van
de Hoge Raad besloten ligt. Het Hof weegt het belang van
normhandhaving door berechting af tegen het belang van de veroordeelde
bij tijdige behandeling van de ontnemingsvordering, de Hoge Raad weegt
het belang van normhandhaving door berechting af tegen het belang van
de veroordeelde bij niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar
Ministerie in zijn ontnemingsvordering nadat de redelijke termijn is
overschreden.
19. De onderhavige zaak wordt gekenmerkt door een periode van bijna
zeven jaar na aanvang van de redelijke termijn, waarvan een periode
van bijna vijf jaar in hoger beroep is toe te schrijven aan
inactiviteit dan wel inadequate activiteit van het justitiële
apparaat. Reeds daarom is de verwerping van het beroep op
niet-ontvankelijkheid zonder nadere redengeving, die ontbreekt, niet
zonder meer begrijpelijk.
20. Aan die begrijpelijkheid doet voorts af dat het belang van
normhandhaving door berechting al ruimschoots tot zijn recht is
gekomen doordat de veroordeelde ter zake van de door hem begane
strafbare feiten bij onherroepelijk vonnis van 5 september 1996 reeds
twintig maanden gevangenisstraf waarvan vijf maanden voorwaardelijk is
opgelegd. Die omstandigheid relativeert het belang van de gemeenschap
bij normhandhaving door een veroordeling tot betaling aan de Staat
wegens ontneming van door die strafbare feiten verkregen voordeel van
EUR 13.000,--. Daarin verschilt de onderhavige zaak van die genoemd in
nr. 13 waar de normhandhaving alleen in de veroordeling tot straf
uitdrukking vond.
21. Ook het gedrag van de justitiële autoriteiten relativeert genoemd
belang. Kennelijk immers - en tegen de achtergrond van de veroordeling
tot de opgelegde straf niet onbegrijpelijk - was dat belang niet zo
groot dat het de moeite waard was in een uitgewerkte
ontnemingsbeslissing te voorzien en om ook maar enige voortvarendheid
in de afdoening te betrachten, zelfs niet toen ten tijde van de
terechtzitting van 22 maart 2001 de redelijke termijn al ruimschoots
was overschreden. Dit doet eveneens af aan de begrijpelijkheid van het
oordeel van het Hof. En dan spreek ik nog niet van de omstandigheid
dat ondanks de duur van de behandeling in hoger beroep het Hof het
uitgewerkte ontnemingsarrest pas meer dan acht maanden na het
instellen van het beroep in cassatie, dus met wederom overschrijding
van de redelijke termijn aan de Hoge Raad heeft doen toekomen.
22. Zoals ik hiervoor reeds opmerkte weegt het Hof het belang van
normhandhaving door berechting af tegen het belang van de veroordeelde
bij berechting binnen redelijke termijn. Het belang van normhandhaving
door berechting dient echter te worden afgewogen tegen het belang van
de veroordeelde bij verval van het recht tot strafvordering. Dat
belang is hierin gelegen dat hij niet na zo lange tijd te hebben
geleefd onder de dreiging aan de Staat een geldsom te moeten betalen
uit hoofde van wederrechtelijk verkregen voordeel en, belangrijker,
het moeten ondergaan van - ten tijde van de beslissing van het Hof -
vervangende hechtenis of - thans - gijzeling als hij aan die
verplichting niet kan voldoen.(7) Dat belang komt in de door het Hof
getroffen afweging niet tot zijn recht. Ook dat doet afbreuk aan de
begrijpelijkheid van de verwerping van het beroep op
niet-ontvankelijkheid.
23. Het middel slaagt.
24. Het derde middel strekt ten betoge dat het Hof de zaak na
vernietiging op de voet van het bepaalde in art. 423 lid 2 jo 511g Sv
had dienen terug te wijzen naar de Rechtbank omdat de beslissing van
de Rechtbank in strijd met het op straffe van nietigheid in art. 359
Sv bepaalde niet de bewijsmiddelen bevatte.
25. De steller van het middel stelt zich met juistheid op het
standpunt dat de beslissing van de Rechtbank op straffe van nietigheid
de bewijsmiddelen had moeten bevatten (art. 359 jo 511d lid 1 Sv) .Het
Hof heeft de beslissing van de Rechtbank dan ook terecht vernietigd.
26. Anders dan de steller van het middel wil voorziet art. 423 lid 2
Sv, zoals het Hof met juistheid overwoog, in een geval als het
onderhavige echter niet in terugwijzing van de zaak naar de
Rechtbank.(8)
27. Het middel faalt.
28. Het vierde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte
vervangende hechtenis heeft opgelegd.
29. Deze klacht is gegrond. Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8
mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het
Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere
wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen
voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van
toepassing. De Hoge Raad zal daarom - ook wanneer geen van de
voorgaande middelen slagen - de bestreden uitspraak dienen te
vernietigen voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd (vgl.
HR 7 oktober 2003, LJN AF9473).
30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn
bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik
niet aangetroffen.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en
verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger
beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zo HR 24 juni 2003, 00025/03, HR 15 april 2003, 02149/02, HR 18
november 2003, 00869/03, LJN AM0234, HR 16 december 2003, 01400/03,
LJN AN9181.
2 Zo HR 15 oktober 2002, 01949/01, LJN AE7382, HR 11 maart 2003,
01465/02, LJN AF4217.
3 Tot 1 september 2003; zie Wet van 9 mei 2003, Stb. 2003, 202.
4 HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.8 sub a. Er is een SFO
ingesteld. Ook de datum waarop dit aan de verdachte bekend werd
(machtiging SFO betekend in persoon 8 augustus 1996) kan als tijdstip
van aanvang van de redelijke termijn worden genomen (genoemd arrest,
rov. 3.6 sub b). Dat is maar iets vroeger dan het in de tekst genomen
tijdstip en is daarom voor de onderhavige zaak niet van wezenlijke
betekenis.
5 In HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, m.nt. JdH wordt voor de
behandeling in hoger beroep niet aangegeven dat in ontnemingszaken een
termijn voor berechting in hoger beroep moet worden gehanteerd die
afwijkt van de in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.16 voor
gewone strafzaken genoemde termijn van twee jaar. In rov. 3.2 van
eerstgenoemd arrest overweegt de Hoge Raad dat de in laatstgenoemd
arrest voor gewonen strafzaken gegeven uitgangspunten en regels niet
onverkort van toepassing zijn op ontnemingszaken en dat daarom ter
aanvulling van de regels in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 voor
ontnemingszaken enige uitgangspunten en regels worden geformuleerd.
Anders dan De Hullu in zijn noot bij NJ 2001, 307 meen ik dat, nu de
Hoge Raad spreekt van aanvulling van de in NJ 2000, 721 gegeven
uitgangspunten en regels, daarin ligt besloten dat de termijn voor
behandeling in hoger beroep ook in ontnemingszaken op twee jaar wordt
gesteld.
6 O.a. HR 22 mei 2001, NJ 2001, 440, HR 9 september 2003, 02161/02,
rov. 4.3 (ontnemingszaak). Zie ook M.J. Borgers, De
ontnemingsmaatregel, diss. KUB 2001, blz. 429: het gegeven dat het om
een rechtsherstellende maatregel gaat en niet om een straf leidt niet
tot een principieel andere afweging dan in een strafzaak.
7 Op dat aspect wijst ook Borgers, a.w., blz. 429.
8 Zie voor de beperkte uitbreiding die in de rechtspraak is gegeven
aan het bepaalde in art. 423 lid 2 Sv (waaronder het ontbreken van een
uitgewerkt vonnis niet is begrepen: HR 4 april 2003, NJ 2003, 433) HR
3 januari 1995, NJ 1995, 517 m.nt. AHJS, HR 3 januari 1995, DD 95.163
en HR 10 januari 1995, DD 95.171, HR 7 mei 1996, NJ 1996, 557, HR 16
juni 1998, NJ 198, 836, HR 10 oktober 2000, NJ 2000, 694, HR 28 mei
2002, NJ 2003, 330, HR 1 april 2003, NJ 2003, 331.