Persbericht
10 juni 2004
Ruimtegebruik onder de grond beter ordenen
Het gebruik van de ruimte onder de grond moet beter worden geordend. Dit gebeurt nu niet integraal terwijl dat voor de ruimte boven de grond wel gebruikelijk is. Oorzaak is een gebrek aan kennis van het gebruik (parkeergarages, gas- en elektraleidingen, grondwater) en de effecten daarvan. Daarnaast worden in bijvoorbeeld bestemmingsplannen gegevens over dit ruimtegebruik nauwelijks opgenomen. Ook is de verantwoordelijkheidsverdeling bij de overheid niet duidelijk, wat leidt tot aparte regels voor leidingen, grondwater of parkeergarages. Dit blijkt uit een onderzoek van het Centrum Ondergronds Bouwen in opdracht van VROM.
Minister Dekker heeft het rapport vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Na de zomer komt het kabinet met een beleidsstandpunt. Volgens het onderzoek moet het rijk het ondergronds ruimtegebruik meer in bestaande regels, instrumenten (bijvoorbeeld streek- en bestemmingsplannen) en uitvoeringsprojecten inbedden. De ruimtelijke ordening moet een volwaardig 'driedimensionale' ordening zijn, waarbij naast bouwhoogte, ook meer de 'bouwdiepte' is betrokken. Daarmee is een optimale benutting en duurzame bescherming van de ruimte onder de grond te bereiken. Provincies en gemeenten staan voor de opgave om het huidige gebruik, de functies en de kwaliteit van de ruimte onder de grond mee te wegen in hun plannen en besluiten. De gebruikers van de ondergrond hebben het recht om deze te benutten, maar evenzeer de plicht om er zorgvuldig mee om te gaan. Enkele meer specifieke aanbevelingen uit het onderzoek zijn de volgende. Neem het gebruik van de ondergrond op in de Strategische Milieubeoordeling (SMB), een beoordeling van de milieueffecten nog voordat planologische besluiten zijn genomen. Pas de lagenbenadering - een methode die het ordeningsproces voor alle functies inzichtelijk maakt - toe in aantal streek- en bestemmingsplannen. En verken de mogelijkheden om afzonderlijke toetsen, zoals de zogenoemde watertoets (een toets om de invloed van de waterhuishouding van een gebied bij ruimtelijke beslissingen mee te nemen) en de SMB, te integreren.
Voor het onderzoek zijn betrokkenen bij het gebruik van de ruimte onder de grond geïnterviewd. Daarnaast er is in het onderzoek onderscheid gemaakt naar de verschillende functies die deze ruimte vervult: de transportfunctie (leidingen en tunnels), de draag- en verblijfsfunctie (funderingen), de productiefunctie (bodembiodiversiteit, landbouw), de bergingsfunctie (ondergrondse opslag) en de archieffunctie (archeologische vindplaatsen).
Met dit onderzoek is voor het eerst gekozen voor een integrale en praktijkgeoriënteerde benadering van het gebruik van de ruimte onder de grond. De studie van het Centrum Ondergronds Bouwen is uitgevoerd in opdracht van VROM en in samenwerking met de ministeries van EZ, LNV, Defensie en V&W. Signalen uit het veld en vragen uit de Tweede Kamer zijn aanleiding voor het onderzoek geweest.
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer