Ministerie van Buitenlandse Zaken

http://www.minbuza.nl/content.asp?Key=417597




1 Inleiding

2 Landeninformatie
2.1 Land en volk
2.2 Geschiedenis
2.3 Staatsinrichting
2.4 Politieke ontwikkelingen
2.5 Militaire ontwikkelingen en de veiligheidssituatie 2.6 Sociaal-economische situatie
2.7 Samenvatting

3 Mensenrechten
3.1 Waarborgen
3.1.1 Grondwet
3.1.2 Verdragen
3.1.3 Toezicht
3.2 Naleving en schendingen
3.2.1 Vrijheid van meningsuiting
3.2.2 Vrijheid van vereniging en vergadering
3.2.3 Vrijheid van godsdienst
3.2.4 Bewegingsvrijheid
3.2.5 Rechtsgang
3.2.6 Arrestaties en detenties
3.2.7 Mishandeling en foltering
3.2.8 Verdwijningen
3.2.9 Buitengerechtelijke executies en moorden
3.3 Doodstraf
3.4 Positie van specifieke groepen
3.4.1 Tutsi's
3.4.2 Vrouwen
3.4.3 Minderjarigen
3.4.4 Militairen
3.4.5 Andere risicogroepen
3.5 Samenvatting

4 Vluchtelingen en ontheemden
4.1 Motieven
4.2 Binnenlands vestigingsalternatief
4.3 Beleid andere westerse landen
4.4 UNHCR-beleid

5 Samenvatting
Democratische Republiek Congo Situatie in verband met asielprocedures

Bijlage 1 Literatuurlijst.

Bijlage 2 Lijst van communes van Kinshasa.

Bijlage 3 Kaart van de Democratische Republiek Congo.

Bijlage 4 Kaart van de Democratische Republiek Congo waarop MONUC waarnemers staan vermeld.


1 Inleiding



Dit ambtsbericht bevat een beschrijving van de situatie in de Democratische Republiek Congo (DRC) vanaf mei 1999 tot eind september 2000, voor zover van belang voor de beoordeling van asielverzoeken en voor de besluitvorming over mogelijke terugkeer van afgewezen asielzoekers. Dit ambtsbericht is een actualisering van het ambtsbericht van 12 mei 1999, kenmerk DPC/AM-640330.

In hoofdstuk 2 worden de politieke, economische en militaire ontwikkelingen behandeld, evenals de humanitaire en veiligheidssituatie.

Hoofdstuk 3 beschrijft de mensenrechtensituatie alsmede de situatie van bijzondere groepen, inclusief vrouwen en kinderen. In hoofdstuk 4 wordt op de vluchtelingen- en ontheemdensituatie ingegaan, evenals op het beleid van andere landen en de UNHCR.

Ten slotte bevat hoofdstuk 5 een samenvatting.

Aan de totstandkoming van dit ambtsbericht liggen vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse ambassade te Kinshasa ten grondslag. Bovendien is gebruik gemaakt van rapportages van andere EU-landen, VN-organisaties en niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en berichtgeving in de media.

Voor een overzicht van de openbare bronnen wordt verwezen naar de literatuurlijst (bijlage 1).


2 Landeninformatie



2.1 Land en volk1

De DRC is na Sudan het grootste land in Afrika ten zuiden van de Sahara. De buurlanden zijn de Republiek Congo, de Centraal Afrikaanse Republiek, Sudan, Uganda, Rwanda, Burundi, Tanzania, Zambia en Angola. De kustlijn bedraagt 37 kilometer.

Het land heeft een tropisch klimaat en de gemiddelde temperaturen variëren van 26°C in het kustgebied en langs de rivieren tot 18°C in de bergachtige streken.

De bevolking, in 1999 geschat op ruim 50 miljoen inwoners, is voor de helft jonger dan 15 jaar. Slechts 3% is ouder dan 65 jaar.

In de DRC wonen meer dan 350 etnische groeperingen, waarvan de meerderheid tot de Bantu behoren.

De officiële taal is Frans. Andere belangrijke talen zijn Lingala, Kikongo, Swahili en Tshiluba.

Het land is onderverdeeld in 11 provincies: Bandundu, Bas-Congo, Equateur, Kasai Occidental, Kasai Oriental, Katanga (Shaba), Maniema, Noord Kivu, Zuid Kivu, Oriental en Kinshasa.

De hoofdstad Kinshasa is onderverdeeld in 24 Communes .

De Congolese munteenheid is de FrancCongolais, die in juni 1998 in de plaats is gekomen voor de Nouveau Zaïre in de verhouding 1FC = 100.000 Nz.

2.2 Geschiedenis3


Het grondgebied van de huidige DRC werd aan het eind van de 19e eeuw gekoloniseerd door de Belgische koning Leopold II. Zijn soevereiniteit over het gebied werd door de conferentie van Berlijn in 1884 erkend. De koning regeerde het land, dat bekend stond als de Congolese Vrijstaat, persoonlijk en met harde hand. In 1908 werd het land een kolonie van de Belgische regering onder de naam Belgisch Congo.

Na een rondetafelconferentie in Brussel met de belangrijkste Congolese groeperingen werd Congo op 30 juni 1960 onafhankelijk onder de naam Democratische Republiek Congo.

Joseph Kasavubu werd president en Patrice Lumumba eerste minister. Enkele dagen na de onafhankelijkheid brak muiterij uit bij het leger en de politie. Als reactie landden op 10 juli 1960 Belgische paratroepen in Katanga. Gesterkt door hun aanwezigheid verklaarde de lokale leider, Moïse Tshombe, op 11 juli 1960 Katanga onafhankelijk. Hierop volgden vijf jaar van burgeroorlog waarin Katanga, Kasai en delen van Kivu zich probeerden af te scheiden.

In 1961 werd Patrice Lumumba vermoord en in 1964 werd Tshombe benoemd als zijn opvolger. Bij de verkiezingen in maart 1965 behaalde de partij van Tshombe de absolute meerderheid. Kasavubu, die bevreesd was voor de populariteit van Tshombe, ontsloeg hem als eerste minister. Toen Kasavubu niet in staat bleek een opvolger te vinden die het vertrouwen van het parlement genoot, pleegde de opperbevelhebber van het leger, Mobutu, op 24 november 1965 een staatsgreep en benoemde zichzelf voor een periode van vijf jaar tot president.

In 1966 stichtte hij de partij 'Mouvement Populaire de la Révolution' (MPR), de vanaf dat moment enige toegestane politieke partij. Drie keer, in 1970, 1977 en 1984, werd Mobutu, nu voor periodes van zeven jaar, herkozen, zonder dat er tegenkandidaten waren.

In 1971 kreeg het land de naam Zaïre, als onderdeel van een presidentiële campagne om de Afrikaanse authenticiteit te promoten.

Overgangsperiode

2.3 Staatsinrichting5



2.4 Politieke ontwikkelingen

Bij de oorlog in de DR Congo zijn vele nationale en internationale partijen betrokken. Aan de ene kant staan de regering van de DRC en het leger (de FAC) gesteund door de regeringen en door de troepen van Zimbabwe, Angola en Namibië. In de FAC zijn destijds leden van de Rwandese Interahamwe milities opgenomen. Deze zijn deels nog in het leger aanwezig. Bovendien stelt een aantal Congolese rebellengroepen, zoals de Mai Mai zich aan de kant van de regering op. Enige leiders van de Mai Mai hebben belangrijke posities in het regeringsleger (FAC) gekregen. Zowel de Mai Mai als de Interahamwe, die beide in het door de RCD beheerste gebied opereren, worden door de FAC bevoorraad.

Aan de andere kant staan de Congolese rebellengroepen RCD (Goma) gesteund door Rwandese troepen, de RCD-ML (Bunia) , gesteund door Ugandese troepen en de MLC, eveneens gesteund door Ugandese troepen.

De oorzaken van de oorlog zijn zeer complex. Eén belangrijke oorzaak is de bedreiging die de Interahamwe (die verantwoordelijk is voor de genocide in Rwanda) in de afgelopen jaren is blijven vormen voor de Rwandese regering. Ondanks eerdere beloften is het probleem dat de ex-FAR (het voormalige Rwandese leger dat mede betrokken was bij de genocide in Rwanda) en Interahamwe een militaire bedreiging bleven vormen voor de regering van Rwanda nooit opgelost door Kabila. Ook Uganda laat zich, zij het in mindere mate, leiden door de wens Ugandese rebellengroepen op het grondgebied van de DRC te bestrijden.

Een tweede lijn is het volledig stagneren van het democratiseringsproces in de DRC, zowel onder Mobutu als nu onder Kabila, en de totale ontreddering van het Congolese staatsapparaat.

De betrokkenheid van Zimbabwe, Angola en Namibië lijkt vooral een reactie op de dreiging van een machtsovername in Kinshasa door Rwanda. Daarnaast heeft Angola er belang bij UNITA te kunnen bestrijden op en vanaf het grondgebied van de DRC.

Op de achtergrond spelen de grote natuurlijke rijkdommen van de DRC en de wens van alle betrokken partijen toegang tot die rijkdommen te verwerven en/of te behouden, een steeds belangrijker rol.

2.5 Militaire ontwikkelingen en de veiligheidssituatie



2.6 Sociaal-economische situatie


2.7 Samenvatting

Zowel de politieke als de militaire situatie in de gehele DRC is in de verslagperiode verder verslechterd. De staakt-het-vuren overeenkomst wordt regelmatig geschonden. Langs de hele frontlijn zijn de gevechten weer opgelaaid. President Kabila laat zich weinig gelegen liggen aan het Lusaka-Akkoord. Hij frusteert keer op keer de ontplooiing van MONUC-eenheden in ernstige mate en is niet bereid tot het organiseren van een nationale dialoog. De economie is nog verder ineengestort en de economische situatie wordt door alle waarnemers desastreus genoemd.

In de gebieden die door de rebellen (zowel de beide RCD's als de MLC) beheerst worden en langs de frontlinies met het regeringsgebied vinden regelmatig gevechten plaats. In het door de regering beheerste gebied, inclusief Kinshasa, vinden geen gevechtshandelingen plaats.


3 Mensenrechten



De Speciale VN-Rapporteur voor de Mensenrechten voor de DRC, Roberto Garretón, verklaarde na zijn bezoek aan de DRC in augustus/september 1999 een verslechtering van de mensenrechtensituatie te hebben waargenomen, zowel in regeringsgebied als in het door rebellen bezette oosten.

Vooral de situatie in het oosten noemde hij zeer verontrustend. Verdwijningen, willekeurige arrestaties, executies, marteling, detentie zonder proces en deportatie naar Rwanda en Uganda worden frequent gesignaleerd.

Van de 20 lokale mensenrechten organisaties die begin 1999 nog actief waren in het oosten, werkten 6 organisaties in september 1999 clandestien. Vertegenwoordigers van de overige 14 organisaties zijn inmiddels gevlucht of ondergedoken.

Inmiddels heeft Garretón in augustus 2000 een nieuw bezoek aan de DRC gebracht, waarbij hij behalve Kinshasa en Mbuji Mayi ook de rebellensteden Goma, Bukavu, Kisangani en Gbadolite bezocht.

De militaire en civiele rechtspraak is in handen van een door de RCD ingestelde 'Conseil de Guerre', waarvan de procedures en gevallen van rechtsmisbruik veel overeenkomst vertonen met het 'Cour d'Ordre Militaire' in regeringsgebied, behalve dat het 'Conseil de Guerre' de mogelijkheid van het beroep erkent en verhoudingsgewijs minder doodvonnissen uitspreekt dan het 'Cour d'Ordre Militaire'.

Alle rapportages over mensenrechtenschendingen in de DRC hebben betrekking op regeringsgebied en het gebied dat door de RCD-rebellen beheerst wordt. Over het gebied dat door de MLC beheerst wordt, zijn onvoldoende gegevens bekend. Dit wil overigens niet zeggen dat hier geen schendingen voorkomen.

3.1 Waarborgen


De DRC heeft geen formele grondwet. In de 'Déclaration de Pouvoir' van 17 mei 1997, waarin de AFDL verklaarde dat de Alliantie onder leiding van Laurent Kabila de macht in het land had overgenomen, stond dat alle 'pseudo constitutionele wetten' en de daarop gebaseerde instituties werden opgeschort. Hiermee werd de overgangsgrondwet bedoeld, die door het overgangsparlement onder Mobutu was aangenomen.

De ontwerp-grondwet, die in maart 1998 door de Commission Consitutionelle aan de president is aangeboden moet nog besproken worden in de Assemblée Constituante, waarna de bevolking er zich in een referendum over zou moeten uitspreken.

Diverse NGO's, kerken en beroepsorganisaties houden zich bezig met mensenrechtenvraagstukken, doch zij dienen hierbij omzichtig te werk te gaan omdat de overheid meldingen van mensenrechtenschendingen opvat als kritiek. Regelmatig worden leiders en andere vooraanstaande figuren van mensenrechtenorganisaties gearresteerd en geruime tijd gevangen gezet.

3.2 Naleving en schendingen


In de steden in het door de regering beheerste gebied verschijnt een aantal kranten en periodieken. Tot op zekere hoogte wordt kritiek in de pers getolereerd, hoewel de persvrijheid door de regering beperkt wordt. Volgens de perswet uit 1996 moeten uitgevers een exemplaar van hun krant bij het ministerie van informatie inleveren. Gedurende het afgelopen jaar zijn meer dan 80 journalisten en uitgevers gearresteerd, maar weinigen werden berecht. Sommigen werden op borgtocht vrijgelaten. In de meeste gevallen werden zij beschuldigd van het in gevaar brengen van de veiligheid van de staat. Enkelen werden beschuldigd van hoogverraad, een misdrijf waar de doodstraf op staat. De geschreven pers heeft geen groot bereik, enerzijds omdat velen geen krant kunnen betalen, anderzijds door het grote aantal analfabeten. De nationale radio- en televisiezenders zijn in handen van de regering en zijn de belangrijkste communicatiemiddelen. Kin Malebo, een onafhankelijke particuliere TV-zender in Kinshasa is onder gezag van de regering geplaatst.

In het door de RCD (Goma) bezette gebied ontbreekt de oppositionele pers volledig. Journalisten worden bij het minste onvertogen woord opgepakt op beschuldiging van aanzetting tot etnische haat. De weinige lokale kranten berichten uitsluitend over onschuldige feiten en bevatten geen redactioneel commentaar. Radioprogramma's zijn onderhevig aan voortdurende censuur door Rwandese militairen.

Er is geen wettelijk recht op vrijheid van vergadering. De regering beschouwt de rechten op vereniging en vergadering ondergeschikt aan de openbare orde. Organisatoren van vergaderingen en oprichters van verenigingen moeten vooraf toestemming aan de overheid vragen. Openbare bijeenkomsten worden regelmatig uiteengedreven door veiligheidsdiensten.

In maart 1999 hief Kabila de AFDL op. Na de opheffing van de AFDL organiseerde Kabila 'Comitées des Pouvoirs Populaires' (CPP), gecreërd naar Lybisch model. Deze CPP's of 'buurtcomités', die door de staat gefinancierd worden, voeren niet alleen civiele projecten uit voor de buurtgemeenschap, maar houden ook alle activiteiten in de gaten die verdacht lijken of die een bedreiging kunnen vormen voor de staat. Bij het presidentiële decreet van juli 1999 waarbij de CPP's werden ingesteld, bepaalde Kabila dat alle politieke activiteiten via de CPP's dienen te lopen.

Eind januari 1999 heeft Kabila een decreet ondertekend waarbij het verbod op politieke activiteiten, dat sinds mei 1997 van kracht was, werd opgeheven. Als gevolg hiervan zijn ook politieke partijen, zij het op uiterst stringente voorwaarden, weer toegestaan. Onder meer moeten politieke partijen, die voor erkenning in aanmerking willen komen, bewijzen dat zij 150 oprichters hebben en dat alle 11 provincies vertegenwoordigd zijn door tussen de tien en vijftien oprichters, die in deze gebieden woonachtig dienen te zijn. Bovendien moet iedere oprichter bewijzen dat hij geen politiek of economisch misdrijf heeft gepleegd sinds de onafhankelijkheid in 1960. Geen enkele partij heeft zich nog voor heroprichting aangemeld, deels omdat de lange reeks van voorwaarden de kans op erkenning verkleint, deels om principiële redenen. De niet-geregistreerde partijen blijven verboden en politieke activiteiten door leden van deze partijen worden nog steeds bestraft .

Kabila beschouwt NGO's als vijanden die bestreden moeten worden . Ongeveer 50 leiders van NGO's zijn in de loop van 1999 gearresteerd, van wie velen nog gedetineerd zijn. Vooral mensenrechtenactivisten en vakbondsleiders zijn hier het slachtoffer van.

In het door de RCD (Goma) gecontroleerde gebied bestaat geen vrijheid van vereniging en vergadering.

De vrijheid van godsdienst wordt in het algemeen door de overheid gerespecteerd, met dien verstande dat de openbare orde niet verstoord mag worden en dat niet tegen de heersende publieke moraal mag worden ingegaan.

Er zijn geen gevallen bekend van vervolging van bepaalde categorieën gelovigen of van onderdrukking van religieuze stromingen.

Het recht op vrijheid van beweging in het regeringsgebied wordt ingeperkt door de vele wegversperringen waar veiligheidsdiensten documenten controleren en geld of goederen eisen. Het reizen tussen regeringsgebied en rebellengebied is gevaarlijk en vaak onmogelijk. De infrastructuur is zo slecht dat het (dure) vliegverkeer het enige alternatief vormt voor het overbruggen van lange afstanden. Voor buitenlandse reizen is een uitreisvisum nodig, dat dikwijls zonder opgaaf van redenen geweigerd wordt. Vooral politici en journalisten wordt dikwijls op deze wijze een visum geweigerd.

De in Kinshasa ingestelde avondklok werd in april 1999 opgeheven, maar van oktober tot december van dat jaar, zonder dat er sprake was van een militaire bedreiging van de stad, weer ingesteld.

In het door de rebellen beheerste deel van het land is de bewegingsvrijheid sterk afhankelijk van de militaire activiteiten die door de Mai-Mai, Interahamwe en andere gewapende groeperingen ontplooid worden.

Zowel de overgangsgrondwet uit de Mobutu-tijd, als de decreet-wet nr. 3 van Kabila voorzien in een onafhankelijke rechtsmacht. In de praktijk is de rechterlijke macht niet onafhankelijk van de regering. Daarbij komt dat de rechterlijke macht inefficiënt, corrupt en slecht opgeleid is. De burgerlijke rechtbanken functioneren slecht. Sinds de instelling van militaire tribunalen (Cour d'Ordre Militaire) behandelen deze ook bijna alle strafzaken tegen burgers. In 1999 zijn in het eerste halfjaar minstens 183 burgers door militaire tribunalen veroordeeld. Verdachten die door deze tribunalen berecht worden hebben niet het recht van hoger beroep en velen worden niet bijgestaan door een advocaat.

Het burgerlijk- en strafrecht is gebaseerd op Belgisch recht en gewoonterecht.

De veiligheidsdiensten zijn verantwoordelijk voor talloze gevallen van al dan niet willekeurige arrestatie en detentie. Volgens de wet dienen veiligheidsdiensten binnen 24 uur arrestanten aan de politie over te dragen. Zij moeten binnen 24 uur in staat van beschuldiging gesteld worden en binnen 48 uur bij een rechter voorgeleid worden die een voorlopige hechtenis kan bevelen.

In de praktijk worden deze regels systematisch geschonden. Veiligheidsdiensten, vooral wanneer zij in opdracht van de leiding handelen, maken gebruik van arrestaties om tegenstanders van het regime en journalisten te intimideren. Aanklachten worden zelden ingediend en de politieke reden van de arrestaties is vaak niet duidelijk. Wanneer er aanklachten worden geformuleerd zijn zij vaak verzonnen, bijvoorbeeld samenspanning met de vijand, of gebaseerd op verouderde koloniale regels. In de verslagperiode werden regelmatig leiders van politieke partijen, mensenrechtenorganisaties, vakbonden en kerkelijke organisaties gearresteerd, mede op grond van hun uitspraken die politiek werden opgevat. Zelfs ministers, politieofficieren, hoge ambtenaren en rechters zijn gearresteerd. Sommigen van hen zijn later weer benoemd in hun voormalige functie. Als illustratie hiervan dient dat de president van het Militaire Gerechtshof (Cour d'Ordre Militaire) in augustus 1998 gearresteerd werd en berecht door hetzelfde Hof voor contacten met de rebellen. Na een verblijf van bijna een jaar in de gevangenis was hij in september 1999 weer als rechter werkzaam bij het Hof .

Op 19 februari 2000 kondigde Kabila decreet nr. 017 af waarbij hij amnestie verleende aan iedereen die veroordeeld was wegens misdrijven tegen de nationale veiligheid én die publiekelijk het gezag van het Kabila-regime erkend had. Als gevolg hiervan werden 245 politieke gevangenen uit de Makala gevangenis vrijgelaten. Deze amnestie heeft echter geen einde gemaakt aan de arrestaties van politieke tegenstanders. Inmiddels zijn weer talrijke politieke gevangenen gedetineerd.

In Kinshasa zijn vele officieuze en geheime detentiecentra. Er zijn aanwijzingen dat zich op het terrein van het presidentieel paleis geheime cellen bevinden.

Tijdens de verslagperiode zijn vele Tutsi's gearresteerd op grond van hun (vermeende) etniciteit. Veel Tutsi's zijn ook weer vrijgelaten op voorwaarde dat zij het land verlaten, bijvoorbeeld via ICRC hervestigingsprogramma's.

Uit de centrale gevangenis te Kinshasa zijn in juli 2000 ruim 1000 militairen vrijgelaten . Zij waren gedetineerd voor kleine vergrijpen en zijn vrijgelaten op last van president Kabila. Thans worden ze weer in het leger geïncorporeerd.

In het door de RCD (Goma) gecontroleerde gebied wordt iedereen die in het openbaar kritiek uit op, wat door de bevolking genoemd wordt, de 'bezetting' of de 'agressie', gearresteerd. Het gebruik van de termen 'Rwandese leger' of 'buitenlands leger' is verboden. Vooral mensenrechtenactivisten en journalisten zijn slachtoffer. De beschuldigingen geschieden meestal onder het voorwendsel van aanzetten tot etnische haat .

Zowel veiligheidsdiensten als gevangenispersoneel maken zich schuldig aan mishandeling en foltering bij arrestatie en verhoor van verdachten.

Er zijn verscheidene gevallen bekend van slachtoffers die aan hun verwondingen zijn overleden.

De officiële gevangenissen worden bezocht door vertegenwoordigers van het Internationale Rode Kruis, die voor voedsel en medische hulp zorgen.

In de verslagperiode zijn veel gevallen van verdwijningen gerapporteerd, zowel in regeringsgebied als in het door rebellen beheerste gebied. Veiligheidsdiensten van de regering hebben regelmatig personen gedetineerd gehouden zonder te melden of te bevestigen dat betrokkenen gedetineerd waren. Vooral journalisten en leden van de oppositie waren hier het slachtoffer van.

De wijdverspreide buitengerechtelijke moorden op Tutsi's die zich vooral in Kinshasa bij het begin van de burgeroorlog in augustus 1998 voordeden kwamen in de verslagperiode niet voor. De overgebleven Tutsi's hebben òf het door de regering beheerste gebied verlaten, òf zijn ondergedoken òf bevinden zich in gevangenschap.

Door ongedisciplineerd optreden van leger en veiligheidsdiensten vallen in Kinshasa veel doden. Verscheidene gevallen zijn bekend waarbij burgers door militairen doodgeslagen of doodgeschoten zijn.

De buitengewoon slechte omstandigheden in de gevangenissen hebben de dood van een onbekend aantal gevangenen tot gevolg gehad. Veel gevangenen kwamen door ziekten of honger om het leven.

Uit het door rebellen bezet gebied komen veel meldingen van buitengerechtelijke executies en moorden. Alle partijen die in deze gebieden opereren, zoals de RCD-milities, het Rwandese leger, de Mai-Mai en Hutu-milities maken zich hieraan schuldig.

Amnesty International maakt in haar rapport 'Killing Human Decency' melding van de uitgebreide schaal waarop door alle partijen in deze gebieden het recht op leven geschonden wordt.

3.3 Doodstraf


In de twee jaar van hun bestaan zijn door de militaire tribunalen ruim 250 doodstraffen uitgesproken zonder de mogelijkheid van beroep . Meestal betrof het militairen die van desertie beschuldigd werden en burgers die gewapende delicten gepleegd hadden. Ruim 130 vonnissen zijn inmiddels ten uitvoer gelegd. Volgens een bericht in Le Monde is in 2000 tot begin april negentien maal de doodstraf voltrokken. Executies vinden vaak publiekelijk plaats, bijvoorbeeld in stadions, onder supervisie van een gouverneur of een andere lokale gezagsdrager. Regelmatig worden burgers ter dood veroordeeld ook voor niet gewelddadige delicten zoals verduistering van overheidsgelden of illegale economische activiteiten, zoals het privé verhandelen van motorbrandstoffen waarop de staat het monopolie heeft. In december 1999 heeft de regering de executies van burgers opgeschort, de veroordelingen gaan echter door.

3.4 Positie van specifieke groepen

Zowel in regeringsgebied als in het door rebellen bezet gebied lopen Congolese Tutsi's (die in de DRC Banyamulenge of Bayarwanda worden genoemd) grote risico's.

Tutsi's lopen in het door de regering beheerste gebied nog steeds gevaar door de bevolking lastig gevallen te worden en door veiligheidsdiensten gearresteerd te worden. Veelal is onbekend wat er met de betrokken Tutsi's gebeurt na een arrestatie. Op grond van hun etniciteit worden zij beschouwd als tegenstanders van de regering. Honderden Tutsi's zijn geïnterneerd of gevangen genomen. Vanaf juni 1999 heeft het ICRC Tutsi's gerepatrieerd, die door de Congolese regering als Rwandese, Ugandese of Burundese onderdanen beschouwd werden. Vanaf oktober 1999 heeft het ICRC Tutsi's geëvacueerd naar andere landen, waaronder de Verenigde Staten, Canada en België. Nadat de regering had aangekondigd dat Tutsi's hervestigd konden worden in andere landen, hebben zich ruim 3000 Tutsi's bij de interneringskampen in Kinshasa aangemeld. Thans zijn er nog enkele honderden personen geïnterneerd, maar hieronder bevinden zich ook andere Congolezen die voor hervestiging in aanmerking willen komen.

Ook in het oosten van het land lopen etnische Tutsi's (Banyamulenge) gevaar. Zij worden vereenzelvigd met de door Rwanda gesteunde rebellie, die onder de gewone Congolese bevolking weinig aanhang heeft. De Mai-Mai milities, traditionele stammen van krijgers, die zich tegen het Rwandese leger en de daarmee gelieerde RCD-rebellen hebben gekeerd, keren zich ook tegen de Banyamulenge bevolking.

Geweld tegen vrouwen, waar onder verkrachtingen, komen veelvuldig voor, maar concrete gegevens hierover zijn niet voorhanden. De politie treedt zelden op bij geweld in huiselijke kring en in de pers wordt alleen melding van verkrachtingen gemaakt als die gepaard gaan met een ander misdrijf.

Volgens de wet moeten vrouwen toestemming van hun echtgenoot hebben om rechtshandelingen te verrichten zoals het verkopen of huren van onroerend goed, het openen van een bankrekening, in loondienst gaan of het aanvragen van een paspoort. Volgens een herziening van de 'Code Familiale' in 1987 kunnen weduwen eigendom van de echtgenoot erven en hun eigendommen beheren. In de praktijk komt hier weinig van terecht. De familie van de overleden echtgenoot neemt veelal bezittingen en kinderen af van weduwen.

Over besnijdenis van vrouwen (female genital mutilation) zijn weinig gegevens bekend. Voor zover bekend komt deze praktijk alleen voor bij geïsoleerd levende groepen in het noorden van het land.

Alleenstaande moeders met minderjarige kinderen lopen in de DRC geen speciaal risico. Wanneer zij asiel in het buitenland hebben aangevraagd en na afwijzing van hun asielaanvraag terugkeren, lopen zij volgens de UNHCR risico vervolgd te worden, al was het maar op grond van hun vlucht naar het buitenland. Voor wat betreft de terugkeer van alleenstaande moeders met minderjarige kinderen, raadt de UNHCR alleen terugkeer naar Kinshasa aan, vooropgesteld dat er familiebanden zijn en middelen van bestaan.

De IDP-kampen die rond de stad gelegen zijn, zijn reeds overvol en ontberen regelmatige hulp.

Vanaf 18 jaar wordt men in de DRC als meerderjarig beschouwd.

Door de slechte economische omstandigheden krijgen zeer veel kinderen geen schoolopleiding. Er geldt geen leerplicht en de scholen zijn niet gratis. Voor onderwijs aan openbare scholen dienen de ouders formeel een kleine bijdrage te betalen, maar in de praktijk moeten zij ook het salaris van de leraren betalen. Gezien de economische omstandigheden zijn veel ouders hier niet toe in staat, waardoor hun kinderen niet naar school kunnen.

Hoewel nog steeds veel kindsoldaten in het Congolese leger dienen, heeft de regering de rekrutering hiervan zo goed als stopgezet. Wel moedigt de regering het dienstnemen van kinderen in paramilitaire organisaties aan.

Ook de rebellen maken nog steeds gebruik van kindsoldaten, maar actieve werving zou ook hier niet meer voorkomen.

Aan deserteurs van het Congolese leger (FAC) kan de doodstraf worden opgelegd, welke ook tenuitvoer wordt gelegd.

In het regeringsgebied wordt iedere uitlating tegen de oorlog door de overheid (geheime diensten) opgevat als heulen met de vijand of (hoog)verraad. Ook relatief kleine activiteiten (bijvoorbeeld het uitdelen van pamfletten) kan als uiting van oppositie worden opgevat. Vooral journalisten, mensenrechtenactivisten en oppositionele politici lopen het risico op grond van hun uitlatingen of geschriften gearresteerd te worden. In antwoord op vragen van een lid van de Duitse Bondsdag schreef de Duitse regering in juni 2000 dat ook medici in toenemende mate risico lopen gearresteerd te worden op grond van vermeende collaboratie, als zij militairen van de oppositie medisch behandelen.

Personen die zowel politiek als economisch belangrijke posities innamen tijdens het Mobutu-regime, lopen bij terugkeer naar de DRC risico gearresteerd te worden en ondervraagd over eventuele onrechtmatige verrijking.

Anderzijds heeft president Kabila leidinggevenden onder het Mobutu-regime onder bepaalde voorwaarden uitgenodigd terug te keren. Zo is de laatste premier onder Mobutu, generaal Likulia Bolongo (thans minister voor ondernemingen), vergezeld van twee medewerkers, Roger Nkema, voormalig veiligheidsadviseur en Celestin Kabyuya-Lamuna, laatste woordvoerder van Mobutu, naar Kinshasa teruggekeerd na twee jaar in het buitenland te hebben verbleven .

3.5 Samenvatting


De mensenrechten in de Democratische Republiek Congo worden op alle terreinen geschonden, zowel in regeringsgebied als in het gebied dat door de rebellen gecontroleerd wordt. De schendingen zijn deels terug te voeren op de oorlogssituatie of op de zeer slechte economische situatie. De overheid noch de RCD tolereert kritiek. Door beide partijen wordt kritiek uitgelegd als 'heulen met de vijand' en dienovereenkomstig bestraft.

Zowel in regeringsgebied als in het door rebellen bezet gebied lopen Tutsi's (Banyamulenge) risico vervolgd en (door de Mai-Mai) gedood te worden.

Kritische mensenrechtenactivisten en journalisten lopen zowel in regeringsgebied als in het gebied gecontroleerd door de RCD grote risico's .

Personen die zowel politiek als economisch belangrijke posities innamen tijdens het Mobutu-regime, lopen bij terugkeer naar de DRC risico gearresteerd te worden en ondervraagd over eventuele onrechtmatige verrijking.


4 Vluchtelingen en ontheemden



4.1 Motieven

Het grootste gedeelte van de Congolese vluchtelingen is op de vlucht voor oorlogsgeweld. Ruim 95.000 Congolezen zijn naar Tanzania gevlucht en 25.000 naar Zambia. Naar schatting 80.000 Congolezen zijn naar aanleiding van de gevechten in de provincie Equateur naar de Republiek Congo en de Centraal Afrikaanse Republiek gevlucht .

Volgens schattingen van UNHCR bevinden zich in de DRC ongeveer 1.6 miljoen ontheemden, terwijl minstens 24 miljoen mensen (op een bevolking van 59 miljoen) door de oorlog getroffen zijn .

Een aantal Congolezen tracht het land te verlaten vanwege de desastreuze economische situatie. Om deze reden proberen ouders die het kunnen betalen hun kinderen naar Europa te laten reizen met het oog op beter onderwijs en betere leefomstandigheden.

4.2 Binnenlands vestigingsalternatief

Door de slechte verbindingen en de vele wegversperringen is het reizen vanuit Kinshasa naar Bas Congo of de Kasaï zeer moeilijk. Nog moeilijker is het reizen vanuit Kinshasa naar gebieden die door rebellen beheerst worden. Personen die in Kinshasa woonachtig zijn en zich aan eventuele vervolging willen onttrekken, hebben dus nauwelijks mogelijkheden zich elders in het land te vestigen. Behalve aan prominente politieke tegenstanders of leden van het oude regime, kan de hoofdstad zelf, door zijn uitgestrektheid en multi-etnische karakter, de mogelijkheid bieden onder te duiken. Het hebben van goede contacten (familie, kennissen) is hierbij van belang.

Dit geldt ook voor niet-Tutsi politieke tegenstanders van de (RCD) rebellen, die kans hebben gezien vanuit het door rebellen beheerste gebied Kinshasa te bereiken, bijvoorbeeld via Nairobi.

4.3 Beleid andere westerse landen


In het Verenigd Koninkrijk werden tussen 1 juli 1999 en 1 juli 2000 door 1200 Congolezen asielaanvragen ingediend. In deze periode werden 15 aanvragen ingewilligd en 1000 afgewezen.

Afgewezen uitgeprocedeerde Congolese asielzoekers worden naar Kinshasa uitgezet, ook zij die uit door rebellen beheerst gebied afkomstig zijn. Aan bepaalde personen, waarvan verwacht wordt dat zij bij terugkeer naar Kinshasa ernstige problemen kunnen ondervinden, zoals Tutsi's, kan een verblijfsvergunning op humanitaire gronden worden verleend.

Er zijn geen gevallen bekend van teruggekeerde Congolese asielzoekers die na terugkeer problemen met de autoriteiten hebben ondervonden.

In Zwitserland werden tussen 1 juli 1999 en 1 juli 2000 door 594 Congolezen asielaanvragen ingediend. In deze periode werden 40 aanvragen ingewilligd.

Afgewezen uitgeprocedeerde Congolese asielzoekers worden naar Kinshasa uitgezet. In bovengenoemde periode zijn 17 personen vrijwillig en 13

gedwongen teruggekeerd. Er zijn geen gevallen bekend van teruggekeerde Congolese asielzoekers die problemen met de autoriteiten hebben ondervonden.

In Ierland werden tussen 1 juli 1999 en 1 juli 2000 door 417 Congolezen asielaanvragen ingediend. In deze periode werden 83 aanvragen in eerste aanleg geweigerd en 70 in beroep. Tegen 60 Congolezen werd een uitwijzingsbevel uitgevaardigd, doch van daadwerkelijke uitzetting is het nog niet gekomen.

In de Bondsrepubliek Duitsland werden in de periode 1 juli 1999 tot 1 juli 2000 door 746 Congolezen asielaanvragen ingediend. In die zelfde periode is op 1559 asielverzoeken beslist waarvan er 79 werden ingewilligd.

In de periode 1 juli tot 31 december 1999 werden 74 Congolezen verwijderd en in het eerste halfjaar 2000 werden 65 Congolezen verwijderd, waarvan 61 naar de DRC.

In België werden in de periode juli 1999 tot juli 2000 door 1273 Congolezen asielaanvragen ingediend. In deze periode zijn vier Congolezen verwijderd.

Er zijn geen gevallen bekend waarbij verwijderde afgewezen Congolese asielzoekers na terugkeer problemen van de zijde van de Congolese autoriteiten hebben ondervonden.

In Frankrijk werden in de periode juli 1999 tot juli 2000 door 3013 Congolezen asielaanvragen ingediend. In deze periode werd aan 278 personen een vluchtelingenstatus toegekend, terwijl 531 aanvragen zijn afgewezen. In deze periode zijn 24 Congolezen verwijderd naar de DRC. Er zijn geen gevallen bekend waarbij verwijderde Congolezen bij terugkeer in de DRC problemen van de zijde van de Congolese autoriteiten hebben ondervonden.

4.4 UNHCR-beleid


UNHCR-Geneve raadt terugzenden van afgewezen Congolese asielzoekers naar gebieden buiten Kinshasa af, zowel met het oog op de alomtegenwoordige militaire- en politiecontroles, als het gebrek aan fysieke veiligheid en sociaal-economische ondersteuning die noodzakelijk zijn voor een duurzame hervestiging op het platteland. Dit geldt zowel voor regeringsgebied als voor het gebied dat door rebellen beheerst wordt. Volgens de UNHCR kunnen alleen diegenen teruggezonden worden die uit Kinshasa afkomstig zijn en waarvan de aanwezigheid van familie en economische steun van te voren vastgesteld is.

Omdat de UNHCR niet betrokken is bij de monitoring van teruggekeerde asielzoekers, kunnen berichten over verdwijning van deze personen nadat zij in de handen van de veiligheidsdiensten zouden zijn gevallen, niet door deze organisatie bevestigd worden.


5 Samenvatting


Tijdens de verslagperiode is de mensenrechten-, humanitaire en veiligheidssituatie in de DRC verslechterd. Zeven landen met reguliere troepen en ongeveer negen rebellenlegers zijn met elkaar in conflict. De situatie is dermate complex, dat niet altijd duidelijk is tot welk kamp een bepaalde rebellengroepering behoort.

Partijen beschuldigen elkaar van schendingen van de staakt-het-vuren overeenkomst. Langs een groot gedeelte van de frontlijn zijn gevechten opgelaaid. President Kabila heeft er meerdere malen blijk van gegeven het, mede door hem ondertekende, Lusaka-akkoord niet te willen naleven. Op een conferentie op 14 augustus 2000 in Lusaka handhaafde Kabila zijn weigering om MONUC-troepen toe te laten in het door de regering beheerste gebied van de DRC. Bovendien weigerde hij de voormalig president van Botswana, Ketumile Masire, als bemiddelaar van de inter-Congolese dialoog te erkennen. Hiermee is het Lusaka-Akkoord op sterven na dood. Het enige onderdeel van het akkoord dat ten uitvoer is gebracht, is het instellen van een Joint Military Commission. Gebrek aan middelen belemmert de JMC echter in de uitvoering van haar taak.

Van de meest recente ommezwaai van Kabila, waarbij hij alsnog de stationering van MONUC-eenheden toestaat, moet nog worden afgewacht of en hoe hij deze belofte gestand doet.

De sociaal-economische situatie is verder verslechterd, mede onder invloed van het strikt gehanteerde monetaire beleid, waarbij het bezit van vreemde valuta verboden is. De werkloosheid is zeer hoog.

Op alle gebieden worden de mensenrechten in de DRC geschonden, zowel in regeringsgebied als in de gebieden die door de rebellen beheerst worden. In regeringsgebied is het vooral de overheid die repressief optreedt tegen alle onwelgevallige vormen van meningsuiting en vermeende contacten met de rebellen.

In het door rebellen beheerste gebied heeft de bevolking, behalve van een intolerant rebellenbestuur ook te lijden van gewapende groepen, zoals de Mai-Mai, Interahamwe, ex-FAR militairen en andere ongeregelde gewapende groeperingen.

In beide gebieden zijn het vooral de Tutsi's die op grond van hun etniciteit risico lopen op vervolging. Zij worden vereenzelvigd met Rwanda dat als agressor beschouwd wordt.

Alle in paragraaf 4.3 genoemde Europese landen zenden afgewezen Congolese asielzoekers in principe, en in de meeste gevallen ook daadwerkelijk, terug.

Ook UNHCR is niet tegen gedwongen terugzending, mits alleen naar Kinshasa en wanneer de aanwezigheid van familie en economische steun van te voren vastgesteld is.

Er zijn geen gevallen bekend dat teruggekeerde afgewezen asielzoekers na terugkeer problemen met de autoriteiten hebben ondervonden.



Bijlage 1

Geraadpleegde literatuur

(Londen 2000)

Europa Publications, Africa South of the Sahara 2000, Democratic Republic of Congo (Londen, 2000).

U.S. Department of State, Human Rights Report for 1999- Democratic Republic of Congo (25 februari 2000).

Economist Intelligence Unit (EIU), Country Profile Democratic Republic of Congo 1999-2000 (Londen, 2000).

General Assembly Security Council, Children and armed conflict (19 July 2000).

Economist Intelligence Unit (EIU), Country Report Democratic Republic of Congo 1 and 2 quarter 2000 (Londen, 2000).

UNHCR, Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from the Democratic Republic of the Congo (Geneve, mei 2000).

Human Rights Watch, World Report, 2000.

Bijlage 2

Lijst van de 24 communes (voorheen zones) van Kinshasa

Gombe

Kinshasa

Lingwala

Barumbu

Kimtambo

Bandalungwa (Bandal)

Kasa Vubu

Ngiri Ngiri

Kalamu

Limete

Ngaliema

Selembao

Bumbu

Makala

Ngaba

Lemba

Matete

Masina

Kisenso

Ndjili

Mont Ngafula

Kimbanseke

Nsele

Kingasani


1 Africa South of the Sahara 2000, DR Congo Europa Publications (Londen 1999)


2 Een lijst van de communes is bijgevoegd als bijlage nr. 2.

3 Economist Intelligence Unit (EIU) Democratic Republic of Congo Country Profile 1999-2000 (Londen, 1999), en Africa South of the Sahara 2000 Democratic Republic of Congo.


4 UNHCR Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from the Democratic Republic of the Congo (mei 2000).


5 EIU Democratic Republic of Congo Country Profile 1999-2000

6 Reuters 20 juli 2000



7 In mei 1999 vond een splitsing in de RCD plaats toen Wamba dia Wamba werd afgezet en vervangen door Emile Ilunga als voorzitter van de RCD. Ilunga is evenals Kabila een Luba uit Katanga en streed samen met hem tegen Mobutu. Wamba, die zijn hoofdkwartier reeds naar Kisangani had verplaatst, leidt thans een afgescheiden RCD factie, de RCD-ML (Mouvement de Libération). Vanwege gevechten tussen Rwandese en Ugandese troepen in Kisangani in mei en augustus 1999 heeft Wamba zijn hoofdkwartier naar Bunia verplaatst.


8 Reuters 24 juli 2000


9 Reuters 15 augustus 2000


10 Inmiddels is het mandaat verlengd tot 15 december 2000.

11 Brief SGVN aan Veiligheidsraad 14 augustus 2000

12 Reuters 24 augustus 2000


13 Reuters 24 juli 2000


14 Reuters 18 augustus 2000


15 zie par. 2.5.


16 Report on the Situation of Human Rights in the DRC, Roberto Garretón 18 januari 2000


17 Panafrican News Agency 3 augustus 2000.


18 Reuters 18 juli 2000 (IRIN 4 augustus)


19 IRIN News 28 juli 2000


20 IRIN News 4 augustus 2000


21 IRIN News 28 juli 2000


22 EIU Country Report July 2000


23 Report on the situation of human rights in the Democratic Republic of Congo-january 2000 Commission on Human Rights


24 UNHCR, Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from the Democratic Republic of the Congo (Geneve mei 2000) [EUI Country report 1 kwartaal 1999]


25 Ibid.


26 o.a. Human Rights Report for 1999-Democratic Republic of Congo (De informatie van dit rapport is gewogen ten opzichte van vertrouwelijke bronnen).


27 Human Rights Report for 1999- Democratic Republic of Congo.

28 Roberto Garretón, Report on the Situation of Human Rights in the Democratic Republic of the Congo


29 Reuters 18 juli 2000


30 Roberto Garretón. Report on the Situation of Human Rights in the Democratic Republic of the Congo.


31 Human Rights Reports for 1999- Democratic Republic of Congo

32 Human Rights Reports for 1999- Democratic Republic of Congo

33 Amnesty International, Democratic Republic of Congo, Killing Human Decency (31 mei 2000)


34 Human Rights Watch, World Report, 2000.


35 Le Monde 2 april 2000


36 Roberto Garretón. Report on the Situation of Human Rights in the Democratic Republic of the Congo.


37 Human Rights Reports for 1999- Democratic Republic of Congo.

38 Ibid.


39 Human Rights Reports for 1999- Democratic Republic of Congo.

40 Children and armed conflict (United Nations Security Council, 2000)

41 Reuters 7 augustus 2000


42 AFP World service 10 juli 1999.


43 UNHCR Background Paper on Refugees and Asylumseekers from the Democratic Republic of the Congo (Geneve mei 2000)


44 zie ook par. 2.5


45 IRIN-News 20 juli 2000

===