Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak Hoge Raad LJN-nummer: AF3097 Zaaknr: 00137/02
Bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 25-02-2003
Datum publicatie: 25-02-2003
Soort zaak: straf -
Soort procedure: cassatie
25 februari 2003
Strafkamer
nr. 00137/02
ES/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het
Gerechtshof te Arnhem van 17 augustus 1998, nummer 21/002548-97, in de
strafzaak tegen:
, geboren te (Suriname) op
1966, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de
Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 24
december 1992 - de verdachte ter zake van 1. "oplichting" en 2.
"valsheid in geschrift" veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf,
waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W.
Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het
bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het
Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger
beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat in hoger beroep art. 51 Sv niet
is nageleefd.
3.2.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van mr.
R.G.E. de Vries, advocaat te Gouda, van 30 maart 1998 aan de
strafgriffie van het Hof, welke blijkens de daarop geplaatste stempel
aldaar op 31 maart 1998 is ingekomen. Deze brief, onder meer
inhoudende dat mr. De Vries de Raad voor de Rechtsbijstand zal
verzoeken hem als raadsman aan de verdachte toe te voegen om hem ter
terechtzitting in hoger beroep ter zijde te staan, kan bezwaarlijk
anders worden verstaan dan als een schriftelijke mededeling van mr. De
Vries dat hij de verdachte bij de behandeling van de strafzaak in
hoger beroep als raadsman zal bijstaan.
3.2.2. Bij de stukken bevindt zich tevens het dubbel van de
dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 3 augustus
1998. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel, noch uit enig ander
aan de Hoge Raad gezonden stuk kan volgen dat een afschrift van de
dagvaarding aan mr. De Vries is gezonden.
3.2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger
beroep van 3 augustus 1998 is aldaar noch de verdachte noch een
raadsman verschenen.
3.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang
beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de
dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin
van art. 51 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte
gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al wordt dit niet
uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden
geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting
buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg
te staan. Dit is slechts anders indien de rechter voor wie de zaak is
aangebracht, in redelijkheid mag aannemen dat de verdachte er geen
prijs op heeft gesteld, hetzij ter terechtzitting te verschijnen en
aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn
afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter
verdediging te laten voeren. Een goede procesorde brengt voorts mee
dat wanneer, zoals in het onderhavige geval, reden bestaat tot twijfel
omtrent het nageleefd zijn van voormeld voorschrift, de rechter -
alvorens nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ter terechtzitting
voort te zetten - zich ervan vergewist dat hetzij voormeld voorschrift
is nageleefd hetzij één der voormelde uitzonderingsgevallen zich
voordoet. Noch uit het bestreden arrest noch uit het proces-verbaal
van de terechtzitting van 3 augustus 1998 blijkt echter dat het een of
het ander is geschied.
3.4. Het middel is dus terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak
niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking
behoeven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt het bestreden arrest;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de
zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als
voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in
bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en
uitgesproken op 25 februari 2003.
*** Conclusie ***
Nr.00137/02
Mr. Jörg
Zitting 7 januari 2003
Conclusie inzake:
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 17
augustus 1998 wegens 1. oplichting en 2. valsheid in geschrift
veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf, waarvan twee weken
voorwaardelijk.
2. Namens verzoeker heeft mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen,
beroep in cassatie ingesteld en mr. M.W. Stoet, advocaat te
's-Gravenhage, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel betreft de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep. Het hof had deze dagvaarding nietig moeten verklaren, aangezien deze niet op geldige wijze is betekend, aldus het middel.
4. Volgens de toelichting op het middel blijkt uit de stukken niet dat (a) een adresverificatie ex art. 588, derde lid, sub c, Sv heeft plaats gevonden, (b) is onderzocht of verzoeker ten tijde van de uitreiking was gedetineerd, en (c) de dagvaarding als gewone brief naar de feitelijke woon- of verblijfplaats van verzoeker is gezonden.
5. De akte van uitreiking houdt in dat de dagvaarding op 13 juli 1998
is uitgereikt aan de griffier, omdat van de geadresseerde geen woon-
of verblijfplaats in Nederland bekend was. Volgens het GBA-overzicht
van 23 juli 1998 dat aan de akte is gehecht, was verzoeker vanaf 24
juli 1995 ingeschreven op het adres te , is
verzoeker op 26 april 1996 geëmigreerd en sindsdien zonder bekende
woon- of verblijfplaats.
6. Het eerste gedeelte van het middel behelst de klacht dat uit de
stukken niet blijkt dat een adresverificatie ex art. 588, derde lid,
sub c, Sv heeft plaats gevonden. Ik kan de steller van het middel
daarin niet volgen. Art. 588, derde lid, sub c, Sv, is slechts van
toepassing indien van een verdachte een GBA-adres of een woon- of
verblijfplaats bekend is. Uit het GBA-overzicht van 23 juli 1998 volgt
echter dat verzoeker ten tijde van de betekening aan de griffier niet
was ingeschreven in enige Nederlandse gemeente. Ook was geen woon- of
verblijfplaats bekend van verzoeker (zie ook hierna), zodat art. 588,
derde lid, sub c, Sv toepassing mist.
7. Het tweede onderdeel van het middel behelst de klacht dat het hof
had moeten onderzoeken of verzoeker ten tijde van de oproeping was
gedetineerd. Deze klacht is terecht voorgesteld. Nu verzoeker, zoals
blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep,
niet op die terechtzitting is verschenen, had het hof ervan blijk
moeten geven te hebben onderzocht of en zo ja waar verzoeker, van wie
ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep geen
woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving bekend was, als
afgestrafte was gedetineerd. In dat geval moet immers de penitentiaire
inrichting als diens bekende verblijfplaats worden aangemerkt (zie HR
5 december 2000, NJ 2001, 124 en HR 14 februari 1995, NJ 1995, 536).
8. De klacht behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, aangezien
uit door mij opgevraagde informatie volgt dat verzoeker ten tijde van
de oproeping niet gedetineerd was (vgl. HR 5 december 2000, NJ 2001,
124), zodat verzoeker niet in zijn belang is geschaad door deze
omissie van het hof.
9. Het derde onderdeel van het middel klaagt erover dat de dagvaarding
niet als gewone brief naar de feitelijke woon- of verblijfplaats van
verzoeker is gezonden. Anders dan de steller van het middel kennelijk
meent, zie ik niet in dat van verzoeker een feitelijke woon- of
verblijfplaats bekend was. Uit de stukken kan niet volgen dat
verzoeker een feitelijke woon- of verblijfplaats heeft opgegeven. Het
adres dat verzoeker heeft doen opnemen in de akte van hoger beroep,
te , kan in ieder geval niet als zodanig
gelden, nu uit de stelbrief van mr. R.G.E. de Vries van 30 maart 1998
(zie hierna onder 12), volgt dat verzoeker niet meer op dat adres
woonde of verblijf hield. De klacht faalt dan ook.
10. Nu verzoeker volgens het GBA-overzicht van 23 juli 1998 niet was
ingeschreven in enige Nederlandse gemeente noch van hem een feitelijke
woon- of verblijfplaats bekend was, is de dagvaarding in
overeenstemming met art. 588, eerste lid, sub b, onder 3° uitgereikt
aan de griffier en derhalve rechtsgeldig betekend. Het eerste middel
faalt in al zijn onderdelen.
11. Het tweede middel klaagt erover dat in hoger beroep art. 51 Sv en
art. 6, derde lid, sub c, EVRM zijn geschonden, nu geen afschrift van
de dagvaarding in hoger beroep is verzonden aan de raadsman en het hof
niet heeft onderzocht waarom de raadsman afwezig was ter
terechtzitting van 3 augustus 1998.
12. Bij de stukken bevindt zich een brief van mr. R.G.E. de Vries van
30 maart 1998, gericht aan de strafgriffie van het hof, en blijkens
een daarop gestelde stempel aldaar ingekomen op 31 maart 1998. In deze
brief geeft mr. de Vries aan dat hij de Raad voor de Rechtsbijstand
zal verzoeken hem als raadsman aan verzoeker toe te voegen. Voorts
verzoekt hij om aanhouding van de zaak aangezien de oproeping
verzoeker pas op 30 maart had bereikt, en om toezending van het
dossier.
13. Bij arrest van 31 maart 1998 heeft het hof de inleidende
dagvaarding nietig verklaard. Uit het proces-verbaal van de
terechtzitting van 31 maart 1998 blijkt niet dat het hof op de hoogte
was van bovengenoemde brief.
14. Vervolgens is verzoeker gedagvaard om te verschijnen ter
terechtzitting van 3 augustus 1998. De stukken bevatten niets waaruit
kan volgen dat een afschrift van deze dagvaarding is gezonden aan de
raadsman van verzoeker. Blijkens het proces-verbaal van de
terechtzitting van 3 augustus 1998 zijn verzoeker noch zijn raadsman
verschenen.
15. Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van
zijn optreden als zodanig, wanneer de officier reeds in de zaak
betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet
het geval is, aan de betrokken hulpofficier. De regeling van art. 39
Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke
kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te
kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de
rechter of andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte
voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een
raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (vgl.
HR 19 december 2000, NJ 2001, 161 en HR 12 februari 2002, NJ 2002,
285).
16. Op grond van zijn brief van 30 maart 1998 had het hof mr. de Vries
als raadsman dienen te erkennen. Nu verzoeker noch zijn raadsman was
verschenen ter terechtzitting van 3 augustus 1998 had het hof dienen
te onderzoeken of een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman was
verzonden. Nu van een dergelijk onderzoek niet blijkt, is het in de
bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat art. 51 Sv is
nageleefd onbegrijpelijk.
17. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
18. Ik lees het derde middel aldus, dat het zich richt tegen het
oordeel van het hof dat de door het hof geconstateerde overschrijding
van de redelijke termijn niet diende te leiden tot
niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar tot
strafvermindering.
19. Verzoeker is door de politierechter bij vonnis van 24 december
1992 bij verstek veroordeeld. Uit de stukken volgt dat op 10 februari
1993 en 1 april 1993 is getracht de uitspraak te betekenen aan
verzoeker op het adres te , waarop hij volgens
een brief van de gemeente Hengelo van 11 maart 1993 op 10 februari
1993 en vijf dagen nadien stond ingeschreven. In beide gevallen is de
akte, toen deze niet werd opgehaald, teruggezonden naar de afzender.
Op 19 april 1993 is het vonnis als gewone brief verzonden naar het
vermelde adres. Op 17 september 1997 is de uitspraak aan verzoeker
betekend. Uit de stukken volgt niet dat het openbaar ministerie in de
tussengelegen periode enige pogingen heeft gedaan om de uitspraak te
betekenen.
20. Blijkens het arrest van 17 augustus 1998 heeft het hof ten aanzien
van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als volgt
overwogen:
"Naar het oordeel van het hof is het tijdsverloop, meer dan vier jaar,
waarbinnen het openbaar ministerie geen nadere pogingen heeft gedaan
de uitspraak aan verdachte te betekenen, zodanig lang dat hier moet
worden gesproken van een schending van de redelijke termijn als
bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Het hof heeft vervolgens de vraag te beantwoorden of deze schending
moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in
zijn recht op strafvervolging dan wel tot een strafvermindering.
Het hof is van oordeel dat, daarbij gelet op de aard en ernst van de
tenlastegelegde feiten en gelet op de omstandigheid dat verdachte door
meermalen van adres te wijzigen(1) dan wel niet ingeschreven te staan
in enige Nederlandse gemeente er zelf aan heeft bijgedragen dat
betekening van de uitspraak niet zonder meer kon volgen, de sanctie
van niet-ontvankelijkheid in dit geval te zwaar is. Het hof zal daarom
in dit geval volstaan met een substantiële vermindering van de op te
leggen straf."
21. Ik begrijp het middel aldus, dat nu het een inactiviteit van het
openbaar ministerie betreft, het oordeel van het hof dat verzoeker
(actief) eraan heeft bijgedragen dat de uitspraak niet zonder meer kon
worden betekend onbegrijpelijk is. Voorts zou de overweging dat
verzoeker meermalen zou zijn verhuisd dan wel niet ingeschreven zou
staan in enige Nederlandse gemeente onbegrijpelijk zijn, aangezien dit
onvoldoende zou blijken uit de stukken.
22. Vooropgesteld zij dat in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt.
JdH, r.o. 3.21 is bepaald dat in de regel overschrijding van de
redelijke termijn behoort te leiden tot strafvermindering. Voor
niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging
is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. Zie voor een recent
geval: HR 12 november 2002, NJB 2003, nr. 3, p. 35. Voorts kan het
rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem
vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn slechts op zijn
begrijpelijkheid worden getoetst (HR NJ 2000, 721, r.o. 3.7).
23. Voorts wijs ik erop dat volgens vaste jurisprudentie een verdachte die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn woonadres en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht beroepen op schending van art. 6 EVRM (zie onder meer HR 8 mei 2001, nr. 01891/99 en HR 19 januari 1999, NJ 1999, 248).
24. Dat uit de stukken niet kan volgen dat het openbaar ministerie na
19 april 1993 nog actie heeft ondernomen doet aan het voorgaande niet
af, zoals ook blijkt uit HR NJ 1999, 248.
25. Uit de stukken blijkt het volgende ten aanzien van de
woongeschiedenis van verzoeker. Volgens de brief van de gemeente
Hengelo van 11 maart 1993 stond verzoeker op 10 februari 1993 en vijf
dagen nadien ingeschreven op de te . Uit het
onderzoek van de Hoge Raad ten behoeve van de aanzegging ex art. 435,
eerste lid, Sv, blijkt echter niet dat verzoeker tot 24 juli 1995
stond ingeschreven op dit adres. Vanaf 24 juli 1995 stond verzoeker
ingeschreven op het adres te . Op 26 april 1996
is verzoeker vertrokken naar 'Land onbekend'. Gelet op het voorgaande
is, anders dan de steller van het middel meent, het oordeel van het
hof, dat verzoeker eraan heeft bijgedragen dat de uitspraak niet
zonder meer kon worden betekend en dat de overschrijding van de
redelijke termijn tot strafvermindering dient te leiden, niet
onbegrijpelijk. Dit oordeel kan in cassatie niet verder worden
getoetst.
26. Het derde middel faalt.
27. Het vierde middel klaagt erover dat het bewezenverklaarde als het
misdrijf van art. 225 (oud) Sr is gekwalificeerd, terwijl de
bewezenverklaring niet alle bestanddelen van de delictomschrijving
bevat.
28. Het hof heeft door middel van het wegstrepen van woorden in de
tenlastelegging aangegeven hetgeen is bewezenverklaard. Blijkens het
arrest van 17 augustus 1998 is onder meer bewezenverklaard dat
"2. verdachte op of omstreeks 8 juni 1991, in de gemeente Hengelo
(Ov.), zogenaamde aankoopnota's van Comfort Card, zijnde geschriften
waaruit enig recht, en dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te
dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften
als echt en onvervalst te gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig
nadeel kon ontstaan, door opzettelijk valselijk en in strijd met de
waarheid die zogenaamde aankoopnota's van Comfort Card te ondertekenen
met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van de
houder van een rekening bij Comfort Card."
29. Art. 225, eerste lid, (oud) Sr stelt strafbaar het valselijk
opmaken of vervalsen van een geschrift waaruit enig recht, enige
verbintenis of enige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat
bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk om
het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen
gebruiken.
30. Volgens de toelichting op het middel kan het bewezenverklaarde
niet als het delict van art. 225, eerste lid, (oud) worden
gekwalificeerd, omdat na de woorden 'zijnde geschriften waaruit enig
recht' de woorden 'kon ontstaan' zijn weggestreept.
31. Het middel heeft hier een punt. De Hoge Raad zou echter, indien het arrest overigens niet zou dienen te worden vernietigd, de bewezenverklaring verbeterd lezen. Gelet op de omstandigheid dat de woorden 'geschriften waaruit enig recht' geen zelfstandige betekenis hebben, moet het wegstrepen van de woorden 'kon ontstaan' als een kennelijke misslag van het hof worden beschouwd.
32. De middelen één en drie falen, en lenen zich voor toepassing van art. 81 RO. Aan bespreking van het vierde middel zal Uw Raad niet toekomen, omdat het tweede middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest
met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch
teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en
afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Een contaminatie van "zijn adres te wijzigen" en "van adres te
veranderen."