Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AO5117 Zaaknr: C03/026HR
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 4-06-2004
Datum publicatie: 4-06-2004
Soort zaak: civiel - civiel overig
Soort procedure: cassatie
4 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/026HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
,
wonende te ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,
t e g e n
,
wonende te ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: - heeft bij exploot van
21 januari 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen:
- gedagvaard voor de rechtbank te Almelo en gevorderd bij
vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan
tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
- de contante waarde van de som van f 50.534,-- berekend met
inachtneming van een rentepercentage van 5%, vermeerderd met de
wettelijke rente over dat bedrag vanaf de peildag waartegen de
contante waarde is berekend,
- althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal
vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente over dat
bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele
voldoening.
heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 19 april 2000 een comparitie
van partijen gelast en bij tussenvonnis van 21 juni 2000 de zaak naar
de rol verwezen voor het nemen van een akte door .
Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 16 augustus 2000
een deskundigenonderzoek gelast, een deskundige benoemd en een vraag
geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindvonnis
van 31 januari 2001 de vordering afgewezen.
Tegen de vonnissen van 19 april 2000, 16 augustus 2000 en 31 januari
2001 heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te
Arnhem. heeft incidenteel hoger beroep tegen de vonnissen
van 16 augustus 2000 en 31 januari 2001 ingesteld.
Bij arrest van 24 september 2002 heeft het hof
niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van
de rechtbank te Almelo van 19 april 2000 en de vonnissen van die
rechtbank van 16 augustus 2000 en 31 januari 2001 bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen is verstek verleend.
heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Verkade strekt tot verwerping
van het beroep.
De advocaat van heeft op 19 maart 2004 op deze conclusie
gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) heeft ter gelegenheid van de ontbinding van een tussen hem
en een werkgever bestaan hebbende arbeidsovereenkomst een
schadeloosstelling ontvangen van f 94.737,--. In januari 1995 heeft
hij , een adviseur vermogensvorming, gevraagd hem voor te
lichten omtrent het op fiscaal gunstige wijze beleggen daarvan.
heeft een stamrechtverzekering aangeboden bij DBV
Levensverzekeringen N.V. te Zeist, een van de maatschappijen waarvan
hij agent is.
(ii) De desbetreffende offerte, gedateerd 7 februari 1995, hield in
een stamrechtuitkering van na vijftien jaar gegarandeerd f 277.945,--
bij een storting van f 100.000,--. Daarbij was aangegeven dat dit een
nettorendement van 7% betekende; ook was in de offerte vermeld dat de
polis winstdelend was.
(iii) Op 20 februari 1995 heeft aan een
aangepaste offerte gestuurd waarin de koopsom was aangepast aan het
hiervoor onder (i) genoemde bedrag; daarbij is een stamrechtuitkering
genoemd van na vijftien jaar gegarandeerd f 263.317,-- en ook is weer
vermeld dat het netto-rendement van de polis 7% was en dat deze
winstdelend zou zijn. Deze offerte is door aanvaard.
(iv) Op de door ontvangen polis is vermeld dat deze op de
einddatum, 16 maart 2010, een bedrag van f 263.317,-- uitkeert. Achter
het in de polis voorkomende woord "Winstdeling" staat na een spatie
een dubbele punt en daarachter is de in hetzelfde schrift als de
verdere inhoud van de polis geschreven passage "n.v.t." met vijfmaal
de letter "x" doorgehaald en is achter die vijf kruisjes een schuine
streep (/) geplaatst met daarachter het woord "ja"; die kruisjes, die
schuine streep en dat woord "ja" zijn op die polis aangebracht door
middel van een ander vehikel dan voor de rest van de tekst daarvan is
gebruikt.
(v) Bij brief van 11 mei 1998 heeft DBV aan laten weten dat
het tarief Sfk (de in het polisblad vermelde tariefcode van de
afgesloten verzekering) geen winstdeling kent.
3.2 In het onderhavige geding heeft gevorderd te
veroordelen tot het vergoeden van de schade die hij stelt te hebben
geleden als gevolg van de omstandigheid dat de gesloten verzekering
geen winstdeling kent. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 16
augustus 2000 geoordeeld dat aan niet heeft
geleverd wat tussen partijen was overeengekomen, namelijk een
nettorendement van 7% plus winstdeling, en dat aldus in
zijn prestatieplicht jegens is tekortgeschoten en
aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door geleden dan
wel te lijden schade. Zij heeft vervolgens met betrekking tot de vraag
hoe groot de schade van is een deskundigenbericht gelast. Bij
haar eindvonnis van 31 januari 2001 heeft de rechtbank naar aanleiding
van het betoog van dat de vraagstelling aan de deskundige
verkeerd is geweest, althans dat de deskundige de vraagstelling
verkeerd heeft begrepen, overwogen dat de rechtbank haar opdracht aan
de deskundige juist heeft geformuleerd en dat de deskundige zijn
opdracht op juiste wijze heeft uitgevoerd. Zij heeft de conclusie van
de deskundige dat de contante waarde van de in de toekomst bij te
schrijven aandelen in de winst uitkomt op een bedrag gelijk aan nul,
juist geacht en de vordering van afgewezen. Het hof heeft de
beide hiervoor genoemde vonnissen bekrachtigd.
3.3.1 Bij zijn eerste appelgrief heeft zijn betoog herhaald
dat de vraagstelling aan de deskundige verkeerd is geweest, althans
dat de deskundige de vraagstelling verkeerd heeft begrepen. Hij heeft
in dit verband aangevoerd dat de deskundige zijn berekeningen ten
onrechte heeft gebaseerd op te maken overrente, omdat hij uit
mededelingen van heeft mogen afleiden dat de
overeengekomen winstdeling een maatschappijwinstdeling betreft.
3.3.2 Het hof heeft in zijn rov. 4.4 de vraag onderzocht of bij
het gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat de toegezegde
winstdeling zag op een maatschappijwinstdeling. Het hof heeft daarbij
vooropgesteld dat op de bewijslast van zijn stellingen rust,
maar geoordeeld dat aan bewijslevering niet kan worden toegekomen,
omdat onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om zijn
stelling te staven. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen (a)
dat de stelling van dat de mededelingen van "de
strekking hadden dat wanneer DBV winst zou behalen het rendement op de
polis hoger zou zijn dan het gegarandeerde rendement" te weinig
concrete informatie over die mededelingen bevat, en voorts van belang
geacht (b) dat , naar hij zelf heeft gesteld, met
niet over de verschillende vormen van winstdeling heeft gesproken, en
(c) dat DBV in het geheel geen maatschappijwinstdeling kent en dat
niet veel maatschappijen deze vorm van winstdeling kennen.
3.4.1 De onderdelen 1 - 3 klagen dat het hof niet
overeenkomstig zijn aanbod tot bewijs door getuigen heeft toegelaten.
De onderdelen zijn tevergeefs voorgesteld, omdat zij eraan voorbijzien
dat het hof met zijn hiervoor in 3.3.2 onder (a) weergegeven
overweging tot uitdrukking heeft gebracht dat niet aan zijn
stelplicht heeft voldaan, waarbij mede van belang is dat het in het
licht van de door het hof onder (b) en (c) vermelde omstandigheden,
die naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof
erop wijzen dat het standpunt van naar objectieve maatstaven
niet voor de hand ligt, op de weg van had gelegen concretere
gegevens over de inhoud van de door gedane mededelingen
naar voren te brengen. Deze gedachtegang die berust op een aan de
rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de stukken
van het geding, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en
is niet onbegrijpelijk. Van een verboden prognose ten aanzien van het
resultaat van de bewijslevering is dan ook, anders dan onderdeel 2
aanvoert, geen sprake.
3.4.2 De onderdelen 4 en 5, die strekken ten betoge dat het hof heeft
miskend dat het niet gaat om bewijslevering alleen en dat het hof met
toepassing van de Haviltex-norm de inhoud van de overeenkomst van
partijen had moeten vaststellen, missen feitelijke grondslag en kunnen
derhalve evenmin tot cassatie leiden. Het hof heeft immers blijkens
zijn rov. 4.4 de Haviltex-norm toegepast, maar het is tot het, in
cassatie tevergeefs bestreden, oordeel gekomen dat onvoldoende
heeft gesteld om daaruit te kunnen afleiden dat bij het
gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat een maatschappijwinstdeling
was overeengekomen. Onderdeel 6, dat klaagt dat het hof, indien het
wel de Haviltex-norm heeft gehanteerd, zijn oordeel ontoereikend heeft
gemotiveerd, stuit hierop eveneens af.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt in de kosten van het geding in cassatie, tot op
deze uitspraak aan de zijde van begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter
en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en
E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.
Hammerstein op 4 juni 2004.
*** Conclusie ***
C03/026HR
Mr. D.W.F. Verkade
Zitting 5 maart 2004
Conclusie inzake:
tegen
1. Inleiding
In deze zaak strijden partijen over de betekenis van het begrip
'winstdeling' in een door tussenkomst van door
gekochte koopsompolis. Het hof is, evenals de rechtbank na
deskundigenbericht, uitgegaan van: deling van 'overrente'-winst boven
de voor de onderhavige polis geldende zgn. rekenrente. Het
cassatieberoep, met materiële en processuele rechts- en
motiveringsklachten, betreft de verwerping door het hof van het
standpunt van , volgens wie het begrip winstdeling als
maatschappijwinstdeling zou moeten worden uitgelegd.
2. Feiten en procesverloop(1)
2.1. heeft ter gelegenheid van de ontbinding van een
arbeidsovereenkomst een schadeloosstelling ontvangen van f 94.737,--.
In januari 1995 heeft hij aan gevraagd om hem voor te
lichten omtrent het op fiscaal gunstige wijze beleggen daarvan.
2.2. is adviseur vermogensvorming en heeft aan
een stamrechtverzekering aangeboden bij DBV Levensverzekeringen NV te
Zeist (hierna: DBV).
2.3. De betreffende offerte, gedateerd 7 februari 1995, hield in een
stamrechtuitkering van na 15 jaar gegarandeerd f 277.945 ,-- bij een
storting van f 100.000,--; daarbij was aangegeven dat dit een
nettorendement van 7% betekende; ook was in de offerte aangegeven dat
de polis winstdelend was.
2.4. Op 20 februari 1995 heeft aan een aangepaste
offerte gestuurd waarin de koopsom was aangepast aan het hierboven sub
2.1 genoemde bedrag; daarbij is een stamrechtuitkering van na 15 jaar
gegarandeerd f 263.317,-- genoemd, evenals het nettorendement van 7%,
en dat de polis winstdelend zou zijn.
2.5. Deze tweede offerte is door aanvaard.
2.6. Op de door ontvangen polis is vermeld dat deze op de
einddatum, 16 maart 2010, een bedrag van f 263.317,-- uitkeert.
2.7. Achter het in de polis voorkomende woord "Winstdeling" staat na
een spatie een dubbele punt. Daarachter is de, in het zelfde schrift
als de verdere inhoud van de polis vermelde passage "n.v.t.", met een
aantal malen de letter x doorgehaald. Achter die kruisjes is een
schuine streep (/) geplaatst met daarachter het woord "ja". De
kruisjes, de schuine streep en het woord ja zijn met een ander vehikel
dan de rest van de tekst daarvan op de polis aangebracht.
2.8. Bij brief d.d. 11 mei 1998 heeft DBV aan laten weten dat
het tarief Sfk geen winstdeling kent; in het polisblad is vermeld dat
de tariefcode van de afgesloten verzekering Sfk is.(2)
2.9. Bij inleidende dagvaarding van 21 januari 2000 heeft bij
de rechtbank te Almelo gevorderd dat zou worden
veroordeeld tot betaling van f 50.534,-- met rente en kosten, welk
bedrag volgens wegens een tekortkoming in de
nakoming van hun overeenkomst jegens hem verschuldigd is.
voerde gemotiveerd verweer.
2.10. Na tussenvonnissen van 19 april 2000 en 21 juni 2000 oordeelde
de rechtbank bij tussenvonnis van 16 augustus 2000, samengevat
weergegeven, als volgt. De relatie tussen en DBV raakt
niet. is, door niet een verzekering met
winstdeling te leveren, tekortgekomen in de nakoming van haar
verplichtingen jegens en is aansprakelijk voor de
dientengevolge door geleden en te lijden schade. De stelling
van dat hij op informatie van DBV heeft gehandeld, biedt
hooguit grond voor een regresvordering van hem op DBV. De rechtbank
gelastte een deskundigenonderzoek voor de begroting van de schade van
.
2.11. De deskundige, , concludeerde o.m. dat
verzekeringen tegen een eenmalige koopsom in het algemeen niet in de
winst delen. Ervan uitgaande dat de onderhavige polis wél in de winst
zou delen, zou over de jaren 1995-1999, gelet op het
Staatsleningenrendement, geen ruimte voor winstdelingen hebben
bestaan, terwijl dit voor de komende jaren ook niet verwacht kon
worden. Op grond hiervan schatte de deskundige de waarde van de in te
toekomst bij te schrijven aandelen in de winst op nihil.(3)
2.12. Bij conclusie na deskundigenbericht van 8 november 2000 stelde
dat de vraagstelling aan de deskundige verkeerd is geweest en
vorderde hij een nieuw deskundigenonderzoek.
2.13. Bij eindvonnis van 31 januari 2001 overwoog de rechtbank onder
meer:
'2.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechtbank haar
opdracht aan de deskundige in het tussenvonnis van 16 augustus 2000
juist geformuleerd en heeft de deskundige zijn opdracht op een juiste
wijze uitgevoerd.
Als uitgangspunt van de winstdelingsberekening geldt volgens de
deskundige en de rechtbank de polis die door is afgesloten en
niet de totale winstdeling van DBV. heeft onvoldoende gesteld
om aan te nemen dat de totale winstdeling van DBV als uitgangspunt
dient te gelden. Dit is ook niet gebruikelijk bij het bepalen van
winst bij dergelijke polissen in de verzekeringsbranche.
vordert een nieuw deskundigenbericht waarbij de deskundige
dient uit te gaan van een rekenrente van 4%. DBV heeft aan de
deskundige te kennen gegeven dat de op de polis van toegepaste
rekenrente 7,4% is geweest. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom
van een lagere rekenrente uitgegaan dient te worden. heeft ook
ten aanzien van dit punt te weinig gesteld om af te wijken van hetgeen
door de deskundige naar voren is gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de deskundige zijn bevindingen in zijn
deskundigenbericht grondig heeft onderbouwd. De conclusie van de
deskundige dat de contante waarde van de in de toekomst bij te
schrijven aandelen in de winst uitkomt op een bedrag gelijk aan nul,
acht de rechtbank juist.'
2.14. Tegen de vonnissen van 19 april 2000, 16 augustus 2000 en 31
januari 2001 is in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te
Arnhem. stelde incidenteel appel in tegen de vonnissen
van 16 augustus 2000 en 31 januari 2001.
2.15. Bij arrest van 24 september 2002 heeft het hof
niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 19
april 2000. Het hof heeft de vonnissen van 16 augustus 2000 en 31
januari 2001 bekrachtigd. Het hof overwoog hiertoe, voor zover in
cassatie van belang:
'4.2. De grieven van richten zich tegen de vraagstelling
aan de deskundige en de wijze waarop deze zijn opdracht heeft vervuld.
4.3. Met de eerste grief betoogt dat de vraagstelling aan de
deskundige verkeerd is geweest, althans dat de deskundige de
vraagstelling verkeerd heeft begrepen. heeft, onder
overlegging van een brief van een door hem ingeschakelde deskundige,
aangegeven dat winstdeling kan worden gebaseerd op te maken overrente
dan wel op door de maatschappij te maken winst. In de visie van
heeft de deskundige zijn berekeningen ten onrechte gebaseerd
op te maken overrente, omdat uit mededelingen van
heeft mogen afleiden dat de overeengekomen winstdeling een
maatschappij-winstdeling betreft.
4.4. dient te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat hij
met een maatschappijwinstdeling is overeengekomen.
heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld
waaruit deze afspraak volgt, zodat aan bewijslevering niet kan worden
toegekomen. De stelling van dat de mededelingen van
"de strekking hadden dat wanneer DBV winst zou behalen
het rendement op de polis hoger zou zijn dan het gegarandeerde
rendement" bevat te weinig concrete informatie over die mededelingen
om daaruit te kunnen afleiden dat zij bij een gerechtvaardigd
vertrouwen van de juistheid van zijn standpunt hebben kunnen wekken.
Daarbij is tevens van belang dat zelf heeft gesteld dat hij
met niet over de verschillende vormen van winstdeling
heeft gesproken en dat uit zowel het deskundigenbericht als uit de
door overgelegde brief van de door hem ingeschakelde
deskundige blijkt dat DBV in het geheel geen maatschappij-winstdeling
kent. Bovendien blijkt uit voornoemde brief dat niet veel
maatschappijen deze vorm van winstdeling kennen. De grief faalt
mitsdien.'
2.14. Tegen dit arrest heeft - tijdig(4) - beroep in cassatie
ingesteld. is in cassatie niet verschenen. heeft
zijn standpunt schriftelijk doen toelichten.
3. Inleidende opmerkingen
3.1. Het middel moet worden beoordeeld tegen de volgende
achtergronden.
Toerekenbaar tekortschieten, en toch geen schade?
3.2. heeft een koopsompolis toegezegd met, naast
een gegarandeerd nettorendement van 7 %, een winstdelingsclausule.
heeft aan ook een polis afgeleverd waarop de
clausule 'winstdeling: ja' is vermeld. De verzekeringsmaatschappij
(DBV) heeft gemotiveerd ontkend dit 'ja'-woord geplaatst te hebben. De
doorhaling van de letters 'n.v.t.' achter 'winstdeling', en de
toevoeging van het woord 'ja' zijn ook in een andere
(schrijfmachine-)letter vermeld dan de belettering van (de rest van)
de polis van DBV.
Dat sprake is van toerekenbaar tekortschieten van , is in
cassatie het onbestreden uitgangspunt. Dat ernstig vertoornd
moet zijn (geweest) door het gedrag van , laat zich
denken.
3.3. Met toerekenbaar tekortschieten - of: onrechtmatig handelen - is
schade evenwel nog niet gegeven. Dat is wel eens moeilijk te
verkroppen. Soms ziet men zelfs een rechtbank of een gerechtshof uit
een tekortkoming (al te) rechtstreeks, vermeende daardoor geleden
schade afleiden. Dat is echter niet juist.(5)
3.4. Wat de onderhavige zaak betreft, heeft de rechtbank op basis van
het rapport van de deskundige (p. 4) beslist - en is in
cassatie niet omstreden - dat de winstdeling van op basis van
op 'overrente' op 'rekenrente' gebaseerde winstdeling, tot 2000 op
nihil uitgekomen zijn. Dat komt - zie nader het deskundigenrapport -
omdat de koopsompolis werd afgesloten op een tijdstip toen de
rentestand hoog was: sindsdien is die alleen maar gedaald. De
verwachting van de deskundige (zakelijk overgenomen door de rechtbank,
in cassatie eveneens onomstreden) was voorts dat zeer de vraag is of
het (in 1995 door DBV tot uitgangspunt genomen) rendement op
Staatsleningen in de komende jaren (v.a. 2000) boven de 7,4% zou
uitkomen.(6)
Door de min of meer toevallige omstandigheid dat , achteraf
bezien, de koopsompolis op een, ten aanzien van de gegarandeerde som,
buitengewoon gunstig moment heeft afgesloten, heeft hij in zekere zin
de 'pech' dat hij via het systeem van rekenrente-winstdeling (voor
zover tot dusverre te overzien) toch géén hogere opbrengst ontvangt.
Op basis van die rekenmethode/uitleg heeft hij dus ook geen bij
te claimen schade geleden. Daartegenover staat in zekere
zin 's 'geluk' van niettemin een rendement waarover veel
beleggers opgetogen zouden zijn.
Intussen kan er, zoals in de inleiding reeds bleek, tóch de
mogelijkheid van (door te vergoeden) schade zijn, indien
het woord 'winstdeling' in de onderhavige offertes/polis zou moeten
worden uitgelegd als 'maatschappijwinstdeling'. Dat is dus de inzet in
cassatie.
De uitleg van overeenkomsten en bewijsrecht
3.5. Bij de beantwoording van de vraag welke soort winstdeling
partijen bij de door voor te kiezen verzekering
was overeengekomen, geldt de Haviltex-maatstaf:
'De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is
geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld,
kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver
taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de
beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in
de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze
bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien
redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van
belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke
rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht. Een en ander brengt
mee dat het Hof bij het bepalen van zijn oordeel dat de in zijn zesde
r.o. bedoelde bepaling van het contract geen leemte laat in de
regeling van de rechtsverhouding van pp., een onjuiste maatstaf heeft
aangelegd.' (7)
3.6. Ook in het geval dat ten processe vaststaat dat een overeenkomst
is gesloten (zoals in het onderhavige geval) en alleen de uitleg in
geschil is, zal de uitspraak soms afhankelijk zijn van het bewijs van
feiten. De rechter is vrij in de keuze van de middelen die hij wil
bezigen om de partijbedoeling te achterhalen. Wel moet hij een partij
die bewijslevering door getuigen aanbiedt, daartoe in staat stellen
wanneer daarvoor voldoende gesteld is (zie nader hierna, nr. 3.8) en
het bewijsaanbod betrekking heeft op feiten en omstandigheden die voor
de uitleg van de overeenkomst van belang zijn.(8)
3.7. Partijen moeten feiten en omstandigheden aandragen die de door
hen voorgestane uitleg ondersteunen, maar zij hoeven niet de uitleg
zelf te bewijzen. De uitleg - de tussen partijen omstreden
interpretatie van teksten en verdere feiten en omstandigheden - is
immers de taak van de rechter. In het licht hiervan kan ten aanzien
van een op (uitleg van een) overeenkomst gegronde vordering als regel
niet worden aanvaard dat (uitsluitend) op de eiser het bewijsrisico
rust terzake van de door hem verdedigde uitleg, in de zin dat de
rechter zonder zelf tot uitleg over te gaan de door de gedaagde
verdedigde uitleg zou kunnen overnemen, indien de eiser naar het
oordeel van de rechter voor de aan de vordering ten grondslag gelegde
uitleg onvoldoende heeft gesteld of niet in het bewijs van de daartoe
gestelde feiten en omstandigheden is geslaagd. Partijen moeten de
relevante feiten en omstandigheden aandragen, op grond waarvan de
rechter vervolgens tot een (zelfstandig) uitleg-oordeel komt.
Bij dit alles moet wel worden aangetekend dat de rechter niet is
gehouden om andere dan de door partijen naar voren gebrachte
gezichtspunten bij zijn uitleg te betrekken.(9) Een partij die nalaat
voor hem gunstige, voor de uitleg relevante omstandigheden aan te
voeren (en, als het om betwiste feitelijke omstandigheden gaat, zo
nodig te bewijzen), zal daarom een geringere kans hebben dat de
beslissing in zijn voordeel uitvalt.
Het is intussen nog mogelijk dat, ook wanneer nader (eigen,
rechterlijk) onderzoek naar de betekenis van de in geschil zijnde
contractsbepaling nodig is, de bewoordingen daarvan de door de ene
partij verdedigde uitleg voorshands zó aannemelijk maken, dat het op
de weg van de wederpartij ligt om daartegen tegenbewijs te leveren: HR
9 december 1994, NJ 1995, 197 (Janssen/ZVG).
3.8. Om tot het bewijs toegelaten te worden, dient men voldoende te
hebben gesteld. Over het passeren van een bewijsaanbod op de grond dat
daaraan niet is voldaan, merkt A-G Bakels in zijn conclusie voor HR 21
mei 1999, NJ 2000, 13 het volgende op:
'De (...) voorwaarde dat een bewijsaanbod moet worden onderbouwd door
voldoende concreet en specifiek daartoe gestelde feiten en
omstandigheden, strekt ertoe te waarborgen dat dit aanbod voldoende
serieus is. Bewijslevering door getuigen gaat immers onvermijdelijk
gepaard met tijdverlies, waardoor de duur van de procedure wordt
verlengd, en kosten. Daarom is het vanuit een goede procesorde bezien
redelijk waarborgen te verlangen dat dit pad niet lichtvaardig of
zelfs nodeloos wordt ingeslagen. Meer mag in het kader van de
stelplicht niet worden verlangd. (...)
Op zichzelf is het waar dat, als hetgeen te bewijzen wordt aangeboden
berust op een mededeling van een met name genoemde persoon die de
juistheid daarvan vervolgens schriftelijk ontkent, nadere eisen
gesteld mogen - zo niet moeten - worden aan de stelplicht van de
procespartij die de juistheid van haar standpunt tóch wil volhouden
(...)'.(10)
3.9. Daarnaast moet een bewijsaanbod voor gewoon bewijs(11) in ieder
geval ter zake dienend zijn - het moet betrekking hebben op 'de feiten
die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden' (art. 166 Rv) - en
voldoende gespecificeerd zijn.(12) Een bewijsaanbod mag niet worden
gepasseerd op grond van een prognose omtrent het resultaat van de
bewijslevering.(13) Dit geldt ook voor de verklaring van een
partij-getuige: deze mag pas worden gewaardeerd na het
getuigenverhoor.(14)
Of aan de stelplicht is voldaan is een aan de feitenrechter
voorbehouden oordeel.(15)
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1. Het middel, dat uit zes onderdelen bestaat, richt zich tegen rov.
4.4 van het bestreden arrest. Voor het gemak geef ik deze overweging
hier opnieuw weer:
'4.4 dient te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat hij
met een maatschappijwinstdeling is overeengekomen.
heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld
waaruit deze afspraak volgt, zodat aan bewijslevering niet kan worden
toegekomen. De stelling van dat de mededelingen van
"de strekking hadden dat wanneer DBV winst zou behalen
het rendement op de polis hoger zou zijn dan het gegarandeerde
rendement" bevat te weinig concrete informatie over die mededelingen
om daaruit te kunnen afleiden dat zij bij een gerechtvaardigd
vertrouwen van de juistheid van zijn standpunt hebben kunnen wekken.
Daarbij is tevens van belang dat zelf heeft gesteld dat hij
met niet over de verschillende vormen van winstdeling
heeft gesproken en dat uit zowel het deskundigenbericht als uit de
door overgelegde brief van de door hem ingeschakelde
deskundige blijkt dat DBV in het geheel geen maatschappij-winstdeling
kent. Bovendien blijkt uit voornoemde brief dat niet veel
maatschappijen deze vorm van winstdeling kennen. De grief faalt
mitsdien.'
Onderdelen 1-3
4.2. Volgens onderdeel 1 is zonder nadere motivering onbegrijpelijk 's
hofs passering van 's stelling dat de mededelingen van
'de strekking hadden dat wanneer DBV winst zou behalen
het rendement op de polis hoger zou zijn dan het gegarandeerde
rendement' en de passering van het daarbij gedane bewijsaanbod.
Hiermee zou het hof te hoge eisen hebben gesteld aan de Memorie van
grieven, waarin de stelling was vervat, terwijl 's hofs beslissing het
bewijsaanbod te passeren voorts op een ongeoorloofde prognose ten
aanzien van de uitkomsten van de bewijslevering zou berusten.
Onderdeel 2 voegt daaraan toe dat de overige door het hof gegeven
overwegingen, die bovendien slechts ten dele op de communicatie tussen
en betrekking hebben, pas na getuigenverhoor
mochten worden gewogen en niet hadden mogen worden gehanteerd om een
partij de gelegenheid tot getuigenverhoor te onthouden.
Onderdeel 3 acht de beslissing het bewijsaanbod te passeren
onvoldoende gemotiveerd met de volgens het onderdeel daartoe door het
hof gegeven argumenten dat blijkt dat DBV geen maatschappijwinstdeling
kent en dat blijkt dat niet veel maatschappijen deze vorm van
winstdeling kennen.
4.3. De onderdelen 2 en 3, die ik eerst bespreek, berusten m.i. op een
verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft in rov. 4.4 m.i. eerst
(i) een oordeel over het (passeren van het) bewijsaanbod gegeven
('onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit deze afspraak
volgt').
Het hof heeft zich (ii) vervolgens (impliciet) aangesloten bij de door
de rechtbank aan de overeenkomst gegeven uitleg van het woord
'winstdeling' in de offertes en de polis (nl. géén
'maatschappijwinstdeling', doch 'overrente-winstdeling'). Dit blijkt
m.i. ook uit het verband tussen rov. 4.4 en de daaraan voorafgaande
rov. 4.3 van het hof.
De door de middelonderdelen 2 en 3 genoemde omstandigheden:
- ('Daarbij is tevens van belang dat zelf heeft gesteld dat
hij met niet over de verschillende vormen van winstdeling
heeft gesproken...'), en
- ('... dat uit zowel het deskundigenbericht als uit de door
overgelegde brief van de door hem ingeschakelde deskundige blijkt dat
DBV in het geheel geen maatschappij-winstdeling kent. Bovendien blijkt
uit voornoemde brief dat niet veel maatschappijen deze vorm van
winstdeling kennen'),
zijn daarbij door het hof niet aangevoerd als argumenten voor de
beslissing omtrent het bewijsaanbod, maar als ondersteuning van zijn
oordeel dat de door voorgestane uitleg niet de juiste is. Deze
omstandigheden dienen dus ter ondersteuning van het door mij met (ii)
aangeduide deel van de beslissing.
De onderdelen 2 en 3 berusten aldus op een verkeerde lezing van het
arrest. Of de daarin aangehaalde omstandigheden de door het hof
gegeven uitleg voldoende (begrijpelijk) ondersteunen, komt bij de
bespreking van onderdeel 6 van het middel aan de orde.
4.4. Onderdeel 1 klaagt over het passeren van de stelling van
over de strekking van de mededelingen van en het passeren
van het bewijsaanbod. Het hof heeft dit bewijsaanbod gepasseerd op de
grond dat ten aanzien van de inhoud van de verklaringen van
onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld.
4.5. Als in nr. 3.8 besproken, kan een bewijsaanbod worden gepasseerd
op de grond dat onvoldoende is gesteld. De vraag resteert dan ook of,
zoals het hof heeft geoordeeld, (mede) in het licht van het
partijdebat, op het punt van de stelplicht betreft van meer
had mogen worden verwacht dan hij bij MvG naar voren heeft gebracht.
De bij MvG aangevoerde stellingen van waar het hier om gaat,
zijn de volgende:
'17. Welke vorm van winstdeling zijn partijen overeengekomen? Bij het
sluiten van de overeenkomst hebben partijen over winstdeling gesproken
zonder in te gaan op verschillende vormen van winstdeling.
stelt zich op het standpunt dat beide partijen bij het sluiten van de
overeenkomst de bedoeling hadden om een polis met winstdeling
gebaseerd op de door de maatschappij te behalen winst te kopen c.q. te
verkopen. heeft dit kunnen en mogen afleiden uit mededelingen
van in de periode voorafgaand aan het sluiten van de
overeenkomst. Deze mededelingen van hadden de strekking
dat wanneer DBV winst zou behalen het rendement op de polis hoger zou
zijn dan het gegarandeerde rendement. Ook de rechtbank is blijkens
r.o. 5 en r.o. 7 van het vonnis van 16 augustus 2000 er - terecht -
vanuit gegaan dat de overeenkomst die partijen gesloten hebben
betrekking heeft op een polis met winstdeling gebaseerd op door de
maatschappij te behalen winst.(16)
18. (...) Partijen zijn er bij het sluiten van de overeenkomst immers
beide vanuit gegaan dat het feit dat de polis winstdelend was betekent
dat het rendement van de polis in ieder geval hoger is dan het
gegarandeerde rendement.'
4.6. Door is bij MvA gesteld dat hij aan altijd
duidelijk heeft aangegeven dat het om winstdeling op basis van
overrente ging, en dat alleen een uitkering plaats heeft wanneer de
rente tenminste 0,25 % boven de rekenrente ligt.(17)
4.7. Tegen de achtergrond van het hierboven weergegeven partijdebat en
de onder nrs. 3.6-3.8 weergegeven regels, kon m.i. van worden
verlangd dat hij zich nader had uitgelaten over de inhoud van hetgeen
in de adviesfase over het begrip winstdeling heeft
verklaard, juist ten aanzien van het in het kader van middelonderdeel
1 springende punt dat de afspraak (oftewel: de mededelingen van
) nu juist 'maatschappijwinstdeling' zou betreffen. Het
(feitelijk) oordeel van het hof dat 's stelling ten aanzien van
een met overeengekomen maatschappijwinstdeling
onvoldoende was onderbouwd, zodat deze stelling en het bewijsaanbod
konden worden gepasseerd, acht ik daarom niet onbegrijpelijk.
Onderdelen 4-6
4.8. Onderdeel 4 klaagt dat het hof heeft miskend dat het ook zonder
nadere bewijslevering gehouden was om door uitleg van de overeenkomst
de betekenis van het daarin gebezigde begrip 'winstdeling' vast te
stellen. Aldus heeft het hof ten onrechte verzuimd bij deze uitleg de
Haviltex-maatstaf hanteren, waarbij onder meer van belang is tot welke
maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis, met
betrekking tot verzekeringsproducten, van hen verwacht mocht worden,
althans heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Volgens
onderdeel 5 heeft het hof in dit verband ten onrechte nagelaten de
deskundigheid van partijen, met name de deskundigheid waarover
als adviseur vermogensvorming geacht mocht worden te
beschikken, in zijn beoordeling te betrekken.
Onderdeel 6 neemt tot uitgangspunt dat het hof in rov. 4.4 wel aan een
zelfstandige uitleg, aan de hand van de Haviltex-maatstaf, van het
begrip 'winstdeling' is toegekomen. In dat geval is 's hofs oordeel
onvoldoende gemotiveerd, omdat daaruit niet blijkt waarom de
onduidelijkheid van het begrip "winstdeling" niet ten laste van de
deskundige , maar van de op dit gebied niet deskundige
komt.
De onderdelen 4-5 enerzijds, en 6 anderzijds, komen daarmee op tegen
twee alternatieve lezingen van rov. 4.4.
4.9. De onderdelen 4 en 5 keren zich tegen de lezing, waarin het hof
het van hem verlangde oordeel over de uitleg heeft ontweken door
's vordering reeds erop te laten afstuiten dat deze voor zijn
standpunt onvoldoende heeft gesteld.
4.10. Bij deze lezing zouden de daartegen gerichte onderdelen 4 en 5,
tegen de achtergrond van de onder de nrs. 3.6 en 3.7 weergegeven
regels, inderdaad gegrond zijn, en mist onderdeel 6 feitelijke
grondslag. Het hof zou dan (in de eerste volzin van rov. 4.4) immers
hebben miskend dat partijen alleen de feiten en omstandigheden moeten
aandragen die de door hen voorgestane uitleg ondersteunen, maar dat
zij niet de uitleg zelf dienen te bewijzen, en dat het - als regel(18)
- niet zo is dat op de eiser het bewijsrisico drukt van de door hem
verdedigde uitleg.
4.11. De vraag is echter óf het hof heeft geoordeeld als onder nr. 4.9
weergegeven. Zoals ik eerder, onder nr. 4.3, aangaf is het hof naar
mijn mening wél aan een uitleg van het begrip 'winstdeling'
toegekomen. Het heeft daarbij in rov. 4.4 de door verdedigde
uitleg verworpen, omdat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten
bestonden (ook onvoldoende om tot bewijslevering toe te laten)
en zich (impliciet) bij de uitleg van het 'winstdeling'-beding van de
rechtbank (in de door verdedigde zin) aangesloten.
Aldus opgevat, missen de onderdelen 4 en 5 feitelijke grondslag en
resteren de door onderdeel 6 aan de orde gestelde vragen of het hof de
juiste uitlegmaatstaf heeft gehanteerd en of de door het hof in zijn
oordeel betrokken omstandigheden zijn (feitelijk) oordeel voldoende
begrijpelijk maken, met name in het licht van de (in de
Haviltex-maatstaf genoemde) hoedanigheid/deskundigheid van partijen.
4.12. De derde volzin van rov. 4.4, waarin het hof overweegt dat de
stellingen van omtrent de inhoud van de mededelingen van
onvoldoende zijn om daaruit te kunnen afleiden dat zij
bij een gerechtvaardigd vertrouwen van de juistheid van zijn
standpunt hebben kunnen wekken, geeft aan dat het hof de
Haviltex-maatstaf, die correspondeert met de vertrouwensleer (art.
3:35 BW), niet uit het oog heeft verloren.
's Hofs overweging dat vaststaat dat partijen destijds niet over de
verschillende vormen van winstdeling hebben gesproken, maakt voorts
begrijpelijk dat het hof zijn uitleg behalve op de bewoordingen van
het beding zelf op externe, buiten de verklaringen en gedragingen van
partijen gelegen, factoren heeft doen steunen.(19) Het hof heeft zijn
oordeel daarbij gebaseerd op de volgende deeloverwegingen:
(i) de stelling bevat te weinig concrete informatie over de
mededelingen van om daaruit te kunnen afleiden dat zij
bij een gerechtvaardigd vertrouwen van de juistheid van zijn
standpunt hebben kunnen wekken;
(ii) heeft zelf gesteld dat hij met niet over de
verschillende vormen van winstdeling heeft gesproken;
(iii) uit zowel het deskundigenbericht als uit de door
overgelegde brief van de door hem ingeschakelde deskundige(20) blijkt
dat DBV in het geheel geen maatschappij-winstdeling kent;
(iv) bovendien blijkt zowel uit het deskundigenbericht als uit
genoemde brief dat niet veel maatschappijen deze vorm van winstdeling
kennen.
4.13 Naar mijn mening faalt ook de motiveringsklacht van onderdeel 6.
Ik verheel niet dat ik op zichzelf terecht acht de klacht tegen de
zoëven onder (iii) weergegeven deeloverweging van het hof. Het in
aanmerking nemen van de omstandigheid dat gebleken is dat DBV in het
geheel geen maatschappij-winstdeling kent, acht ik niet begrijpelijk
ter adstructie van een 'niet gerechtvaardigd vertrouwen' van ,
nu erop mocht vertrouwen dat ten aanzien van de
winstdelingssystemen van nu juist DBV, met wie door tussenkomst van
de polis werd afgesloten, 'van de hoed en de rand wist'.
Deze op zichzelf terechte klacht kan m.i. evenwel niet tot cassatie
leiden, en wel bij gebrek aan processueel belang. Tot de
oordeelsvorming van het hof, kan nl. wél op begrijpelijke wijze - en
wel: zelfstandig dragend - bijdragen de onder (iv) weergegeven
omstandigheid, waaruit blijkt dat het hof van oordeel is dat de
betekenis van het begrip winstdeling zoals door wordt
verdedigd ongebruikelijk is, en wel zodanig dat niet
gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de onderhavige polis déze
vorm van (maatschappij-)winstdeling kende. Dat het hof zijn uitleg in
hoofdzaak op deze (externe) omstandigheid heeft gegrond, is m.i. niet
onbegrijpelijk, gezien 's hofs oordeel dat ten aanzien van de
inhoud van de in de adviesfase gedane verklaringen onvoldoende had
gesteld, en zelf heeft gesteld dat bij de contractsluiting
over die betekenis niet was gesproken, zie punt (ii); en voorts gezien
het partijdebat op dit punt (zie hiervoor, nrs. 4.5 en 4.6).
4.14. Uit de omstandigheid dat het hof bij zijn uitleg niet
(uitdrukkelijk) is ingegaan op de onderlinge verschillen in
deskundigheid van partijen, volgt niet - laat staan noodzakelijkerwijs
- dat zulks zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent
de te hanteren maatstaf en/of dat zijn uitleg onbegrijpelijk zou zijn,
temeer nu het hierbij gaat om een gezichtspunt gaat waarop door
in feitelijke instanties geen beroep is gedaan. Ik herinner
eraan dat de rechter niet gehouden is om andere dan de door partijen
naar voren gebrachte gezichtspunten bij zijn uitleg te betrekken.
5. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 1 van het vonnis van de rechtbank te Almelo van 21 juni
2000, waarnaar het gerechtshof te Arnhem rechtbank in rov. 3 van het
bestreden arrest verwijst.
2 'Sfk' staat voor: 'Spaar Florijn Koopsom' (deskundigenbericht van 2
oktober 2000, p. 1).
3 Zie deskundigenrapport van 2 oktober 2000, pp. 3 en 4.
4 De cassatiedagvaarding dateert van 23 december 2002.
5 Zie voor een recent voorbeeld: HR 28 maart 2003, nr. C01/351, NJ
2003, 389 (Mr. V./Branderhorst).
6 Toevoeging A-G: ambtshalve bekeken informatie leert dat hiervan ook
t/m 2003 geen sprake is geweest. Zie Statistisch bulletin CBS 2004,
afl. 1, p. 17, te raadplegen via:
http://www.cbs.nl/nl/publicaties/publicaties/algemeen/statistisch-bull
etin/a-1/2004/a-1-04-01.pdf
7 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, m.nt. CJHB.
8 Vgl. Asser-Hartkamp 4-II (2001), nr. 288; zie ook W.D.H. Asser,
Rechtspraakoverzicht bewijslastverdeling (1998), p. 92; beide met
verwijzingen.
9 Asser-Hartkamp 4-II (2001), nr. 288, met verwijzingen; noot GJS
onder HR 17 december 1976, NJ 1977, 241 (Gem. Bunde/Erckens).
10 Conclusie A-G Bakels onder nrs. 3.16-3.17 voor HR 21 mei 1999, NJ
2000, 13 (Anguilla Pleasure Island Development/Anguilla Delray
Resorts) m.nt. HJS onder NJ 2000, 14.
11 In tegenstelling tot: tegenbewijs.
12 Snijders/Wendels, Civiel appel, Deventer 2003, nr. 207 met
verwijzingen.
13 Hugenholtz/Heemskerk (2002), nr. 87; Snijders/Wendels (2003), nr.
207, beide met verdere verwijzingen (o.m. HR 6 april 2001, NJ 2002,
385 m.nt. HJS).
14 HR 1 november 1991, NJ 1992, 26 (Rikers/Vereniging voor
Beroepsonderwijs) en 1 november 1991, NJ 1992, 27 (Husing/Hinze).
Zie tevens: Hugenholtz/Heemskerk, nr. 87; Snijders/Wendels, nr. 207.
15 Vgl. HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713 (Van der Meulen/Hacquebord).
16 Deze overwegingen uit het tussenvonnis zijn door het
deskundigenbericht en het eindvonnis echter achterhaald, A-G.
17 MvA, tevens incidenteel appel d.d. 11 december 2001, nr. 7. De MvA
maakt in nr. 6 gewag van een, als prod. 1 opgenomen brief van 8
september 1998 (dus ruim na het sluiten van de overeenkomst, maar ook
ruim vóór de inleidende dagvaarding), waarin dit nog eens
aan uiteenzet. Die productie ontbreekt echter in het (van
afkomstige) procesdossier.
18 Vgl. supra, nr. 3.7, i.v.m. HR 9 december 1994, NJ 1995, 197
(Janssen/ZVG).
19 De rechter zal meestal, omdat een (gemeenschappelijke)
partijbedoeling vaak niet is te achterhalen, meteen de vertrouwensleer
toepassen: zie concl. A-G Hartkamp voor HR 11 november 1988, NJ 1990,
440, onder 6. Tjittes heeft betoogd dat wanneer een partij niets heeft
gesteld over de verklaringen ten aanzien van een contractsbeding, het
achterhalen van partijbedoeling geen zin heeft. Voor de uitleg van
zulke bedingen pleit hij voor een redelijke uitleg naar objectieve
maatstaven: Tjittes, Contractsuitleg, RMTh 2003/3, pp. 121-122.
20 Deze brief is door overgelegd als productie 16 bij de
Memorie van grieven.