Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer Postbus 90801
2509 LV Den Haag
der Staten-Generaal Anna van Hannoverstraat 4
Binnenhof 1a Telefoon (070) 333 44 44
2513 AA `s-GRAVENHAGE Telefax (070) 333 40 33
Uw brief Ons kenmerk
26 april 2004 SV/V&V/04/30869
nr. 2030413420
Onderwerp Datum
Kamervragen van het lid Verbeet 1 juni 2004
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het lid Verbeet (PvdA) over mantelzorg en het
wettelijk criterium van samenwonen.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
(M. Rutte)
Vragen van het lid Verbeet (PvdA) over mantelzorg en het wettelijke criterium van
samenwonen.
Vraag 1
Kent u de krantenberichten "Ouderen slachtoffer van frauderegel" en "Forse boete en relatie op de
klippen"?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Is het waar dat personen van 65 jaar en ouder die bijvoorbeeld geregeld samen eten, af en toe bij
elkaar slapen of hulp krijgen van familie of vrienden, door de sociale recherche worden beschouwd
als samenwonend? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Hoe verhouden de genoemde voorbeelden zich tot het wettelijke criterium dat van samenwonen
sprake is bij het "merendeels bij elkaar verblijven"?
Antwoord 2 en 3
Voorafgaand aan de beantwoording van deze specifieke vragen wil ik graag in algemene zin het
volgende opmerken. Het begrip gezamenlijke huishouding is in de tweede helft van de jaren tachtig
tot stand gekomen om de gelijke behandeling van ongehuwd samenwonende partners aan
gehuwden in de sociale zekerheid te verwezenlijken. Daarbij is er destijds op aandringen van de
Tweede Kamer uitdrukkelijk voor gekozen de gelijkstelling te laten gelden voor alle personen die
zich in sociaal en economisch opzicht feitelijk in een zelfde positie als gehuwden bevonden,
ongeacht de vraag of deze personen zich ook als gehuwden gedroegen. De vraag of sprake is van
een gezamenlijke huishouding wordt daarom beoordeeld aan de hand van de objectieve feiten en
omstandigheden.
Op de vraag of personen die niet op een zelfde adres staan ingeschreven, niettemin een
gezamenlijke huishouding kunnen voeren is kort geleden ingegaan bij de beantwoording van vragen
van het lid De Wit over de positie van de LAT-relatie (2030408240, ingezonden op 13 februari
2004). In antwoord op die vragen is gememoreerd dat bij de beoordeling of sprake is van een
gezamenlijke huishouding de feitelijke situatie doorslaggevend moet zijn. Indien derhalve twee
personen, die ieder over eigen woonruimte kunnen beschikken, zo veel bij elkaar verblijven dat zij
feitelijk hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, kan sprake zijn van een gezamenlijke
huishouding. Om in die situatie vervolgens ook inderdaad te kunnen spreken van een gezamenlijke
huishouding moeten de personen elkaar tevens wederzijds verzorgen, bijvoorbeeld door beiden bij
te dragen in de kosten van de huishouding.
Om te kunnen aannemen dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, wordt in
de jurisprudentie als voorwaarde gehanteerd dat de betrokkenen in ieder geval merendeels bij
elkaar verblijven. Daarnaast wordt door de rechter echter acht geslagen op andere factoren. De
Centrale Raad van Beroep hechtte in een uitspraak uit 1995 bijvoorbeeld belang aan de plaats
waar hobbies werden uitgeoefend en de hoofdmaaltijden werden gebruikt. Op basis van het
oordeel dat het leven van alledag zich afspeelde in één woning, concludeerde de Centrale Raad
van Beroep vervolgens dat sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf (CRvB 31 oktober 1995,
JABW 1996/18).
Vraag 4
Deelt u de mening dat het leveren van mantelzorg zeer wordt ontmoedigd als mantelzorgers
voortdurend bang moeten zijn dat zij door de sociale recherche worden aangemerkt als
samenwonend? Is dit geen ongewenste ontwikkeling?
Antwoord 4
De beleidsregels die de SVB hanteert waar het gaat om de toepassing van het begrip
"gezamenlijke huishouding" vormen geen aanleiding te veronderstellen dat mantelzorgers als gevolg
daarvan in welke zin dan ook zouden worden ontmoedigd in de uitoefening van hun
werkzaamheden.
Vraag 5
Bent u bereid om de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan te spreken op een correcte uitvoering
van het criterium "gezamenlijke huishouding"?
Antwoord 5
Op basis van de mij ter beschikking staande informatie heb ik geen aanleiding om te
veronderstellen dat de SVB niet binnen de grenzen van de bestaande regelgeving toepassing geeft
aan het begrip gezamenlijke huishouding. Hierbij is van belang op te merken dat de SVB geen
zogenoemde discretionaire bevoegdheid heeft om aan dat begrip invulling te geven. Dit betekent
dat de toepassing die de SVB aan het begrip gezamenlijke huishouding geeft, integraal kan worden
getoetst door de rechter. Dit is ook gebeurd in de twee situaties die in de aangehaalde
krantenberichten zijn beschreven. In beide zaken is door de rechter geoordeeld dat sprake was
van een gezamenlijke huishouding. De beleidsregels die de SVB jaarlijks publiceert bevatten een
weergave van de jurisprudentie.
Vraag 6
Bent u, net als de SVB, van mening dat de voorlichting over het criterium "gezamenlijke
huishouding" duidelijker moet? Wat gaat u doen om dit te bewerkstelligen?
Antwoord 6
In de beantwoording op schriftelijke vragen (2030408240) van het lid De Wit (SP) is het
voorlichtingsaspect over het onderwerp samenwonen uitgebreid belicht. Ik heb in dat verband
onder meer opgemerkt dat voor een betere voorlichting de SVB drie wegen wil bewandelen:
In de eerste plaats door voortdurende aandacht aan het onderwerp te besteden in het SVB-
periodiek "Uw AOW/Anw". In elk nummer van dit periodiek zal het onderwerp samenwonen
terugkeren.
In de tweede plaats maakt de SVB een brochure over samenwonen. Het uitvoeringsorgaan acht
het overigens beter in dat kader te spreken over het neutralere begrip "Mijn woonsituatie". In die
brochure zal de SVB breed ingaan op het al dan niet voeren van een gezamenlijke huishouding.
Cliënten voor wie het onduidelijk blijft zal worden aangeraden contact op te nemen met een
medewerker van de SVB die op de individuele situatie toegespitste informatie kan geven.
In de derde plaats zal de SVB in de aanvraagsets-AOW en Anw en op haar internetsite meer
informatie opnemen over samenwonen.
Vraag 7
Bent u van mening dat een deel van de onduidelijkheid en van de onzekerheid bij ouderen die
daarvan het gevolg is gelegen is in het wettelijke criterium? Overweegt u mede daarom
vereenvoudiging van de wettelijke norm, bijvoorbeeld door te bepalen dat mensen die een eigen
adres hebben in principe een zelfstandig huishouden voeren?
Antwoord 7
In mijn antwoorden op 1 en 2 heb ik het criterium "gezamenlijke huishouding" toegelicht en
aangegeven hoe daaraan door de SVB invulling wordt gegeven. Zo er onduidelijkheden bestaan
bij belanghebbenden, verwacht ik dat de intensievere voorlichting van de SVB, zoals in het
antwoord op 6 aangegeven, hierin verbetering zal brengen.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid