Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AO5857 Zaaknr: 02578/03 B
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 1-06-2004
Datum publicatie: 1-06-2004
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
1 juni 2004
Strafkamer
nr. 02578/03 B
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te
Haarlem van 26 augustus 2003, nummer 15/094047-02, op een beklag als
bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door:
, geboren te op 1950, ten
tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de
Penitentiaire Inrichting "Midden Holland" te Haarlem.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn
klaagschrift ten aanzien van de goederen die zijn vermeld op de
lijsten I en II behorende bij de kennisgevingen als bedoeld in art.
116, derde lid, Sv van 7 februari 2003 en 18 april 2003. Voorts heeft
de Rechtbank het klaagschrift ten aanzien van de goederen die zijn
vermeld op lijst III behorende bij de kennisgeving als bedoeld in art.
116, derde lid, Sv van 23 april 2003, ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. D.W.H.M.
Wolters, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur een middel van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit. Blijkens deze schriftuur is het beroep uitsluitend
gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn
klaagschrift ten aanzien van de goederen die zijn vermeld op de
hiervoren onder 1 bedoelde lijsten I en II.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van
de bestreden beschikking voorzover klager daarbij in zijn beklag -
voorzover dat niet betrekking heeft op een Fiat Marea met het kenteken
en een Hyundai met het kenteken -
niet-ontvankelijk is verklaard en terugwijzing van de zaak in zoverre
naar de Rechtbank opdat de zaak op het bestaande beklag verder wordt
behandeld en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank de klager ten
onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift.
3.2.1. Bij de stukken bevinden zich
a. schriftelijke kennisgevingen van 7 februari 2003 en 18 april 2003
aan de klager, inhoudende dat de Officier van Justitie voornemens is
de goederen die zijn vermeld op de bij die kennisgevingen behorende
lijsten, op de voet van art. 116, tweede en derde lid, Sv te doen
teruggeven aan de redelijkerwijs rechthebbende, onder de mededeling
dat tegen dat voornemen binnen veertien dagen bezwaar kan worden
gemaakt;
b. een op 7 mei 2003 ter griffie van de Rechtbank ingekomen
"klaagschrift ex art. 552a Sv" van de klager.
3.2.2. De Rechtbank heeft de niet-ontvankelijkverklaring van de klager
in zijn klaagschrift als volgt gemotiveerd:
"Vast is ook komen te staan dat klager bij de griffie van de rechtbank
te Haarlem tegen het telkens in die schriftelijke kennisgevingen
geuite voornemen geen bezwaar heeft gemaakt.
(...)
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het klaagschrift heeft de
raadsman namens klager aangevoerd dat het klaagschrift ex artikel 552a
Sv te allen tijde ingediend kan worden zolang het beslag nog
voortduurt, zodat klager daarin ontvankelijk is ook voor wat betreft
die goederen ten aanzien waarvan een schriftelijke kennisgeving ex
artikel 116, derde lid Sv aan klager is uitgegaan en klager niet
binnen de termijn van veertien dagen ter griffie van de rechtbank een
klaagschrift ten aanzien van het daarin geuite voornemen heeft
ingediend.
De rechtbank heeft hiertoe het navolgende overwogen.
Artikel 116, derde lid Sv geeft de officier van justitie de
bevoegdheid een inbeslaggenomen voorwerp, waarvan door degene onder
wie het inbeslaggenomen is, geen afstand is gedaan, terug te geven aan
degene die redelijkerwijs als rechthebbende op dat goed kan worden
aangemerkt, indien de beslagene niet binnen veertien dagen, nadat hem
schriftelijk kennis is gegeven van het voornemen tot vorenbedoelde
teruggave, zich beklaagt over het voornemen tot zodanige beslissing of
het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard.
Nu klager niet tijdig beklag heeft gedaan door het binnen de
wettelijke termijn van veertien dagen indienen van een klaagschrift
ter griffie van de rechtbank ten aanzien van de goederen, waarop de
schriftelijke kennisgevingen van 7 februari 2003 en 18 april 2003
betrekking hebben, kan hij - in aanmerking genomen dat de officier van
justitie in raadkamer te kennen heeft gegeven dat hij nog steeds
voornemens is ten aanzien van de hier bedoelde goederen gebruik te
maken van bovenbedoelde bevoegdheid - niet worden ontvangen in zijn op
7 mei 2003 ter griffie van de rechtbank ingekomen klaagschrift ex
artikel 552a Sv ten aanzien van die goederen."
3.3. Het middel stelt de vraag aan de orde of degene aan wie een
kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv is gedaan en die
zich niet op de voet van die bepaling binnen veertien dagen heeft
beklaagd over het in die bepaling bedoelde voornemen van de officier
van justitie, ontvankelijk is in zijn nadien op de voet van art. 552a
Sv ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van het
inbeslaggenomen voorwerp in het geval dat de officier van justitie ten
tijde van de indiening van het klaagschrift nog geen uitvoering heeft
gegeven aan zijn voornemen om dat voorwerp te doen teruggeven aan
degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
3.4. In de wet is niet uitdrukkelijk geregeld welk rechtsgevolg moet
worden verbonden aan de omstandigheid dat de beslagene de termijn van
art. 116, derde lid, Sv ongebruikt heeft gelaten. Een redelijke uitleg
van deze bepaling brengt echter mee dat de beslagene aan wie een
kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv is gedaan en die
zich niet binnen de in die bepaling genoemde termijn van veertien
dagen heeft beklaagd over het daar bedoelde voornemen van de officier
van justitie, nadien niet meer kan worden ontvangen in zijn op art.
552a, eerste lid, Sv steunend klaagschrift strekkende tot teruggave
aan hem van het onder hem inbeslaggenomen voorwerp. Een andere
opvatting, die zou meebrengen dat in een zodanige situatie, gelet op
art. 134, tweede lid aanhef en onder a, Sv, de ontvankelijkheid van
het klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv zou afhangen van de min
of meer toevallige omstandigheid of de officier van justitie al dan
niet reeds van zijn op art. 116, derde lid, Sv gebaseerde bevoegdheid
tot teruggave aan de derde gebruik heeft gemaakt, zou tekortdoen aan
de rechtszekerheid, met name voor bedoelde derde.
Een uitleg als hiervoor bedoeld strookt ook met hetgeen in de Memorie
van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering
van het huidige art. 116 Sv is vermeld ten aanzien van het vijfde lid
van art. 116 Sv, welke bepaling inhoudt dat het openbaar ministerie
een inbeslaggenomen voorwerp ten aanzien waarvan de bewaring is gelast
ten behoeve van degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden
aangemerkt, aan de rechthebbende doet teruggeven nadat deze bekend is
geworden. Die Memorie van Toelichting behelst dienaangaande immers:
"Tegen deze teruggave zal de beslagene niet meer kunnen opkomen.
Teruggave aan hem komt niet meer in aanmerking omdat hij (...) reeds
bij toepassing van het derde lid de gelegenheid beklag te doen voorbij
heeft laten gaan (...)."
(Kamerstukken II 1993-1994, 23 692, nr. 3, blz. 13)
3.5. Gelet hierop moet worden aangenomen dat de beslagene na het
verstrijken van de in art. 116, derde lid, Sv genoemde termijn van
veertien dagen niet meer kan worden ontvangen in zijn klaagschrift
strekkende tot teruggave aan hem van het onder hem inbeslaggenomen
voorwerp.
3.6. Het vorenoverwogene brengt mee dat de Rechtbank de klager terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift. Het middel
faalt derhalve.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking
ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden
verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt
als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, G.J.M. Corstens,
A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de
griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 1 juni 2004.
*** Conclusie ***
Nr. 02578/03 B
Mr. Vellinga
Zitting: 16 maart 2004
Conclusie inzake:
1. De Rechtbank te Haarlem heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in
zijn beklag strekkende tot teruggave aan hem van de op de lijsten I en
II omschreven goederen. Voorts heeft de Rechtbank het klaagschrift ten
aanzien van de goederen, vermeld op lijst III, ongegrond verklaard.
2. Namens klager heeft mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp,
één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank klager ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard in het beklag en wel omdat het
beslag ten tijde van het beklag nog niet was geëindigd.
4. Blijkens het proces-verbaal van het in het openbaar gehouden
onderzoek in raadkamer van 7 augustus 2003 is aldaar onder meer het
volgende voorgevallen, voor zover voor de beoordeling van het middel
van belang:
"De rechter vraagt de raadsman wat het standpunt van klager is met
betrekking tot de ontvankelijkheid van het klaagschrift ten aanzien
van de goederen, waarop de kennisgevingen van de officier van justitie
ex artikel 116, derde lid Sv d.d. 7 februari 2003 en 18 april 2003
betrekking hebben.
De raadsman voert met betrekking tot de ontvankelijkheid van het
klaagschrift namens klager aan, dat een klaagschrift ex artikel 552a
Sv te allen tijde ingediend kan worden, zolang het beslag nog
voortduurt, zodat klager daarin ontvankelijk is ook voor wat betreft
die goederen ten aanzien waarvan een schriftelijke kennisgeving ex
artikel 116, derde lid Sv aan klager is uitgegaan en klager niet
binnen de termijn van veertien dagen ter griffie van de rechtbank een
klaagschrift ten aanzien van het daarin geuite voornemen heeft
ingediend.
Voorts betoogt de raadsman dat hij namens klager op 19 februari 2003
schriftelijke bezwaar heeft gemaakt bij de officier van justitie tegen
de voorgenomen beslissing.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het
klaagschrift ontvankelijk is, omdat hij als officier van justitie een
doorzendplicht heeft bij verkeerd ingediende klaag- dan wel
bezwaarschriften.
De officier van justitie deelt mede dat, omdat er geen bezwaar is
gemaakt tegen teruggave van de goederen vermeld op de lijst behorende
bij de 2e tranche en er geen afschrift van het klaagschrift tegen de
3e tranche bij het parket is ingediend, het openbaar ministerie reeds
twee auto's heeft doen teruggeven aan de redelijkerwijs rechthebbende
en dat het bij drie andere auto's al opdracht had gegeven deze terug
te geven, maar dat het deze opdracht heeft kunnen terugdraaien."
5. De beschikking van de Rechtbank houdt onder meer het volgende in:
"2. Beoordeling
Vast is komen te staan, dat de op vorenbedoelde aan het klaagschrift
gehechte bijlage vermelde goederen op rechtmatige wijze onder klager
in beslag zijn genomen en dat het beslag op die goederen met
uitzondering van de in beslaggenomen Fiat Marea, gekentekend
, en Hyundai, gekentekend nog voortduurt.
Door de officier van justitie is op 7 februari 2003, 18 april 2003
respectievelijk op 23 april 2003 schriftelijk aan klager en diens
raadsman kennis gegeven ten aanzien van de goederen vermeld op de aan
deze kennisgevingen gehechte lijsten I, II en III, dat hij voornemens
is die onder klager in beslaggenomen goederen, waarvan geen afstand is
gedaan, terug te geven aan degenen die redelijkerwijs als
rechthebbenden op die goederen kunnen worden aangemerkt en dat klager
tegen dat voornemen binnen 14 dagen bezwaar kan maken bij de rechtbank
te Haarlem.
Vast is ook komen te staan dat klager bij de griffie van de rechtbank
te Haarlem tegen het telkens in die schriftelijke kennisgevingen
geuite voornemen geen bezwaar heeft gemaakt.
Wel heeft klager - voor ommekomst van de termijn van 14 dagen ten
aanzien van de schriftelijke kennisgeving van 23 april 2003 - te weten
op 7 mei 2003 een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van
Strafvordering (Sv) ter griffie van deze rechtbank ingediend.
2.1 Ontvankelijkheid
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het klaagschrift heeft de
raadsman namens klager aangevoerd dat het klaagschrift ex artikel 552a
Sv te allen tijde ingediend kan worden zolang het beslag nog
voortduurt, zodat klager daarin ontvankelijk is ook voor wat betreft
die goederen ten aanzien waarvan een schriftelijke kennisgeving ex
artikel 116, derde lid Sv aan klager is uitgegaan en klager niet
binnen de termijn van veertien dagen ter griffie van de rechtbank een
klaagschrift ten aanzien van het daarin geuite voornemen heeft
ingediend.
De rechtbank heeft hiertoe het navolgende overwogen.
Artikel 116, derde lid Sv geeft de officier van justitie de
bevoegdheid een inbeslaggenomen voorwerp, waarvan door degene onder
wie het inbeslaggenomen is, geen afstand is gedaan, terug te geven aan
degene die redelijkerwijs als rechthebbende op dat goed kan worden
aangemerkt, indien de beslagene niet binnen veertien dagen, nadat hem
schriftelijk kennis is gegeven van het voornemen tot vorenbedoelde
teruggave, zich beklaagt over het voornemen tot zodanige beslissing of
het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard.
Nu klager niet tijdig beklag heeft gedaan door het binnen de
wettelijke termijn van veertien dagen indienen van een klaagschrift
ter griffie van de rechtbank ten aanzien van de goederen, waarop de
schriftelijke kennisgevingen van 7 februari 2003 en 18 april 2003
betrekking hebben, kan hij - in aanmerking genomen dat de officier van
justitie in raadkamer te kennen heeft gegeven dat hij nog steeds
voornemens is ten aanzien van de hier bedoelde goederen gebruik te
maken van bovenbedoelde bevoegdheid - niet worden ontvangen in zijn op
7 mei 2003 ter griffie van de rechtbank ingekomen klaagschrift ex
artikel 552a Sv ten aanzien van die goederen.
Voorzover klager zou menen dat de brief van zijn raadsman van 19
februari 2003 aan de officier van justitie, waarin bij de officier van
justitie bezwaar wordt gemaakt tegen het voornemen als neergelegd in
de schriftelijke kennisgeving van 7 februari 2003, als klaagschrift ex
artikel 116, derde lid Sv moet worden aangemerkt, miskent die
opvatting dat deze aan de officier van justitie gerichte brief, waarin
overigens enige motivering van het beklag ontbreekt, nu die van de
rechtsgeleerde raadsman van klager afkomstig is, niet kan worden
aangemerkt als een op de voet van artikel 552a, tweede lid Sv, juncto
artikel 116, derde lid Sv ter griffie ingediend klaagschrift.
Klager moet daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag
ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijsten I
en II, waarop de schriftelijke kennisgevingen van 7 februari 2003 en
18 april 2003 betrekking hebben."(1)
6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een schrijven van 7
februari 2003 van de Officier van Justitie, gericht aan klager,
omtrent inbeslaggenomen goederen die op de aan dat schrijven gehechte
lijst (hierna verder lijst I) worden vermeld. Het schrijven houdt in:
"Gelet op het bepaalde in artikel 116, tweede en derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering, ben ik nu van plan deze goederen aan de
redelijkerwijs rechthebbende te doen teruggeven.
Tegen dit voornemen kunt u binnen veertien dagen bezwaar maken bij de
arrondissementsrechtbank te Haarlem, Postbus 1621, 2003 BR te Haarlem.
Indien u bezwaar maakt verzoek ik u dit gemotiveerd per in beslag
genomen goed te doen."
7. Voorts bevindt zich bij de stukken een fax van woensdag 19 februari
2003 van klagers raadsman, gericht aan de Officier van Justitie. Dit
faxbericht houdt in:
"Onder verwijzing naar ons gesprek van 18 februari jl. bericht ik u
hierdoor, zoals ik u ook al mondeling mededeelde, dat bezwaar
maakt tegen uw voornemen de zaak als voormeld in de bijlage bij uw
brief van 7 februari 2003 aan hem, aan de redelijkerwijs rechthebbende
te doen teruggeven. Cliënt maakt daartegen bezwaar. Zoals ik u
gisteren mondeling al mededeelde lukt het mij niet om op uiterlijk
a.s. vrijdag mijn bezwaren te motiveren, dit ten gevolge van een grote
strafzaak die in Rotterdam dient. Ik zal eerst ergens volgende week
het bezwaar kunnen motiveren. Ik zal een en ander eerst ook met
dienen te bespreken. Ik zal daarbij tevens aan de orde
stellen het proces-verbaal dat ik vandaag van u mocht ontvangen. Het
gaat om het proces-verbaal betreffende de in beslag genomen zaken."
8. Verder bevindt zich bij de stukken een schrijven van 18 april 2003
van de Officier van Justitie, gericht aan klager, omtrent een
inbeslaggenomen aanhangwagen die op de aan dat schrijven gehechte
lijst (hierna verder lijst II) wordt vermeld. Het schrijven houdt in:
"Gelet op het bepaalde in artikel 116, tweede en derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering, is de officier van justitie te Haarlem nu
van plan deze aanhangwagen aan de redelijkerwijs rechthebbende te doen
teruggeven.
Tegen dit voornemen kunt u binnen veertien dagen bezwaar maken bij de
arrondissementsrechtbank te Haarlem, Postbus 1621, 2003 BR te Haarlem.
Indien u bezwaar maakt verzoek ik u dit gemotiveerd te doen."
9. Voorts bevindt zich bij de stukken een schrijven van 23 april 2003
van de Officier van Justitie, gericht aan klager, omtrent
inbeslaggenomen goederen die op de aan dat schrijven gehechte lijst
(hierna verder lijst III) worden vermeld. Het schrijven houdt in:
"Gelet op het bepaalde in artikel 116, tweede en derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering, ben ik nu van plan deze goederen aan de
redelijkerwijs rechthebbenden te doen teruggeven.
Tegen dit voornemen kunt u binnen veertien dagen bezwaar maken bij de
arrondissementsrechtbank te Haarlem, Postbus 1621, 2003 BR te Haarlem.
Indien u bezwaar maakt verzoek ik u dit gemotiveerd per item te doen."
10. Op 7 mei 2003 is door de Rechtbank te Haarlem, vestiging Schiphol
ontvangen het namens klager ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv
hetwelk betrekking heeft op de inbeslaggenomen voorwerpen zoals
hiervoor vermeld op lijst I, II en III. Dit klaagschrift strekt er,
zakelijk weergeven, toe dat het beslag wordt opgeheven en de
inbeslaggenomen voorwerpen aan klager als degene onder wie die
voorwerpen in beslag zijn genomen worden teruggegeven.
11. Art. 116 Sv luidt, voor zover thans van belang:
"1. Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen
de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, doet het openbaar
ministerie dit teruggeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen.
2. Indien deze ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier
van justitie of een andere opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart
afstand te doen van het voorwerp, kan het openbaar ministerie:
a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als
rechthebbende kan worden aangemerkt;
(...)
3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd,
dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog
nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich
niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem
schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige
beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag
ongegrond is verklaard. Op het beklag is Titel IX van het Vierde Boek
van overeenkomstige toepassing."
12. Uit de omstandigheid dat art. 116 lid 3 Sv titel IX van het vierde
boek van overeenkomstige toepassing verklaart, moet worden opgemaakt
dat art. 552a Sv niet voorziet in de mogelijkheid tot het indienen van
een klaagschrift tegen het voornemen tot teruggave als bedoeld in art.
116 lid 3 Sv.(2)
13. De Rechtbank heeft vastgesteld dat tegen het voornemen van de
Officier van Justitie tot teruggave aan de redelijkerwijs
rechthebbende niet een klaagschrift is ingediend. Dat betekent dat de
termijn genoemd in art. 116 lid 3 Sv niet aan ontvankelijkheid van het
onderhavige klaagschrift, dat immers, zoals de Rechtbank heeft
vastgesteld niet strekt tot het maken van bezwaar tegen bedoeld
voornemen van de Officier van Justitie doch strekt tot opheffing van
het beslag en teruggave aan klager, in de weg kan staan.
14. Het bepaalde in art. 116 lid 3 Sv ontneemt een beslagene niet de
bevoegdheid op grond van art. 552a Sv om - voor zover hier van belang
- te klagen over het uitblijven van een last tot teruggave. Zoals in
de toelichting op het middel met juistheid wordt gesteld kan van die
bevoegdheid niet meer gebruik worden gemaakt wanneer de Officier van
Justitie na ommekomst van de in art. 116 lid 3 Sv genoemde termijn van
twee weken daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven aan zijn voornemen
tot teruggave aan een ander dan de beslagene.(3) Zoals de Rechtbank
heeft vastgesteld was dat ten tijde van het beklag - met uitzondering
van een Fiat Marea en een Hyundai - niet het geval.
15. Het middel treft doel.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn
bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik
niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden
beschikking voor zover klager daarbij in zijn beklag - voor zover dat
niet betrekking heeft op een Fiat Marea met het kenteken en
een Hyundai met het kenteken - niet-ontvankelijk is
verklaard en terugwijzing in zoverre naar de Rechtbank teneinde op het
bestaande beklag verder te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie voor een vergelijkbare beslissing Rb Haarlem 27 april 1984, NJ
1985, 330
2 Zie ook HR 25 oktober 1966, NJ 1967, 175 waarin naast elkaar worden
genoemd de gevallen van art. 118 lid 3 (de voorganger van art. 116 lid
3), 552a lid 1 en 552b lid 1 Sv.
3 HR 25 oktober 1966, NJ 1967, 175