Ministerie van Buitenlandse Zaken

Ministerie vanDefensie
Postbus 20701
2500 ES 's-Gravenhage
Telefoon 070-3188188Ministerie van Buitenlandse Zaken Postbus 20061
2500 EB 's-Gravenhage
Telefoon 070-3486486
Aan:
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4
's-Gravenhage

I.a.a.:
de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 22
's-Gravenhage

Uw brief Uw kenmerk Ons nummer Datum

DAM-377/03 4 september 2003

Naar aanleiding van het verzoek van de leden Wilders (VVD), Eurlings (CDA), Bakker (D66) en Koenders (PvdA) lichten wij u als volgt in over de ontwikkeling van de veiligheidssituatie in (Zuid-) Irak na de bomaanslag in Najaf van 29 augustus jl. en de gevolgen hiervan voor de veiligheid van de Nederlandse militairen. Deze brief vult op dit punt onze brief van 19 augustus jl. (DVB/CV - 235/03) aan.

Recente ontwikkelingen in de veiligheidssituatie In de maand augustus zijn een aantal grootschalige aanslagen gepleegd op zogenaamde 'soft targets': de aanslag op de Jordaanse ambassade op 9 augustus jl., de aanslag op het hoofdkwartier van de VN op 19 augustus jl. en ten slotte de aanslag op de Imam Ali Moskee in Najaf op 29 augustus jl. Deze aanslagen onderscheiden zich van de aanslagen in de voorgaande periode wat betreft professionaliteit - gebruik van zelfmoorddaders en van grote hoeveelheden krachtige explosieven - en aard van de gekozen doelen - minder verdedigbaar dan militaire bases en gelegen in dichtbevolkte stadsomgevingen. Bovendien gaat het hier om instanties en politieke persoonlijkheden die van groot belang worden geacht voor de politieke en economische wederopbouw van Irak.

Hoewel op dit moment de identiteit van de aanslagplegers in geen der gevallen met zekerheid kan worden vastgesteld, zijn er aanwijzingen voor betrokkenheid van restanten van de Ba'ath, mogelijk met hulp van agenten van het radicaal soennitisch geïnspireerde internationale terrorisme. Het laatste betekent overigens nog niet dat de aanslagen centraal gestuurd wordenvanuit het buitenland. Het is voldoende dat radicale individuen de grens overkomen en contact maken met aanhangers van het gevallen regime.

De aanslag in Najaf heeft de spanningen in Irak, en specifiek in Zuid-Irak, doen oplopen. Na de aanslag heeft de Shi'itische geestelijke Mohammed Bahr al-Ulum, lid van de Iraqi Governing Council (IGC) en van het 'kernkabinet', gezegd zijn werkzaamheden voorlopig op te schorten. Hij wil hiermee protesteren tegen de in zijn ogen tekortschietende Amerikaanse maatregelen inzake orde en veiligheid. De daders worden weliswaar onder aanhangers van het voormalige regime en bij buitenlandse extremisten gezocht, maar veel Irakezen verwijten de Coalitie te weinig te doen om de openbare veiligheid te waarborgen. Het laatste draagt bij aan de verzwakking van het vertrouwen in de Coalitie, met als gevolg dat Irakese milities - in Zuid-Irak in eerste instantie de zgn. Badr-brigade en het aan Muqtada al-Sadr gelieerde Mahdi-leger - een grotere rol kunnen opeisen om de bescherming te bieden die de Coalition Provisional Authority (CPA) kennelijk niet kan leveren. Gezien de fragmentatie van de Shi'itische bevolking in rivaliserende achterbannen van geloofsleiders, stammen en clans, zal dit de stabiliteit mogelijk verder kunnen ondermijnen. Er moet voorts rekening mee worden gehouden dat een deel van de Shi'iten op gewelddadige wijze zijn woede zal willen uiten tegen coalitietroepen, wat vooral een risico vormt in Zuid-Irak.

Hoewel alertheid geboden is, blijft de situatie in al-Muthanna, de provincie waar de Nederlandse militairen actief zijn, relatief rustig. Tegen de Coalitie gerichte activiteiten worden in zuidelijk Irak voornamelijk waargenomen in de provincies Basra en Maysan. Vooral in Basra en omgeving is het aantal aanslagen tegen de Coalitietroepen in augustus toegenomen; die dreiging wordt voor dit deel van Irak als hoog beoordeeld. Achtergrond van deze aanslagen was onvrede over de voorziening van brandstof, water en elektriciteit.

Overige ontwikkelingen in de veiligheidssituatie in Irak- Nog steeds vindt het grootste deel van de aanslagen tegen coalitietroepen plaats in de 'Sunni-driehoek' in Centraal Irak. Sabotageacties hebben zich vooral in het centrale en het noordelijke deel van Irak voorgedaan. Zij richten zich op belangrijke infrastructurele voorzieningen, zoals oliepijpleidingen en elektriciteitscentrales. Het aantal sabotageacties en de omvang van de aangerichte schade zijn toegenomen. De acties worden toegeschreven aan groepen die deel uitmaakten van het voormalige regime, zoals speciale militaire eenheden, onderdelen van het Iraakse inlichtingen- en veiligheidsapparaat en gewone leden van de Ba'ath partij.

De situatie in Noord-Irak is voor het overige relatief rustig; potentiële spanningen tussen de nog niet zo lang geleden regelmatig botsende KDP en PUK zijn tot dusver beheersbaar gebleken. Ook de spanningen die het gevolg zijn van het door Saddam Hussein gevoerde arabiseringbeleid in de streek rond Kirkuk, waar thans voorheen verdreven Koerden terugkeren en hun eigendommen opeisen van de inmiddels aldaar gevestigde Arabische landgenoten, hebben nog niet tot ernstige gewelddadigheden geleid.

In aanvulling op wat hierboven naar aanleiding van de aanslag in Najaf is gezegd over de veiligheidssituatie in zuidelijk Irak, kan worden gesteld dat de onderlinge rivaliteit tussen verschillende Shi'itische groeperingen een belangrijke factor blijft. Deze verdeeldheid is vanouds een belemmering geweest voor hun politieke ontwikkeling en heeft hun mogelijkheden voor het verwerven van de hun toekomende invloed op het landsbestuur in de weg gestaan. Er zijn aanwijzingen dat dit door de Irakese Shi'itische hiërarchie wordt beseft en dat die streeft naar het intomen van bronnen van onrust, zoals Muqtada al-Sadr, en naar het versterken van Shi'itische invloed op het bestuur langs de weg van geleidelijkheid, in samenwerking met de andere Irakese bevolkingsgroepen, zoals de Koerden. Een exponent van dit beleid was Ayatollah Mohammed Baqr al Hakim die het belangrijkste doel was van de bloedige aanslag in Najaf. Zijn jongere broer is één van de Shi'itische leden van de Governing Council.

Vanwege de jarenlange religieuze en politieke connectie met al-Hakim heeft Iran na de aanslag in Najaf drie dagen van officiële nationale rouw afgekondigd. De Opperste Geestelijk leider Khamenei, president Khatami en de overige hoogwaardigheidsbekleders namen deel aan een herdenkingsmanifestatie die met grote publiciteit werd omgeven. Een officiële regeringsverklaring bleef achterwege, maar een prominent lid van de Opperste Nationale Veiligheidsraad liet van zich spreken door de hoop uit te spreken dat de aanslag niet tot verdeeldheid in de Shi'itische gemeenschap in Irak zal leiden. Hij bepleitte versterking van de nationale saamhorigheid, opdat er spoedig een einde kan komen aan de "buitenlandse aanwezigheid" in Irak.

Dreigingsanalyse
In algemene zin vloeit de dreiging in Zuid-Irak jegens de Coalitietroepen en eenheden van de stabilisatiemacht voort uit drie elementen:


1.De veiligheidssituatie in Irak wordt negatief beïnvloed door de trage voortgang die wordt geboekt bij de verbetering van de humanitaire situatie en de openbare voorzieningen. Hierin zal op korte termijn waarschijnlijk geen verandering komen, te meer omdat de bomaanslag op het VN-hoofdkwartier in Bagdad heeft geresulteerd in de gedeeltelijke terugtrekking van vertegenwoordigers van de VN, het IMF, de Wereldbank, en non-gouvernementele organisaties. In algemene zin zal de civiele onrust in Irak waarschijnlijk voorlopig aanhouden. Deze onvrede heeft in diverse plaatsen, ook in al-Muthanna, geleid tot demonstraties. Deze demonstraties kunnen escaleren en zich tegen de stabilisatiemacht richten. Er hebben zich in dat verband tot dusver in Zuid-Irak enkele incidenten voorgedaan, die echter beheersbaar zijn gebleken.


2.Een tweede dreiging komt voort uit criminaliteit. Omdat Iraakse organisaties als politie en leger nog niet goed functioneren, worden Coalitietroepen en eenheden van de stabilisatiemacht geconfronteerd met gewelddadig optredende criminele groeperingen. Dit heeft al geleid tot schotenwisselingen, ook met Nederlandse militairen. Deze dreiging zal waarschijnlijk afnemen zodra het Iraakse politieapparaat beter gaat functioneren.


3.De derde dreiging komt voort uit aanslagen op aan de Coalitie gelieerde eenheden van de stabilisatiemacht en op internationale en niet-gouvernementele organisaties en op Irakezen die met de coalitie samenwerken. Zowel de aard van de aanslagen zelf, als de achtergronden van de personen die de aanslagen uitvoeren, variëren dusdanig dat op dit ogenblik niet kan worden vastgesteld wie voor welke aanslag verantwoordelijk is of met welk doel de aanslagen worden gepleegd. Er is wel een aantal trends waar te nemen. Zo lijkt het aantal kleinere incidenten, zoals het willekeurig beschieten van coalitietroepen, af te nemen. Het aantal grotere aanslagen is daarentegen toegenomen. Bovendien zijn deze grotere aanslagen - zoals opgemerkt - minder op Coalitietroepen en meer op kwetsbare doelen gericht, die zijn gelegen in de dichtbevolkte stedelijke gebieden, met het doorterroristen beoogde schokeffect. Vooral deze trend naar een professionelere uitvoering van de aanslagen en de verschuiving in de gekozen doelwitten baart zorgen.

De veiligheid van de Coalitietroepen en van de eenheden van de stabilisatiemacht wordt vooralsnog vooral bedreigd door, in aflopende volgorde van belang, restanten van het oude regime, extremistische islamitische elementen van met name Soennitische signatuur - gedeeltelijk afkomstig van buiten Irak - en gewapende criminelen.

Veiligheidssituatie in al-Muthanna
De veiligheidssituatie in al-Muthanna is op dit moment stabiel. Er is geen sprake van een duidelijk verhoogde kans op terroristische aanslagen in de provincie al-Muthanna. Deze dreiging wordt vooralsnog als laag beoordeeld. Er zijn geen aanwijzingen dat aanslagen tegen de Nederlandse militairen worden voorbereid. Aanslagen zoals die op het VN-hoofdkwartier in Bagdad en op de Shi'itische leider Mohammed Baqr al-Hakim in Najaf zijn in al-Muthanna minder waarschijnlijk. De aanslag op Baqr al-Hakim heeft geleid tot enkele kleinschalige en spontane uitingen van woede en verdriet onder de lokale Shi'itische bevolking, die zich echter niet tegen de Nederlandse militaire presentie richtten. Een verslechterende veiligheidssituatie in zuidelijk Irak kan uiteindelijk wel gevolgen hebben voor de situatie in al-Muthanna. Tot dusverre blijft de situatie in de provincie rustig, zo blijkt ook uit eigen waarneming van Nederlandse militairen in het gebied. Het aantal opstootjes vertoont een duidelijke afname, mede als gevolg van de inspanningen van de Coalitie om de brandstoftoevoer te garanderen.

De interim-gouverneur van al-Muthanna, sjeik Sami, is benoemd tot minister van Arbeid en Sociale Zaken in de ministerraad. Hij bezet daarmee één van de Shi'itische posten en zal ten dele de vrees bij de bevolking kunnen wegnemen dat Muthanna (net als in het verleden) een ondergeschikte rol gaat spelen binnen de Iraakse politiek. Het is echter vrijwel uitgesloten dat sjeik Sami vanuit zijn nieuwe functie de onvrede over het hoge werkeloosheidspercentage in Muthanna (ca. 60%) op korte termijn zal kunnen wegnemen. Het is vooralsnog niet zeker of sjeik Sami zijn nieuwe functie zal kunnen combineren met zijn gouverneurschap.

Hoewel de politie in al-Muthanna effectiever wordt, ondervindt de lokale bevolking nog steeds last van allerhande illegale activiteiten. Naast de reguliere 'kleine' criminaliteit, zoals overvallen en inbraken, komt ook de - illegale - handel in onder meer wapens, burgervoertuigen, drugs en brandstof er voor. Wegens het ontbreken van betrouwbare criminaliteitscijfers in het Nederlandse inzetgebied is het vrijwel onmogelijk het huidige criminaliteitsniveau te vergelijken met dat in het verleden of in andere gebieden in Irak. Er lijkt zich echter in de provincie al-Muthanna momenteel geen verslechtering op dit terrein voor te doen. Tot dusver is geen sprake geweest van situaties die een ernstige bedreiging betekenen voor het Nederlandse personeel.

Hoewel tijdens en kort na de oorlog sprake is geweest van schade aan voorzieningen door plunderingen, zijn er tot dusver geen aanslagen uitgevoerd op de infrastructuur in al-Muthanna. Er zijn geen concrete aanwijzingen die duiden op de voorbereiding van sabotageacties gericht tegen infrastructurele voorzieningen in deze provincie, dan wel tegen locaties of materieel van de Nederlandse militairen.

Voor het Nederlandse personeel dat zich in en rond Basra bevindt, of de Nederlandse konvooien, die zich langs en door die stad verplaatsen, wordt de concrete dreiging hoger ingeschat dan die in al-Muthanna. Voor het gehele Brits-geleide divisievak zijn

beveiligingsmaatregelen voorgeschreven die gericht zijn op zoveel mogelijk bescherming van het personeel tijdens verplaatsingen. Zo worden konvooien deels geëscorteerd door gepantserde voertuigen. De Nederlandse militairen die zijn geplaatst bij het Amerikaanse hoofdkwartier in Bagdad en in het Poolse divisievak, zijn op de hoogte van de verhoogde dreiging en handelen conform de aanwijzingen van hun operationele commandant.

Vooruitblik-
Er is sprake van een wisselwerking tussen de negatieve ontwikkeling in de veiligheidssituatie in (Zuid-)Irak en de wederopbouw van het land. Dit zal kunnen worden doorbroken door vooruitgang op drie terreinen: intensivering van de inspanningen ter verbetering van de veiligheidssituatie, spoedig waarneembaar herstel van de sociaal-economische structuren en zichtbaar betrekken van de Iraakse bevolking en haar leiders bij de politieke wederopbouw.

Voor wat betreft het eerste punt is de wederopbouw van nationale Iraakse veiligheidsorganisaties van wezenlijk belang voor de ordehandhaving. Hoewel er in toenemende mate nieuwe politieagenten en andere beveiligingsbeambten worden ingezet en de nieuwe organisaties meer structuur beginnen aan te nemen, zijn de huidige nog in opgerichte zijnde Iraakse veiligheidsorganisaties nog niet in staat zelfstandig de orde te handhaven. Verwacht mag worden dat het operationeel worden van het Irakese Civiele Verdedigingskorps en de training van nieuwe Irakese politieagenten zal worden versneld. Nederland zal uit het Vredesfonds een bedrag van ongeveer 1 miljoen euro vrijmaken voor de ondersteuning van de opbouw van een Iraakse politiemacht.

Ten tweede beïnvloedt het in de ogen van de Iraakse bevolking trage wederopbouwproces op negatieve wijze de houding tegenover de buitenlandse (militaire) aanwezigheid in Irak. Aangezien de CPA vooralsnog beperkt in staat zal zijn de (energie)tekorten aan te vullen, zal de civiele onrust aanhouden, hetgeen een veiligheidsrisico met zich brengt. Ook de hoge werkloosheid draagt sterk bij aan de onzekerheid onder de bevolking. In dit kader heeft vooral de ontbinding van het vroegere Iraakse leger rancunes veroorzaakt. De ex-militairen kunnen hun kennis en vaardigheden in dienst stellen van anti-coalitie elementen.

Indien de Iraakse bevolking haar aanvankelijk positieve opstelling tegenover de Coalitietroepen verliest, wat onder de huidige moeilijke levensomstandigheden denkbaar is, kan toenemende onvrede uitmonden in protesten en demonstraties. Dergelijke protesten kunnen zich in al-Muthanna richten op de Nederlandse militaire aanwezigheid. Nu sjeik Sami als minister een exponent van de IGC is geworden, kunnen protesten ook gericht zijn op de familie en stam van sjeik Sami. Een dergelijke ontwikkeling kan uitmonden in lokale en tribale (gewelds)incidenten.

Ten derde zal stabiliteit - met name in Zuid-Irak - afhangen van de politieke ontwikkelingen binnen de SCIRI, de Iraqi Governing Council en de ministerraad. Naar verwachting zal de opvolging van Mohammed Baqr al-Hakim rustig verlopen. Naar alle waarschijnlijkheid wordt hij opgevolgd door zijn jongere broer en politiek leider van de SCIRI, Abd al-Aziz al-Hakim. Mohammed Baqr al-Hakim was weliswaar de formele leider van de SCIRI, maar achter de schermen speelde Abd al-Aziz reeds een grote rol. Als politiek leider van de SCIRI is hij tevens lid van de Iraqi Governing Council.

Na het wegvallen van Baqir al-Hakim als geestelijk leider van de SCIRI zal naar verwachting ayatollah Ali al-Sistani als geestelijk ijkpunt gaan fungeren. Sistani behoort tot de hoogste geestelijkheid in Najaf en geniet groot aanzien onder de Shi'itische bevolking. Net als voor de moord op al-Hakim heeft al-Sistani zich in zijn reacties tot dusver terughoudend opgesteld.

Van groot belang is ten slotte toenemende en zichtbare overdracht van macht aan Irakezen, waarbij een goede eerste stap is gezet met de oprichting van de Governing Council en de recente benoeming van een raad van ministers. Hierop zou in de tweede helft van 2004 de aankondiging moeten volgen van herstel van de soevereiniteit, dat wil zeggen na het doorlopen van de fases van het schrijven van een nieuwe grondwet, het houden van verkiezingen en de vorming van een representatieve regering.

De Minister van Defensie, De Minister van Buitenlandse Zaken,


---