Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Antwoorden op kamervragen over de mogelijk gebrekkige controle op de Regionale Inlichtingendiensten (RID)

17 september 2003

Antwoorden op vragen van het lid Vos (GroenLinks) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de mogelijk gebrekkige controle op de Regionale Inlichtingendiensten (RID). (Ontvangen 1 september 2003)

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de berichten in de media over de gebrekkige informatievoorziening aan gemeenteraden ten aanzien van het opereren van de Regionale Inlichtingen Diensten, wat betreft de uitoefening van taken in opdracht van de burgemeester (Metro, 4 juli jl. en Binnenlands Bestuur, 4 juli jl.)?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Kunt u bevestigen dat de burgemeester verplicht is zich tegenover de raad te verantwoorden over het werk van de RID? Deelt u de mening dat het bij de verantwoording in het duale stelsel niet alleen gaat om een passieve informatieplicht, maar dat de burgemeester de raad pro-actief moet informeren, bijvoorbeeld jaarlijks bij de behandeling van het lokale veiligheidsbeleid?

Antwoord 2

Voor de beantwoording van deze vraag is het van belang te onderkennen dat de Regionale Inlichtingendiensten in beginsel twee taken verrichten: ten eerste de taak die voortvloeit uit artikel 60 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, namelijk het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Deze werkzaamheden worden verricht onder verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Over deze taak bestaat daarom geen verplichting voor de burgemeester verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad. Ten tweede kunnen medewerkers van de regionale politiekorpsen informatie inwinnen ten behoeve van de burgemeester om deze in staat te stellen beslissingen ter handhaving van de openbare orde te nemen. Dit betreft informatie over bewegingen en activiteiten van groepen van personen en de eventuele gevolgen daarvan voor de openbare orde. Gezien het karakter van deze taak, ligt het voor de hand dat in beginsel deze specifieke informatie-inwinningsmethoden worden uitgeoefend door de RID, omdat daar de benodigde expertise en ervaring aanwezig zijn. De burgemeester legt, conform artikel 180, tweede lid, van de Gemeentewet, verantwoording af aan de gemeenteraad over het door hem gevoerde bestuur, onder andere ter zake van de handhaving van de openbare orde. De burgemeester (en in het voorkomende geval het college) geeft de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Dit impliceert inderdaad een actieve informatieplicht. Dit aangescherpte inlichtingenrecht in het nieuwe tweede lid van artikel 180 van de Gemeentewet is opgenomen om de raad in de gelegenheid te stellen zijn kaderstellende en controlerende rol waar te kunnen maken. Hoe de actieve informatieplicht concreet wordt ingevuld en bij welke gelegenheden de raad de informatie ontvangt is een zaak van onderlinge afspraken tussen de burgemeester en de raad. Hierbij dient dan wel in acht te worden genomen dat de informatie zodanig wordt verstrekt dat deze niet herleidbaar is naar een individuele persoon of personen, omdat de privacy dan in het geding kan komen.

Vraag 3

In hoeveel gemeenten is sinds 2000 aan die verplichting gevolg gegeven en is de raad inderdaad geïnformeerd over de inzet van de RID, bijvoorbeeld als informatiebron ter handhaving van de openbare orde?

Antwoord 3

Er wordt niet centraal geregistreerd in hoeveel gemeenten de burgemeester informatie heeft verschaft aan de gemeenteraad over de openbare orde werkzaamheden van de RID. Ik zal in de evaluatie van de invoering van de dualisering in gemeenten die in 2004 wordt uitgevoerd het element van de actieve informatieplicht laten onderzoeken.

Vraag 4

Bent u bereid te bevorderen dat burgemeesters gevolg geven aan de in de door uw voorganger in 2000 vastgestelde Handleiding Informatie Inwinning Openbare Orde? Bent u bereid om (in samenwerking met de VNG) raadsleden te doen voorlichten over de wijze waarop het opereren van de RID door de gemeenteraad gecontroleerd kan worden?

Antwoord 4

Zoals ook uit de beantwoording van de vorige vragen blijkt, gaat het hier niet om een bijzondere informatieverplichting van de burgemeester, maar om de algemene verantwoordingsverplichting van de burgemeester aan de gemeenteraad, die volgt uit artikel 180, tweede lid, van de Gemeentewet. Het ligt op de weg van de burgemeester en de gemeenteraad zelf om afspraken te maken over de wijze waarop inhoud gegeven wordt aan deze verantwoordingsverplichting. Ik ben van mening dat de regeling in de Gemeentewet met betrekking tot de actieve informatieplicht van de burgemeester voldoende mogelijkheden biedt het beleid op dit punt toe te lichten dan wel te controleren. Overigens is in het kader van het project «Vernieuwingsimpuls dualisme en lokale democratie», een samenwerkingsverband van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de VNG, ter ondersteuning van de invoering van dualisme in gemeenten, onlangs de handreiking «Actieve informatieplicht» verschenen. De Handleiding Informatie Inwinning Openbare Orde is daarentegen bedoeld om duidelijkheid te geven, welke informatie-inwinningsmethoden kunnen worden gebruikt door de regionale politiekorpsen in het kader van de openbare orde. De handleiding is ook primair gericht aan de korpsbeheerders, en in afschrift gezonden aan de korpschefs en de hoofden RID. In de handleiding wordt geen speciale aandacht besteed aan de wijze waarop de burgemeester verantwoording dient af te leggen aan de gemeenteraad. Ik zie, gezien de aard en het onderwerp van de handleiding, gecombineerd met de lokale beleidsvrijheid, op dit moment geen aanleiding burgemeesters te benaderen over deze handleiding.

Vraag 5

Welke gevolgen zal de aanstaande wijziging van de Politiewet 1993 («Bestel in Balans», Kamerstuk 27 560, nr. 2.) hebben, die met zich brengt dat de gemeenteraad een inbrengrecht krijgt met betrekking tot het regionale politie- en veiligheidsbeleid?

Antwoord 5

Het gemeentelijk inbrengrecht, zoals dat thans nog in het wetvoorstel «Bestel in Balans» is opgenomen, houdt in dat de korpsbeheerder van het regionale politiekorps de gemeenteraden in een vroeg stadium in de beleidscyclus in de gelegenheid stelt hun oordeel over de beleidsprioriteiten van de politie op het terrein van openbare orde en veiligheid kenbaar te maken. Dit kan dus ook het opereren van de RID op dit terrein betreffen, uiteraard met uitzondering van de werkzaamheden ten behoeve van de AIVD. Op deze wijze kunnen lokale prioriteiten beter worden geïntegreerd in het beleidsplan en het jaarplan voor het regionale politiekorps, en daarvoor samen met de prioriteiten van het openbaar ministerie de input leveren.

(1) Brief van Minister van BZK van 28 januari 2000 aan de Tweede Kamer bij aanbieding van de Handleiding Informatie Inwinning Openbare Orde: «De verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde ligt op basis van de Gemeentewet en de Politiewet 1993 bij de burgemeester. Hieruit vloeit voort dat de verantwoordelijkheid om ter handhaving van de openbare orde over tegaan tot inzet van een bepaalde informatie-inwinningsmethode, ook bij de burgemeester ligt. Conform de gebruikelijke in artikel 180 van de Gemeentewet neergelegde verantwoordingsplicht legt de burgemeester hierover (achteraf) verantwoording af aan de gemeenteraad.»