Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AO4048 Zaaknr: 01741/03
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 1-06-2004
Datum publicatie: 1-06-2004
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
1 juni 2004
Strafkamer
nr. 01741/03
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch van 18 februari 2003, nummer 20/000973-02, in de
strafzaak tegen:
, geboren te op 1980,
wonende te .
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis
van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Breda van 4
december 2001 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 8,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot ontzegging
van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen
maanden.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a,
tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr.
W.H.G. van Baarle, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van
cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het
beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. De middelen beogen - naar de Hoge Raad begrijpt - te klagen dat
het Hof de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen
heeft omkleed, althans het bewezenverklaarde ten onrechte strafbaar
heeft verklaard.
3.2.1. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte:
"op 09 juli 2000 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig,
personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde
onder zodanige invloed van stoffen, te weten "MDMA" en "MDA", waarvan
hij wist dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het
gebruik van andere stoffen - de rijvaardigheid kon verminderen, dat
hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht."
3.2.2. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als
"overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994".
3.3. 's Hofs bewezenverklaring steunt onder meer op een rapport van
het Nederlands Forensisch Instituut van 16 oktober 2000 dat is
opgemaakt door de apotheker-toxicoloog dr. K.J. Lusthoff, voorzover
inhoudende als relaas van deze deskundige:
"De resultaten van de toegepaste onderzoeksmethodes betreffende de
aanwezigheid van andere stoffen dan alcohol die de rijvaardigheid
kunnen beïnvloeden, met name drugs, in het bloedmonster van de
(zegelnummer ) luiden:
De stof MDMA, behorende tot de geneesmiddelgroep ADx "Amfetamine", is
aangetoond in een concentratie van 0,58 milligram per liter;
De stof MDA, behorende tot de geneesmiddelgroep ADx "Amfetamine", is
aangetoond in een concentratie van 0,27 milligram per liter.
In het bloed van de waren werkzame concentraties MDMA en
MDA aanwezig. Hierdoor zal de rijvaardigheid nadelig zijn beïnvloed.
De in het bloed van de gevonden concentratie MDMA is hoog.
Bij verkeersdeelnemers, waar bloed was afgenomen in het kader van
artikel 8 van de Wegenverkeerswet en waar MDMA aanwezig was in het
bloed, vonden wij in de afgelopen jaren in de helft van de gevallen
concentraties lager dan 0,28 milligram MDMA per liter bloed."
3.4. Voorzover de middelen berusten op de opvatting dat het Hof ten
onrechte niet heeft vastgesteld in welke mate het gebruik van MDMA en
MDA de rijvaardigheid beïnvloedt en - naar de Hoge Raad veronderstelt
dat in die klacht begrepen is - in welke mate het gebruik van die
middelen door de verdachte op de in de bewezenverklaring genoemde dag
diens rijvaardigheid nadelig heeft beïnvloed, kunnen de middelen gelet
op het navolgende niet tot cassatie leiden. Beslissend is in dit
verband of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte
onder een zodanige invloed van de bedoelde stoffen verkeerde dat hij
niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Niet nodig
is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is geweest
van feitelijk gevaarlijk of niet aan de verkeerssituatie aangepast
rijgedrag van de verdachte.
3.5. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof uit de
gebezigde bewijsmiddelen - in het bijzonder het hiervoor weergegeven
deskundigenrapport - heeft kunnen afleiden dat de verdachte een
motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij onder zodanige invloed van de
in de bewezenverklaring bedoelde middelen verkeerde dat hij niet tot
behoorlijk besturen in staat moest worden geacht, is de
bewezenverklaring naar de eis der wet met redenen omkleed. Of het Hof
terecht tot dat - feitelijke en niet onbegrijpelijke - oordeel is
gekomen onttrekt zich aan toetsing in cassatie. Het Hof heeft het
bewezenverklaarde voorts terecht strafbaar geoordeeld en
gekwalificeerd als hiervoor onder 1 vermeld.
3.6. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld.
4. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad
ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak
ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden
verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als
voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C.
de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier
S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 juni 2004.
*** Conclusie ***
Griffienr. 01741/03
Mr. Wortel
Zitting:17 februari 2004
Conclusie inzake:
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof
te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens "overtreding van artikel
8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen is ontzegd voor de duur van negen maanden.
2. Bij schriftuur heeft mr. W.H.G. van Baarle twee middelen van
cassatie voorgesteld.
In die schriftuur is niet vermeld, doch uit de stukken volgt, dat mr.
W.H.G. van Baarle advocaat te Breda is.
Voorts houdt de schriftuur niet in, zoals vereist, dat mr. Van Baarle
door verzoeker uitdrukkelijk is gemachtigd middelen voor te stellen.
Er zal aangenomen moeten worden dat dit is geschiedt.
3. Het eerste middel bevat de opmerkelijk geformuleerde klacht dat
vormen zijn verzuimd of aangehaalde wetsbepalingen zijn geschonden
doordien "het Hof het bewezen verklaarde doet steunen op feiten
waarvan niet vast staat dat deze onder een delictsomschrijving vallen"
4. Blijkens de toelichting op dit middel wordt beoogd de klacht op te
werpen dat de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden
niet de bewezenverklaring kunnen dragen dat verzoeker een motorrijtuig
heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van
stoffen, te weten MDMA en MDA, dat hij niet tot behoorlijk besturen in
staat moest worden geacht.
5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het in de
bewezenverklaring omschreven handelen pas als strafbaar feit kan
worden aangemerkt indien
a) komt vast te staan dat de rijvaardigheid door het gebruik van MDMA
en/of MDA is verminderd;
b) kan worden aangetoond dat deze middelen zijn gebruikt, en wel in
een hoeveelheid die de rijvaardigheid aantast;
c) kan worden vastgesteld "in welke mate dit, bv. in vergelijking met
alcoholrichtlijnen, gestraft dient te worden".
6. De steller van het middel meent dat voor die laatste vaststelling
thans elk aanknopingspunt ontbreekt. Bij alcoholgebruik is duidelijk
welke verschijnselen (de 'trias alcoholica') uitwijzen dat de
rijvaardigheid is aangetast, maar die aantasting en het causaal
verband tussen gebruik en verminderde rijvaardigheid vallen, zo wordt
betoogd, met betrekking tot "andere stoffen" als bedoeld in art. 8 WVW
1994 niet eenvoudig aan te tonen. Strafvervolging zou alleen tot een
veroordeling kunnen leiden in evidente gevallen van zeer hoge
doseringen of een combinatie van middelen.
Voorts wordt een beroep gedaan op een rapport van de Stichting
Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid, rapportnummer
R-2002-14, waarin is vastgesteld dat enkelvoudig drugsgebruik geen
extra gevaar oplevert op de weg, en de strafbaarstelling daarvan niet
hanteerbaar is zolang niet voor alle psychotrope stoffen limieten
bestaan waarboven beïnvloeding van het rijgedrag objectief kan worden
aangetoond.
7. De pleitaantekeningen die ter terechtzitting van het Hof zijn
overgelegd houden in dat de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek
Verkeersveiligheid vooralsnog concludeert dat enkelvoudig drugsgebruik
geen extra gevaar op de weg oplevert. Uit de stukken kan ik niet
afleiden dat het desbetreffende rapport, met de wat verdergaande
observatie ten aanzien van strafrechtelijke handhaving die in de
toelichting op het middel is weergegeven, aan het Hof is overgelegd.
8. Niettemin heb ik de samenvatting van bedoeld rapport aangetroffen
tussen de stukken die bij het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad
zijn verzameld. Het blijkt te gaan om een haalbaarheidsstudie, met de
titel "Het effect van alcohol-, drugs- en geneesmiddelengebruik op het
letselrisico van automobilisten", betreffende onderzoeksmethoden om de
risico's vast te stellen die verbonden zijn aan het gebruik van
alcohol, drugs en psychoactieve geneesmiddelen door autobestuurders.
Deze samenvatting houdt in:
"In het haalbaarheidsonderzoek kon (nog) geen significante
risicoverhoging worden vastgesteld voor bestuurders die alléén
cannabis, ecstacy en/of amfetamine, cocaïne, opiaten, tricyclische
antidepressiva of een betrekkelijk geringe hoeveelheid alcohol
(bloedalcoholgehalte tussen 0,2 en 0,5 promille) hadden gebruikt.
Significante risicoverhogingen konden wel al worden vastgesteld voor
benzodiazepines, combinaties van verschillende drugs, en alcohol boven
de wettelijke limiet van 0,5 promille. Maar verreweg de grootste
risicoverhoging leverde het gecombineerde gebruik van (veel) alcohol
en drugs op."
9. Voor zover dit rapport bij de beoordeling in cassatie in verband
gebracht kan worden met de door het Hof genomen beslissingen, moet
worden vastgesteld dat het een beperkte strekking heeft. De
onderzoekers hebben bij hun oriëntatie op de mogelijkheid een verband
te vinden tussen middelengebruik en het letselrisico van de
automobilist vooralsnog niet kunnen vaststellen dat het zogenaamd
enkelvoudig drugsgebruik tot beduidende verhoging van dat risico
voert. Daarmee is nog niet gezegd dat zulk gebruik van één bepaalde
psychotrope stof geen nadelige invloed kan hebben op de
rijvaardigheid, of dat daardoor de veiligheid op de weg niet in gevaar
gebracht kan worden.
Daarom meen ik dat het rapport - voor zover de Hoge Raad het, gelet op
de in feitelijke instantie aangevoerde en vastgestelde feiten en
omstandigheden, al in zijn beoordeling kan betrekken - voor deze zaak
geen betekenis heeft, te minder omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen
blijkt dat verzoeker een nogal aanzienlijke hoeveelheid MDMA en MDA
had gebruikt.
10. Voorts dient bedacht te worden dat een op art. 8, eerste lid, WVW
1994 gebaseerde bewezen- en strafbaarverklaring niet vergt dat de
bestuurder daadwerkelijk op gevaarlijke wijze met zijn motorrijtuig
heeft gereden. Deze delictsomschrijving kent (afgezien van de
omstandigheid dat er een voertuig moet zijn bestuurd) twee - tekstueel
in elkaar gevlochten - bestanddelen. Ten eerste : de bestuurder moet
stoffen tot zich hebben genomen waarvan hij weet of redelijkerwijze
moet weten dat het gebruik ervan de rijvaardigheid kan verminderen.
Wat deze wetenschapseis betreft gaat het dus om een potentiële, en
niet om een daadwerkelijke negatieve invloed op de rijvaardigheid. Ten
tweede: de invloed van de gebruikte stof dient zodanig te zijn dat de
bestuurder niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.
Deze eis impliceert weliswaar een daadwerkelijke vermindering van de
rijvaardigheid, maar zij laat een veronderstelling toe. De verminderde
rijvaardigheid behoeft niet te blijken uit afwijkend, bijzonder
gevaarlijk, weggedrag. De veronderstelling of aanname dat de
bestuurder niet tot behoorlijk besturen in staat was kan ook op andere
feiten en omstandigheden worden gegrond.
11. Tot de gebezigde bewijsmiddelen behoort een rapport van een
apotheker/toxicoloog, inhoudend dat een van verzoeker afgenomen
bloedmonster MDMA bevatte in een concentratie van 0,58 milligram per
liter, en MDA in een concentratie van 0,27 milligram per liter. Voorts
houdt dit rapport als oordeel van de deskundige in:
"In het bloed van waren werkzame concentraties MDMA en
MDA aanwezig. Hierdoor zal de rijvaardigheid nadelig zijn beïnvloed.
De in het bloed van gevonden concentratie MDMA is hoog.
Bij verkeersdeelnemers, waar bloed was afgenomen in het kader van
artikel 8 van de Wegenverkeerswet en waar MDMA aanwezig was in het
bloed, vonden wij in de afgelopen jaren in de helft van de gevallen
concentraties lager dan 0,28 milligram MDMA per liter bloed."
12. Het komt mij voor dat het Hof in dit deskundig oordeel een
toereikende grond kon vinden voor zijn vaststelling dat verzoeker niet
tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
13. Het tweede middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde niet
uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Blijkens de
toelichting wordt evenwel bedoeld er over te klagen dat het Hof niet
naar behoren heeft beslist op het verweer dat niet objectief vaststaat
in welke mate het gebruik van MDMA en MDA de rijvaardigheid
beïnvloeden.
14. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep
gehechte pleitaantekeningen houden onder meer de stelling in dat
"in Nederland strafbaarstelling niet hanteerbaar zolang
niet voor alle psychotrope middelen limieten bestaan waarboven
beïnvloeding van het rijgedrag objectief kan worden aangetoond
(vergelijk ademtest/bloedonderzoek)".
In die pleitaantekeningen is als conclusie vermeld (naast
niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie; welk verweer het
Hof heeft verworpen):
"ontslag van rechtsvervolging, feit niet te kwalificeren".
15. Een verweer dat ertoe strekt dat een tenlastegelegd feit, indien
bewezen, geen strafbaar feit kan opleveren vergt een gemotiveerde
beslissing, die in de bestreden uitspraak ontbreekt.
Naar mijn inzicht berustte het gevoerde verweer evenwel op twee
misvattingen.
16. In de eerste plaats raakte dat verweer niet aan de strafbaarheid
van het tenlastegelegde feit, maar aan de bewijsbaarheid daarvan. Het
is immers een te bewijzen bestanddeel van de delictsomschrijving dat
verzoekers gebruik van MDMA en MDA ten gevolge had dat hij niet tot
behoorlijk besturen van het motorrijtuig in staat moest worden geacht.
Onzekerheid omtrent het verband tussen verzoekers gebruik van die
stoffen en het veronderstelde gebrek aan rijvaardigheid zou derhalve
tot vrijspraak hebben moeten voeren.
17. Ten tweede kan de raadsman naar mijn inzicht niet gevolgd worden
in zijn stelling dat het verzoeker verweten handelen eerst als
strafbaar feit is aan te merken indien objectieve normen beschikbaar
zijn die kunnen uitwijzen dat het gebruik van stoffen als MDMA en MDA
in een bepaalde hoeveelheid de rijvaardigheid vermindert.
18. Reeds de omstandigheid dat het hier gaat om psychotrope stoffen,
dat wil zeggen stoffen die van invloed zijn op het proces van
zintuiglijke waarneming en verwerking van het waargenomene in de
menselijke geest, levert een zwaarwegende aanwijzing dat het gebruik
van deze stoffen invloed op de rijvaardigheid kan hebben. Voorts meen
ik dat als een feit van algemene bekendheid moet worden beschouwd dat
de invloed van psychotrope stoffen op waarnemings- en
beoordelingsvermogen, gedragsregulatie en ook lichamelijke functies
nadelig kan zijn. Het ligt daarom voor de hand dat ook de
rijvaardigheid door het gebruik van psychotrope stoffen spoedig zal
verminderen.
19. Het is een zwaarwegend belang dat de veiligheid van weggebruikers
niet nodeloos in gevaar wordt gebracht. Dat belang is naar mijn
inzicht te groot om de strafbaarheid van het besturen van
motorrijtuigen na het gebruik van stoffen als MDMA en MDA afhankelijk
te stellen van de beschikbaarheid van objectieve normen waarmee het
verband tussen gebruik van zulke stoffen in een bepaalde hoeveelheid
en een verminderde rijvaardigheid min of meer nauwkeurig kan worden
gelegd.
20. Het komt mij daarom voor dat de rechter de vrijheid moet hebben om
op grond van ervaringsregels, en a fortiori op grond van een deskundig
oordeel dat aan ervaringsregels is ontleend, vast te stellen dat een
bestuurder van een motorrijtuig na gebruik van bewustzijnsveranderende
stoffen in een zekere hoeveelheid niet in staat geacht moet worden het
voertuig naar behoren te besturen.
21. Nu het Hof beschikte over een dergelijk deskundig oordeel (dat tot
bewijs van het tenlastegelegde heeft bijgedragen) kon het in dit
middel bedoelde verweer slechts worden verworpen, zodat het middel
vruchteloos is voorgesteld.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn
bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik
niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het
beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden.