Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AO7020 Zaaknr: 01850/03
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 1-06-2004
Datum publicatie: 1-06-2004
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
1 juni 2004
Strafkamer
nr. 01850/03
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
Arnhem van 18 april 2003, nummer 21/003846-02, in de strafzaak tegen:
, geboren te op 1973,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 10
december 2002, heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van
een vonnis van de Rechtbank te Breda van 16 maart 1999, voorzover aan
's Hofs oordeel onderworpen, - het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder
III primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde, voorzover
deze feiten uitsluitend zijn begaan in België en Turkije en de
verdachte ter zake van I subsidiair "het medeplegen van: de
voortgezette handeling van: opzettelijk handelen in strijd met een in
artikel 2, eerste lid onder B en C (de Hoge Raad begrijpt: (oud)), van
de Opiumwet gegeven verbod", II "het medeplegen van: opzettelijk
handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A (de Hoge
Raad begrijpt: (oud)), van de Opiumwet gegeven verbod", III "het
medeplegen van: een gewoonte maken van het plegen van opzetheling" en
IV "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen
van misdrijven" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a,
tweede lid, Sv is - voorzover van belang - aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr.
R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van
cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad
het beroep met verbetering van overwegingen van het Hof en van de
bewezenverklaring van feit III alsmede met correctie van de
kwalificatie van feit IV zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar
van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel, het tweede middel en het derde
middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art.
81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of
de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het vierde middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft
geoordeeld dat het onder III bewezenverklaarde gewoonteheling
oplevert.
4.2. Het Hof heeft onder III ten laste van de verdachte
bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 24 november 1997 tot en met 27 maart 1998 in
Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een
gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, hierin
bestaande dat verdachte op meerdere tijdstippen in voormelde periode,
telkens heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad (grote)
geldbedragen te weten DM 22.830,-- en/of FF 76.690,-- en/of DM
42.600,-- en/of DM 20.000,-- en FF 97.000,--, terwijl verdachte
telkens ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van
voormelde goederen (geldbedragen) wist dat deze door handel in drugs,
in elk geval door enig misdrijf/enige misdrijven waren verkregen."
4.3. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof
bij vergissing telkens tussen de in de bewezenverklaring genoemde
geldbedragen de woorden "en/of" in plaats van "en" opgenomen. De Hoge
Raad leest de bewezenverklaring verbeterd. Het middel mist aldus
feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
5. Beoordeling van het vijfde middel
5.1. Het middel klaagt over de juistheid van de kwalificatie die het
Hof heeft gegeven aan het onder IV bewezenverklaarde.
5.2. Het Hof heeft overeenkomstig de tenlastelegging onder IV
bewezenverklaard dat de verdachte:
"in de periode van 24 november 1997 tot en met 27 maart 1998 in
Nederland, tezamen en in vereniging met anderen (te weten
en en en
en ), heeft deelgenomen aan een
organisatie welke tot oogmerk had het plegen van het binnen het
grondgebied van Nederland brengen van grote partijen heroïne en/of de
verkoop en/of de aflevering en/of de verstrekking en/of het vervoeren
van heroïne."
5.3. Kennelijk heeft het Hof de tenlastelegging aldus begrepen dat de
verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door
hem tezamen en in vereniging met de andere genoemde personen. Aldus
verstaan heeft het Hof het bewezenverklaarde feit terecht
gekwalificeerd als "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk
heeft het plegen van misdrijven".
5.4. Het middel, dat uitgaat van een andere lezing van de
bewezenverklaarde tenlastelegging, faalt derhalve.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden
uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen
hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als
voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin
Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en
uitgesproken op 1 juni 2004.
*** Conclusie ***
Nr. 01850/03
Mr Machielse
Zitting 30 maart 2004
Conclusie inzake:
1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 18 april 2003 voor (l
subsidiair) "Het medeplegen van: De voortgezette handeling van:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder
B en C van de Opiumwet gegeven verbod", voor (II) "Het medeplegen van:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder
A, van de Opiumwet gegeven verbod", voor (III) "Het medeplegen van:
Een gewoonte maken van het plegen van opzetheling", en voor (IV)
"Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van
misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar.
Het arrest van het hof is het vervolg op het arrest van de Hoge Raad
van 10 december 2002, waarbij een arrest van het Gerechtshof
's-Hertogenbosch van 24 januari 2001 is vernietigd.
2. Mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, heeft cassatie
ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een
schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van feit I.
Die zou niet kunnen volgen uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen.
Omdat het bewijs voor feit I aanhaakt bij dat voor feit II is het
zinvol het tweede middel bij de bespreking van het eerste te betrekken
en te bespreken alvorens tot conclusies te komen over het eerste
middel. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit II
ontoereikend is gemotiveerd.
Het hof heeft in zijn arrest met betrekking tot feit I een extra
bewijsoverweging opgenomen met de volgende inhoud:
"Bewijsoverweging
Het hof merkt met betrekking tot het onder 1 subsidiair
bewezenverklaarde op dat uit de hier gevoerde telefoongesprekken, die
kennelijk versluierd zijn gevoerd, een werkwijze valt af te leiden,
die sterk overeenkomt met die, als waarvan sprake is bij het eveneens
door het hof bewezen verklaarde feit onder 2.
Er vindt enige inzameling van geld plaats, er wordt afgesproken dat de
drugs zullen worden geleverd en hoe laat. Een man van de organisatie
van wordt erop uit gestuurd om de drugs in ontvangst
te nemen en dient deze tenslotte door te leveren c.q. af te leveren
aan de klanten. In casu is dat de , die aldus een
verantwoordelijke rol vervult en een belangrijke schakel is binnen het
geheel van transacties. Het is deze sterke overeenkomst met de andere
bewezen feiten, dat het Hof ook de overtuiging heeft dat het hier om
verdovende middelen gaat en gezien de aard van de organisatie en
gezien de verklaringen van en het aantreffen van
heroïne in Rotterdam met name om heroïne in de mate waarin de
hoeveelheid bewezen is geacht."
De steller van het middel voert aan dat niet valt in te zien hoe
telefoongesprekken die buiten de bewezenverklaarde periode van feit I
zijn gevoerd redengevende kracht zouden kunnen hebben voor het bewijs
van feit I.
3.2. Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen. Evenals een
latere bekentenis kan worden gebezigd voor het bewijs van een eerder
begaan delict kan ook materiaal uit een telefoontap dat niet in de
bewezenverklaarde periode is verzameld voor het bewijs worden
gebruikt. Als uit een afgeluisterd telefoongesprek volgt dat een week
later heroïne zal worden ingevoerd zal dat gesprek voor het bewijs van
die invoer die een week later plaatsvindt kunnen gelden, evenals
wanneer in een nadien gevoerd gesprek wordt gesproken over een reeds
ingevoerde partij.
3.3. Voorts komt het middel op tegen de aangehaalde bewijsoverweging,
die innerlijk tegenstrijdig zou zijn. Enerzijds wijst het hof in die
overweging naar de gelijkenis met feit II, anderzijds naar de andere
bewezen feiten.
Naar mijn mening is er sprake van een vergissing van het hof die kan
worden verholpen door de laatste zin van de overweging als volgt te
lezen:
"Het is deze sterke overeenkomst die het Hof ook de overtuiging geeft
(etc.)."
3.4. Het tweede feit betreft het medeplegen van het opzettelijk
invoeren van 88 kilo heroïne. Het hof heeft aan het bewijs van dat
feit ook een extra overweging gewijd en wel met de volgende inhoud:
"Bewijsoverweging
Met betrekking tot feit 2 is het hof van oordeel dat ook
hier een dusdanig verantwoordelijke rol vervult en een zo belangrijke
schakel binnen het geheel van transacties is, dat van medeplegen dient
te worden gesproken.
Dit blijkt uit het samenstel van de onder 5. tot en met 20. opgenomen
bewijsmiddelen en meer in het bijzonder uit tapgesprek A-7-10 (waaruit
blijkt dat zich in de onmiddellijke omgeving van "de baas"
bevindt), uit tapgesprek A-7-38 (waaruit blijkt dat het weer
is die kennelijk het met deze omvangrijke actie gemoeide
geld ophaalt) en tapgesprek A-7-22 (waaruit blijkt dat -
door "de baas", , als "mijn zoon" aangesproken - de
daadwerkelijke ruil van geld en verdovende middelen heeft
uitgevoerd)."
3.5. Het tweede middel keert zich tegen de onderdelen van deze
overweging.
Allereerst zou niet uit tapgesprek A-7-10 kunnen blijken dat verdachte
zich in de onmiddellijke omgeving van 'de baas' zou hebben bevonden.
Ik neem aan dat hier sprake is van een vergissing en dat het hof heeft
bedoeld te wijzen op het telefoongesprek A-7-74. Dat gesprek is
gevoerd op 28 januari 1998 om 07.39 uur. Er wordt ingebeld en
verdachte geeft de telefoon aan , die zegt dat hij
bij het station is. Zijn gesprekspartner zegt dat hij het nu pas gaat
geven. Uit bewijsmiddel 9 is op te maken dat om
07.39 bij het station te Tilburg is in het gezelschap van een ander.
Dat het hof heeft aangenomen dat uit telefoongesprek A-7-74 is op te
maken dat die ander verdachte is acht ik niet vreemd. Een Nissan die
eveneens in Tilburg in de buurt van het station te Tilburg is gezien
komt later die dag in Rotterdam aan. Uit de kofferbak worden twee
sporttassen getild en een woning ingedragen (bewijsmiddel 11). Nadien
blijkt de inhoud van die tassen heroïne te zijn (bewijsmiddel 18 en
20). Ook de chauffeur die de heroïne Nederland binnen heeft
gesmokkeld, , verklaart over overdracht van heroïne te
Tilburg (bewijsmiddel 5).
Voorts klaagt de steller van het middel dat uit tapgesprek A-7-38 niet
kan volgen dat verdachte het geld heeft opgehaald. Dat moet ik de
steller van het middel nageven. Zonder nadere toelichting is het niet
duidelijk dat verdachte geld gaat ophalen. Maar in het geheel van de
gebezigde bewijsmiddelen in hun onderling verband beschouwd trekt deze
oneffenheid niet de gehele bewijsconstructie scheef.
Tapgesprek A-7-22 houdt in dat verdachte aan zegt
dat hij 'het' heeft afgegeven, dat hij het geld zal nemen en zal
komen. Dat het hof hier heeft gedacht aan een heroïnetransactie acht
ik niet onbegrijpelijk gelet op de gehele context van alle
tapgesprekken en ook op het camouflerend taalgebruik. Wat de steller
van het middel voorts nog opmerkt over de rol van is
maar een deel van het beeld dat de gebezigde bewijsmiddelen schetsen.
Deze was één van de schakels in de drugshandel die
zowel in Turkije als in Nederland opdook. En dat
geld aan de chauffeur gaf die de drugs in een vrachtwagen Nederland
binnensmokkelde sluit niet uit dat anderen dat geld weer aan
hebben gegeven in ruil voor de gesmokkelde heroïne.
Voorts maak ik uit de overige gebezigde bewijsmiddelen het volgende
op. heeft verklaard dat hij eind januari 1998 85 kilo
heroïne per vrachtwagen vanuit Turkije naar Tilburg heeft gebracht
(bewijsmiddel 5). , die samenwerkte met de familie
, leverde hem de heroïne. werkte samen met
(bewijsmiddel 6). Op 28 januari 1998 wordt heroïne
vervoerd van Tilburg naar Rotterdam (bewijsmiddelen 8 tot en met 11).
Huiszoekingen op meerdere adressen in Rotterdam leiden tot
inbeslagneming van 88 kilo heroïne (bewijsmiddelen 12 tot en met 20).
was een tussenpersoon voor . [Betrokkene
3] bracht geld en bestelde heroïne (bewijsmiddel 6). Uit tapgesprekken
blijkt dat en met elkaar contact
hebben over iemand die vanuit Turkije onderweg is (bewijsmiddel 7).
ontmoet de chauffeur uit Turkije in Tilburg in de
ochtend van 28 januari 1998 (A-7-67). Verdachte heeft ook telefonische
contacten met (A-7-12). Tevens geeft hij
boodschappen door van voor (A-7-10,
A-7-11, A-7-128), legt voor contacten (A-7-26),
brengt dingen voor hem weg en haalt geld voor hem op (A-7-22).
Verdachte heeft zelf verklaard dat hij zeker 4 à 5 keer geld per
vliegtuig naar Turkije heeft gebracht voor . Het ging
telkens om meer dan honderdduizend gulden (bewijsmiddel 32). In de
telefoongesprekken die verdachte voerde maakte hij gebruik van een
onduidelijk taalgebruik dat in de meubelhandel een garantie zou zijn
voor belabberde bezorging en klagende klanten.
Het hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen in onderling
verband en samenhang beschouwd het onder II tenlastegelegde kunnen
bewezenverklaren. Nu het hof het onder II tenlastegelegde heeft kunnen
bewezenverklaren is er ook sprake van een ankerpunt voor het onder I
tenlastegelegde. Het hof heeft vastgesteld dat uit de bewijsmiddelen
ten aanzien van het onder I tenlastegelegde een gelijke werkwijze valt
af te leiden als uit de bewijsmiddelen ten aanzien van het onder II
tenlastegelegde.
Dat acht ik gelet op hetgeen ik hiervoor over het tweede
cassatiemiddel heb opgemerkt niet onbegrijpelijk.
De eerste twee middelen falen.
4.1. Het derde middel komt op tegen het gebruik voor het bewijs van
bewijsmiddel 6, een tegenover de Turkse politie afgelegde verklaring
van , omdat uit het dossier het rechtstreeks en ernstig
vermoeden zou rijzen dat deze verklaring door marteling is verkregen,
althans niet in vrijheid zou zijn afgelegd vanwege de aanwending van
geweld. Dat vermoeden zou zijn grondslag vinden in een aanvulling op
het requisitoir van de A-G ter terechtzitting van het hof Den Bosch
van 10 januari 2001 en in een afschrift van een vonnis van de
Rechtbank Breda in de zaak tegen .
Ik citeer uit de aangehaalde aanvulling op het requisitoir:
De bruikbaarheid van de verklaringen afgelegd door getuigen in
Turkije.
Tenslotte moet er in alle vier de zaken nog een opmerking gemaakt
worden over het gebruik van de verklaringen van de Turkse getuigen
, en als bewijsmiddel.
Bij het bewijs heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de uitgebreide
verklaringen van transportondernemer en zijn
hoofdchauffeur en van , de compagnon van
die alles in Turkije regelde. In de later behandelde
zaak tegen heeft de rechtbank de verklaring van
echter niet meer voor het bewijs gebruikt. De rechtbank
oordeelde dat de mogelijkheid bestaat, dat door
aanwending van geweld door de politie, zijn verklaring niet (geheel)
in vrijheid heeft afgelegd. De overwegingen van de rechtbank in het
vonnis van voeg ik als bijlage bij dit requisitoir.
Ik kan mij in dat standpunt goed vinden.
De rechtbank heeft in haar vonnis in de zaak tegen
het volgende overwogen:
Ook over is gesproken in eerder genoemd medisch
rapport. Bij hem is het volgende letsel vastgesteld: een wond met
korst van 0,5 cm op l cm boven de linkerelleboog, aan de buitenzijde
van de rechterbovenarm een wond met een korst van l cm en links bij
het midden van de rug een ecchymose (bloeduitstorting) van 3 cm en
rechts een van 5 cm. Nu naast het geconstateerde letsel is komen vast
te staan dat de verhorende politie-ambtenaren officieel in staat van
beschuldiging zijn gesteld terzake van een delict dat ten nadele van
in de periode van 6 tot 13 mei 1998 is gepleegd, acht
de rechtbank de mogelijkheid aanwezig dat de verklaring van
niet geheel in vrijheid is afgelegd. Zijn verklaring
zal daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.
4.2. Ter terechtzitting op 4 april 2003 heeft de advocaat het woord
ter verdediging gevoerd maar met geen woord gerept over de wijze
waarop de verklaring van tot stand is gekomen en de
gebreken die aan die verklaring zouden kleven. De advocaat heeft niet
betoogd dat die verklaring niet voor het bewijs mag worden gebezigd.
Wel heeft de advocaat bij wijze van preliminair verweer aangevoerd dat
de Hoge Raad niet op het vierde voorgestelde middel was ingegaan en
dat daarom het OM niet ontvankelijk zou zijn in de strafvervolging
tegen verdachte. De advocaat heeft geen woord gesproken over het
achtste middel dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 december 2002
evenmin heeft besproken. Het Arnhemse hof heeft klaarblijkelijk
daaruit de conclusie getrokken dat er volgens de verdediging bij nader
inzien toch geen aanwijzingen bestaan voor de stelling dat [betrokkene
2] onder ongeoorloofde druk heeft verklaard en heeft zich daarbij
stilzwijgend aangesloten. Ik acht die impliciete conclusie niet
onbegrijpelijk.
4.3. Artikel 3 EVRM verwijst naar een van de belangrijkste waarden in
een democratische samenleving. Maar het EHRM meent wel dat
"ill-treatment must attain a minimum level of severity before it will
be considered to fall within the provision's scope. The assessment of
this minimum is relative and depends on all of the circumstances of
the case including the duration of its treatment, the physical or
mental effects and, in some cases, the age, sex and health of the
individual. The practice of the Convention organs requires compliance
with a standard of proof "beyond reasonable doubt" that ill-treatment
of such severity occurred (...)."
Het EHRM omschrijft marteling als
"deliberate inhuman treatment causing very serious and cruel
suffering."(1)
Het dossier biedt geen steun voor de stelling dat zou
zijn gemarteld in de door het EHRM verstane zin.
4.4. Het middel beroept zich er subsidiair op dat de verklaring van
niet in vrijheid zou zijn afgelegd en dat het gebruik
van geweld aan de verklaring ten grondslag zou hebben gelegen. Naar
mijn mening geldt voor dit laatste onderdeel nog steeds wat mijn
ambtgenoot mr Fokkens in zijn conclusie schreef voor het arrest van de
Hoge Raad van 10 december 2002:
"57. De aanwijzing dat er onrechtmatig is gehandeld komt erop neer dat
de rechtbank in een zaak tegen een medeverdachte tot de slotsom is
gekomen dat de mogelijkheid aanwezig is dat de verklaring van
niet geheel in vrijheid is afgelegd. In het dossier van
de medeverdachte - wiens zaak gelijktijdig met die
van verdachte is behandeld - waarvan de Hoge Raad kennis kan nemen,
bevindt zich een in het kader van een rogatoire commissie afgelegde
verklaring van , welke verklaring is afgelegd in
aanwezigheid van de rechter-commissaris in strafzaken uit de Rechtbank
te Breda, een officier van justitie uit Arnhem en de raadsman van
medeverdachte . In die verklaring zegt
dat de politie een en ander op papier heeft gezet, dat hij het
proces-verbaal zonder te lezen heeft ondertekend en dat hij die
verklaring niet accepteert. Even verder heeft hij verklaard dat hij
lichamelijk en geestelijk gemarteld is door de politie en dat hij
daarom zijn verklaringen niet accepteert. Verder zou hij dit alles ook
ter zitting hebben gezegd. Niettemin zit hij, zo blijkt ook uit de
stukken, op het tijdstip van zijn verhoor - ruim anderhalfjaar nadat
hij de bewuste verklaring heeft afgelegd - nog steeds in voorarrest.
58. In die omstandigheden is het impliciete oordeel van het Hof dat
het niet aannemelijk is dat verdachtes verklaring is verkregen doordat
de politie geweld heeft toegepast, niet onbegrijpelijk. Dat de zeer
gedetailleerde verklaring van deze getuige, die ook overeenstemt met
ander bewijsmateriaal uit het Nederlandse dossier dat ten tijde van
het verhoor nog niet algemeen bekend kan zijn geweest in Turkije, door
de politie zou zijn opgesteld, is zo onwaarschijnlijk dat het niet
geloofwaardig is. Op grond daarvan kon het Hof oordelen dat - afgezien
van de vraag of deze getuige in Turkije is mishandeld - er onvoldoende
aanwijzingen zijn dat deze verklaring mede dankzij het toepassen van
lichamelijk geweld door de politie is verkregen. Nu de verdediging op
dit punt ook geen enkel verweer heeft gevoerd, was het Hof niet
gehouden om dit impliciete oordeel nader te motiveren. Ik voeg daaraan
toe dat een dergelijke motivering overigens gelet op de door de
advocaat-generaal en rechtbank wel als mogelijkheid aanvaarde
onrechtmatige verhoormethoden, wel wenselijk was."
Het derde middel faalt.
5.1. Het vierde middel klaagt dat het onder III bewezenverklaarde geen
opzetheling oplevert, omdat de bewezenverklaring de mogelijkheid
openlaat dat verdachte slechts éénmaal heling heeft gepleegd.
5.2. Het middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie
te leiden omdat er sprake is van een duidelijke vergissing van het
hof. Het hof heeft verzuimd in de bewezenverklaring telkens tussen de
genoemde geldbedragen het woord "en" in plaats van "en/of" te
plaatsen.
De Hoge Raad zal de bewezenverklaring verbeterd kunnen lezen waardoor
aan de klacht de grondslag zal ontvallen.
6.1. Het vijfde middel klaagt dat het hof ten aanzien van het onder IV
telastegelegde niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de
tenlastelegging. Het hof heeft in de bewezenverklaring blijkens de
kwalificatie het deelnemen aan een criminele organisatie gezien,
terwijl was tenlastegelegd het tezamen en in vereniging althans alleen
deelnemen en terwijl was bewezenverklaard dat verdachte tezamen en in
vereniging met anderen heeft deelgenomen. De bewezenverklaring ziet op
medeplegen van deelnemen en niet op enkel deelnemen.
6.2. De klacht is terecht voorgesteld, maar ik zie niet in dat het hof
de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Niet blijkt dat
het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan enigerlei term in de
tenlastelegging. Wel is duidelijk dat het hof de bewezenverklaring
niet correct heeft gekwalificeerd. De Hoge Raad kan zelf de
kwalificatie verbeteren.(2) Naar mijn oordeel kan de Hoge Raad dit
doen omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in
nauwe en volledige samenwerking met de in de bewezenverklaring
genoemde anderen een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of
rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140
Sr bedoelde oogmerk.(3)
Het middel faalt.
7. De voorgestelde middelen falen. Wel zal de Hoge Raad op de hiervoor
aangegeven punten de overwegingen van het hof en de bewezenverklaring
van feit III verbeterd kunnen lezen en de kwalificatie van feit IV
moeten corrigeren. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die de Hoge
Raad aanleiding zou behoren te geven gebruik te maken van zijn
bevoegdheid ambtshalve te vernietigen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 EHRM 24 april 2003, nr. 24351/94. Zie ook EHRM 25 september 1997,
NJB 1997, p. 2069, nr. 26 (Aydin).
2 HR 12 januari 1993, nr. 92.956.
3 HR NJ 1998, 225.