Ministerie van Algemene Zaken

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Persbericht ministerraad
4 juni 2004

MEER WONINGEN IN RUIL VOOR GELEIDELIJKE HUURVERHOGING

De ministerraad heeft op voorstel van minister Dekker van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met toezending aan de Tweede Kamer van de uitgangspuntennotitie modernisering huurbeleid. Het kabinet geeft in de brief aan de Tweede Kamer aan dat het de komende jaren de huren geleidelijk wil laten stijgen. Daarnaast wil het kabinet burgers meer keuzemogelijkheden bieden op de woningmarkt. Verhuurders zijn bereid daartoe meer in woningen te investeren. Pas als verhuurders meer woningen realiseren, krijgen zij de mogelijkheid de huren extra te verhogen. Ontvangers van huursubsidie worden gecompenseerd via de huursubsidie. De voorstellen zijn tot stand gekomen in samenspraak met organisaties van huurders (Woonbond) en verhuurders (Aedes, IVBN en Vastgoedbelang).

De afgelopen jaren is het woningtekort flink opgelopen: van 110.000 in 1998 tot 170.000 in 2002. Tegelijkertijd is minder verhuisd, de zogenoemde doorstroming is afgenomen van 410.000 naar 320.000 huishoudens per jaar. Door deze ontwikkelingen komen weinig goedkope woningen beschikbaar waardoor starters en lage inkomensgroepen moeilijk een woning kunnen vinden.

Om dit te veranderen moet er meer gebouwd worden: van 60.000 woningen per jaar nu naar 80.000 woningen de komende jaren. Er zijn verschillende maatregelen getroffen om de woningproductie te laten stijgen. Hierover zijn afspraken gemaakt met onder meer de verhuurders. De verhuurders zullen meer in woningen investeren als de prijs/kwaliteitsverhouding verbetert, doordat zij hogere huren mogen vragen. Bepaalde huishoudens kiezen in dat geval ook eerder voor een andere woning. Hierdoor komen meer goedkope woningen beschikbaar voor starters en lage inkomensgroepen.

Het kabinet wil de verhuurders op drie manieren meer ruimte geven bij het vaststellen van de huur.


1. De huren van woningen waar de overheid de hoogte van reguleert, mogen geleidelijk verder worden verhoogd. De maximale huurstijging per woning mag gefaseerd toenemen met 1,5% tot 3% boven de jaarlijkse inflatie voor de periode 2005 tot en met 2009. Daarnaast zijn sociale verhuurders gebonden aan een gemiddelde stijging van de huren (huursom). Ook die mag omhoog, met de inflatie + 0,4% in 2005, via + 0,8% in 2006 naar + 1,2% in 2007. Als verhuurders in deze periode de toegezegde woningen niet hebben gerealiseerd, kan ook voor de daarop volgende jaren de gemiddelde huurverhoging worden beperkt. Tot 2008 is de huurstijging daarmee minder groot dan wanneer het huidige beleid zou zijn voortgezet. Ook daarna zullen de huurstijgingen begrensd blijven. Voor woningen waarvan de huurprijs zich op ongeveer 50% van het maximum bevindt, mag de huurstijging 25 euro per maand bedragen.


2. Het aandeel huurwoningen waarvan de overheid de huurprijs niet reguleert wordt vergroot. Nu valt 95% van alle huurwoningen onder de regels voor het vaststellen van de huurprijs. Slechts 5% van de woningen wordt nu op de vrije markt verhuurd. Daarbij gaat het om woningen met een hogere huurprijs dan 597,54 euro, de zgn. liberalisatiegrens. Verhuurders geven aan te willen investeren in huurwoningen vanaf ongeveer 550 euro omdat hier vraag naar is, maar dat de huidige liberalisatiegrens een belemmering is. Het kabinet wil het aandeel huurwoningen op de vrije markt per 1 juli 2005, uiterlijk 1 juli 2006, vergroten naar 15 à 25% door wijziging van de grens of de wijze waarop deze is vastgesteld. Voor mensen met bestaande huurcontracten waarvan de woning op de vrije markt terechtkomt, komt er een overgangstermijn met grenzen aan de huurverhoging.


3. De waardering door de markt van locatie en type komt nu onvoldoende tot uitdrukking in de huurprijs van woningen waarvan de huren door de overheid worden gereguleerd. Het kabinet gaat daarom regionale marktomstandigheden betrekken bij het bepalen van de maximale huurprijs. Daarnaast wordt bezien of ook andere onderdelen uit het huidige woningwaarderingsstelsel aanpassing behoeven, zoals introductie van kwalitatieve tekortkomingen of juist extra luxe voorzieningen. Het huidige woningwaarderingsstelsel houdt onvoldoende rekening met deze factoren. In de systematiek voor het bepalen van de onroerendezaakbelasting (WOZ-systematiek) die al geldt voor koopwoningen, wordt wel rekening gehouden met de marktomstandigheden. Om die reden worden in 2006 de regionale marktomstandigheden in het huidige systeem verwerkt en zal met ingang van 2010 in principe het hele systeem op de WOZ-systematiek worden gebaseerd. Hierdoor wordt de huurprijs een betere afspiegeling van regionale vraag- en aanbodverhoudingen.

Deze zomer worden concrete afspraken gemaakt over de aantallen woningen die de verhuurders gaan realiseren, passend in de woningbouwafspraken met provincies en gemeenten. Op 1 januari 2008 wordt bekeken of de contractueel overeengekomen investeringen zijn gerealiseerd. Dan wordt bepaald of het huurbeleid verder kan worden verruimd.

Naast deze investering, dragen de verhuurders bij aan de bezuiniging van 250 miljoen euro per jaar die het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer moet realiseren. Hiermee kan worden voorkomen dat dit bedrag op de huursubsidie of het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing moet worden bezuinigd. Ook compenseren zij eventuele stijgingen van de huursubsidie- uitgaven door de verruiming van het huurbeleid.

RVD, 04.06.2004