Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AO3438 Zaaknr: 01269/03 P
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 1-06-2004
Datum publicatie: 1-06-2004
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
1 juni 2004
Strafkamer
nr. 01269/03 P
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch van 14 februari 2003, nummer 20/001705-01, op een
vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten
laste van:
, geboren te (Turkije) op
1956, wonende te .
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing
van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 mei 2003 - de betrokkene
de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
EUR 64.000,--, subsidiair 436 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr.
B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur een middel van
cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van
het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een
aangrenzend Hof zodat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw zal
worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het
verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden
verklaard omdat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk
verkregen voordeel in strijd met art. 511b, derde lid, Sv niet
gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel
onderzoek is betekend.
3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt
samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het in eerste
aanleg gevoerde verweer, inhoudende dat het openbaar ministerie in de
vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, daar de
ontnemingsvordering van circa 9 maanden later dan de betekening van de
sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek dateert en
derhalve in strijd is met het bepaalde in artikel 511b, derde lid, van
het Wetboek van Strafvordering, en de vordering voorts ook niet
conform het bepaalde in artikel 511b, eerste lid van het Wetboek van
Strafvordering, zo spoedig mogelijk bij de rechtbank aanhangig is
gemaakt, herhaald.
Het hof stelt vast dat de vordering ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel ongeveer negen maanden later is betekend
(betekening op 4 oktober 2000) dan de betekening van de sluiting van
het strafrechtelijk financieel onderzoek (betekening op 4 januari
2000). Het openbaar ministerie heeft derhalve gehandeld in strijd met
artikel 511b, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof is van oordeel dat ertussen de beide betekeningen zonder
noodzaak geruime tijd verstreken is zodat de vordering niet zo spoedig
mogelijk aanhangig is gemaakt.
De vordering is overigens wel ingediend binnen de in artikel 511b,
eerste lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van
twee jaar. Deze termijn is echter een uiterste termijn. Als
uitgangspunt dient te gelden dat de vordering zo
spoedig mogelijk aanhangig wordt gemaakt.
Het hof is weliswaar van oordeel dat zowel het eerste als het derde
lid van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering geschonden is,
maar dat de sanctie niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
slechts kan volgen indien sprake is van een ernstige inbreuk op de
beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove
veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een
eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. In dit geval is
er naar het oordeel van het hof geen sprake van zo'n situatie en dient
derhalve het verweer te worden verworpen."
3.3. Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen
vastgesteld dat het Openbaar Ministerie art. 511b Sv niet heeft
nageleefd door de ontnemingsvordering niet - op de voet van het derde
lid - gelijktijdig te hebben doen betekenen met de betekening van de
sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek.
Het middel berust op de opvatting dat dit zonder meer dient te leiden
tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn
ontnemingsvordering. Die opvatting is onjuist, in aanmerking genomen
dat noch de wet noch de wetsgeschiedenis daarvoor aanknopingspunten
bevat.
3.4. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve
zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter,
en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin
Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en
uitgesproken op 1 juni 2004.
*** Conclusie ***
Nr. 01269/03 P
Mr. Vellinga
Zitting: 10 februari 2004
Conclusie inzake:
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft het door de veroordeelde
uit misdrijf verkregen voordeel vastgesteld op EUR 71.459,04 en de aan
de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen
voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een
bedrag van EUR 64.000,- subsidiair 436 dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven,
één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer strekkende tot
niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van
artikel 511b, derde lid, Sv, ten onrechte, dan wel ontoereikend
gemotiveerd heeft verworpen.
4. Het Hof heeft het bedoelde verweer in het arrest als volgt
samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het in eerste
aanleg gevoerde verweer, inhoudende dat het openbaar ministerie in de
vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, daar de
ontnemingsvordering van circa 9 maanden later dan de betekening van de
sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek dateert en
derhalve in strijd is met het bepaalde in artikel 511b, derde lid, van
het Wetboek van Strafvordering, en de vordering voorts ook niet
conform het bepaalde in artikel 511b, eerste lid van het Wetboek van
Strafvordering zo spoedig mogelijk bij de rechtbank aanhangig is
gemaakt, herhaald.
Het Hof stelt vast dat de vordering ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel ongeveer negen maanden later is betekend
(betekening op 4 oktober 2000) dan de betekening van de sluiting van
het strafrechtelijk financieel onderzoek (betekening op 4 januari
2000). Het openbaar ministerie heeft derhalve gehandeld in strijd met
artikel 511b, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.
Het Hof is van oordeel dat er tussen de beide betekeningen zonder
noodzaak geruime tijd verstreken (lees: is; WHV) zodat de vordering
niet zo spoedig mogelijk aanhangig is gemaakt.
De vordering is overigens wel ingediend binnen de in artikel 511b,
eerste lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van
twee jaar. Deze termijn is echter een uiterste termijn. Als
uitgangspunt dient te gelden dat de vordering zo spoedig mogelijk
aanhangig wordt gemaakt.
Het Hof is weliswaar van oordeel dat zowel het eerste als het derde
lid van artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering geschonden is,
maar dat de sanctie niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
slechts kan volgen indien sprake is van een ernstige inbreuk op
beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove
veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een
eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. In dit geval is
er naar het oordeel van het Hof geen sprake van zo'n situatie en dient
derhalve het verweer te worden verworpen.
5. Het Hof heeft bij de oplegging van de maatregel overwogen dat gelet
op de hiervoor bedoelde schending van art. 511b lid 3 Sv het door de
veroordeelde te betalen bedrag op tien procent lager wordt gesteld,
dan het als wederrechtelijke verkregen voordeel vastgestelde bedrag.
6. Artikel 511b, derde lid, Sv bepaalt dat indien er een
strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de vordering tot
ontneming gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk
financieel onderzoek (hierna: sfo) aan degene tegen wie het is gericht
wordt betekend. Een nadere toelichting op deze regel is in de
wetgeschiedenis alleen in de Memorie van Toelichting te vinden. Ik
citeer:
"Het voorschrift in het derde lid dat bij betekening van de sluiting
van het s.f.o. gelijktijdig de vordering als bedoeld in artikel 36e Sr
dient te worden betekend beoogt te voorkomen, dat na sluiting van het
s.f.o. nog nodeloos wordt getalmd met het aanhangig maken van de
vordering ter terechtzitting. Voordat tot sluiting van het s.f.o.
wordt overgegaan dient derhalve de vordering reeds te worden
geappointeerd."
7. Anders dan ten aanzien van schending van art. 511b lid 3 Sv wordt
ten aanzien van art. 511b lid 1 Sv, inhoudende dat de
ontnemingsvordering zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na
de uitspraak in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt, in de Memorie
van toelichting niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie
uitdrukkelijk genoemd als sanctie op overschrijding van genoemde
termijn(1).
8. Voor het antwoord op de vraag welke sanctie aan schending van het
onderhavige voorschrift moet worden verbonden is ook van belang welk
rechtsgevolg dient te worden verbonden aan de schending van het
voorschrift dat de officier van justitie uiterlijk bij requisitoir
kenbaar dient te maken dat een ontnemingsvordering aanhangig zal
worden gemaakt (art. 311 lid 1 Sv). Daarover oordeelde de Hoge Raad in
zijn arrest van 9 december 2003, nr. 01221/03P (LJN: AK3574). Nadat de
Hoge Raad had vastgesteld dat de wetgeschiedenis te dien aanzien niets
inhoudt overwoog hij:
"3.8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6 en 3.7 is overwogen kan niet
worden aangenomen dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is
geworden dat de betrokkene tijdig met het voornemen van de officier
van justitie is bekend geworden, moet leiden tot een zo vergaande
sanctie als de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van
justitie in zijn vordering. Ingeval een ontnemingsvordering wordt
ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in
het eerste lid van art. 311 Sv is aangekondigd, zal de rechter bij de
beslissing op die vordering dienen na te gaan in welke mate de
betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en mede
aan de hand daarvan dienen te bepalen of dit verzuim dient te leiden
tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in die
vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de
betrokkene op te leggen betalingsverplichting. 's Hofs oordeel dat een
andere beslissing dan de niet-ontvankelijkheid van de officier van
justitie in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk
verkregen voordeel uitsluit, is derhalve onjuist."
9. De door de Hoge Raad hier uitgezette lijn kan worden doorgetrokken
naar het onderhavige geval van schending van het voorschrift van art.
511b lid 3 Sv. Immers, aan schending van dit voorschrift verbindt de
wet geen sanctie, voor een aan schending van dat voorschrift te
verbinden sanctie biedt de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunt en
het voorschrift is - naar uit de hiervoor aangehaalde passage uit de
Memorie van Toelichting kan worden afgeleid - evenals het in art. 311
lid 1 Sv ten aanzien van de ontnemingsvordering bepaalde - gegeven ter
waarborging van de belangen van de verdachte. Het is dan ook aan de
rechter om te beoordelen in hoeverre de betrokkene door het
geconstateerde verzuim in zijn belangen is geschaad om vervolgens aan
de hand daarvan te bepalen of deze dient te leiden tot een van de in
art. 359a Sv(2) genoemde sancties en zo ja welke.
10. Uit het voorgaande volgt dat het in de overweging van het Hof
besloten liggende oordeel dat op schending van art. 511b lid 3 Sv niet
slechts niet-ontvankelijkverklaring kan volgen, niet getuigt van een
onjuiste rechtsopvatting.
11. Vervolgens dient onder ogen te worden gezien of de verwerping van
het verweer toereikend is gemotiveerd. Blijkens zijn overwegingen
heeft het Hof bij de beantwoording van de vraag of het verzuim tot
niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden, het aan het
Zwolsman-arrest(3) ontleende criterium toegepast. Het is de vraag of
dit het goede criterium is. Knigge(4) wijst er op dat het
Zwolsman-criterium met name wordt toegepast in gevallen waarin
opsporingsambtenaren in het vooronderzoek onrechtmatig hebben
gehandeld. Er zijn, aldus Knigge, ook gevallen van
niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, waarbij de in het
Zwolsman-criterium opgesloten liggende schuldvraag geen rol speelt.
Het gaat daarbij om in de wet geregelde gevallen zoals ne bis in idem
en verjaring, maar ook wel om gevallen die langs jurisprudentiële weg
zijn gecreëerd, zoals niet-ontvankelijkheid wegens schending van het
vertrouwensbeginsel. Knigge bepleit een andere afweging: zijns inziens
dient voor de vraag of tot niet-ontvankelijkheid moet worden besloten
bepalend te zijn of ondanks het verzuim het instellen of voortzetten
van de vervolging strijdt met fundamentele rechtsbeginselen.
12. De thans aan de orde zijnde vraag vertoont verwantschap met
gevallen waarin van verzuim van een termijn sprake is, zoals schending
van de redelijke termijn of schending van de termijn van art. 511b lid
1 Sv. Schending van de redelijke termijn leidt slechts in
uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid zoals wanneer sprake
is van zeer ernstige overschrijding van die termijn in een eenvoudige
zaak.(5) Schending van de termijn van art. 511b lid 1 Sv leidt tot
niet-ontvankelijkheid omdat de wetgever het uit een oogpunt van
rechtszekerheid niet aanvaardbaar achtte dat de onderzochte persoon
langer in onzekerheid zou verkeren over het instellen van een
vordering tot ontneming door de Officier van Justitie.(6) In deze
gevallen speelt de schuldvraag geen rol. Dat geldt ook voor het
hiervoor besproken geval van schending van het in art. 311 lid 1 Sv
ten aanzien van de ontnemingsvordering bepaalde. Gelet op de
overeenkomst van deze gevallen met het in de onderhavige zaak aan de
orde zijnde geval, immers ook een geval van gebrek aan voortvarend
optreden, is mijns inziens ook hier de in het Zwolsman-criterium
opgesloten liggende schuldvraag niet bepalend voor de vraag of tot
niet-ontvankelijkheid dient te worden besloten. In het onderhavige
geval van schending van het in art. 511b lid 3 Sv bepaalde gaat het om
de vraag of verdachte uit een oogpunt van rechtszekerheid
onaanvaardbaar lang heeft moeten wachten op de beslissing van de
Officier van Justitie tot het instellen van een vordering tot
ontneming.
13. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het Hof niet zonder meer
begrijpelijk. De wetgever meende dat met het uitbrengen van een
vordering tot ontneming niet diende te worden getalmd als het sfo
gesloten werd. Daarom werd in art. 511b lid 3 Sv bepaald dat de
vordering tot ontneming diende te worden betekend tegelijk met de
beslissing tot sluiting van het sfo. Door geen regeling te treffen als
in art. 244 Sv voor sluiting van een gerechtelijk vooronderzoek wekt
de wetgever de indruk de Officier van Justitie na sluiting van het sfo
geen termijn te willen gunnen om zijn beslissing kenbaar te maken. Het
hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat de raadsman van de
veroordeelde volgens de pleitnota, waarnaar in de proces-verbaal van
de terechtzitting wordt verwezen, ter terechtzitting van het Hof heeft
aangevoerd dat zijn cliënt er "gelet op de dwingendrechtelijke
bepaling van art. 511 B lid 3 SV op vertrouwen dat na de
betekening van de sluiting van het s.f.o. niet ook nog eens een
ontnemingsvordering zou worden aanhangig gemaakt." Op dit betoog gaat
het Hof in het geheel niet in hoewel het voor de beslissing op het
verweer wel relevant was. Een en ander betekent dat de verwerping van
het beroep op niet-ontvankelijkheid niet voldoende met redenen is
omkleed.
14. Ik heb mij afgevraagd of dit gebrek in de motivering van de
verwerping van het verweer in cassatie te repareren valt. In mijn ogen
gaat dat niet. Zonder nader feitelijk onderzoek zou ik niet durven
zeggen dat de veroordeelde er niet op heeft mogen vertrouwen dat werd
afgezien van een vordering tot ontneming. De Officier van Justitie
heeft hier niet enkele weken gewacht met het betekenen van de
vordering tot ontneming maar zoals het Hof vaststelt circa negen
maanden. Juist vanwege die lange periode is zo op het eerste gezicht
de stelling dat de veroordeelde er op heeft mogen vertrouwen dat de
Officier van Justitie afzag van een vordering tot ontneming niet
onjuist. Dat kan in de omstandigheden van het onderhavige geval heel
wel anders liggen maar dat vraagt feitelijk onderzoek waartoe de
procedure in cassatie zich niet leent. Ook al zou overigens in
cassatie worden vastgesteld dat het beroep op het gewekte vertrouwen
niet opgaat, dan is daarmee nog geen antwoord gegeven op de vraag of
de verdachte uit een oogpunt van rechtszekerheid onaanvaardbaar lang
heeft moeten wachten op de beslissing van de Officier van Justitie tot
het instellen van een vordering tot ontneming. Het antwoord op die
vraag vergt eveneens feitelijk onderzoek waartoe de procedure in
cassatie zich niet leent.
15. Het middel slaagt.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en
verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger
beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Kamerstukken II, 1989-1990, 21504, nr. 3 p. 36. Uit HR 26 november
2002, NJ 2003, 39 volgt dat de enkele omstandigheid dat een vordering
niet 'zo spoedig mogelijk' maar nog wel binnen de termijn van art.
511b, eerste lid, Sv aanhangig is gemaakt niet tot
niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan leiden.
2 Ingevolge art. 511e lid 1 Sv ook van toepassing in de
ontnemingsprocedure.
3 HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 m.nt. Sch.
4 Themis 2003, blz. 193, 194
5 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH, rov. 3.5
6 Kamerstukken II 1989-1990, 21504, nr,.3, blz. 36.