Mond- en klauwzeer (MKZ) en de risico's van verspreiding door in het
wild levende dieren
Dierenbescherming, april 2001
1. Uitgangspunten Dierenbescherming
Alle in het wild levende dieren zijn niet-gehouden dieren. Zij staan
niet onder de beschikking en de zorg van de mensen, zij hebben de optie
om in alle vrijheid te leven.
Intrinsieke waarde
De Dierenbescherming erkent voor alle dieren de intrinsieke waarde, wat
betekent dat dieren zelfstandige wezens zijn, waard om als doel op
zichzelf behandeld te worden en niet als middel voor anderen. Voor de in
het wild levende dieren behoort ook de eigenwaarde zonder restrictie
erkend te worden. De Dierenbescherming is er voorstander van om in het
wild levende dieren met rust te laten, ze in hun natuurlijke en
zelfstandige geaardheid te laten leven, hun habitat en hun leefmilieu in
stand te houden en in algemene zin de natuur haar werk te laten doen.
Zorgplicht
Er zijn uitzonderingen op die regel denkbaar, waarbij ingrijpen van de
mens noodzakelijk is. Dat kan zijn vanwege zelfbehoud c.q.
zelfbescherming van de mens. Maar het kan ook zijn ter behoud van de
dieren zelf, bijvoorbeeld in noodgevallen zoals natuurrampen of andere
rampzalige omstandigheden, waarvoor dieren niet meer in hun natuurlijke
behoefte kunnen voorzien. De Dierenbescherming ziet dit als de
zorgplicht van mensen. Deze zorg kan veelzijdig zijn; het bieden van
onderdak in opvangcentra, maar ook het bieden van veterinaire hulp tot
aan euthanasie toe als dieren niet meer 'te redden' zijn. Naast het uit
het lijden verlossen van individuele dieren is ingrijpen is alleen
gerechtvaardigd als de zaak extreem verstoord is.
2. Verspreiding MKZ via in het wild levende dieren
Overdracht MKZ-virus
Mond- en klauwzeer kan door middel van rechtstreeks contact tussen
evenhoevige dieren worden overgedragen, maar ook via zogenaamde vectoren
(overbrengers). In het wild levende dieren kunnen als vector dienen en
MKZ overbrengen, evenals bijvoorbeeld mensen, gereedschappen en
transportmiddelen. Bijvoorbeeld fazanten, eenden, konijnen, egels,
vogels en insecten lopen en vliegen rondom bedrijven en komen mogelijk
in contact met besmettingshaarden. Met name trekvogels en grote
hoefdieren worden als mogelijk risico voor de verspreiding van MKZ
gezien.
Besmetting via trekvogels
Van de Nederlandse broedvogels trekken ruim honderd soorten,
afhankelijk van het jaargetijde, in zuidelijke dan wel noordelijke
richting. Een aantal trekvogelsoorten komen van plaatsen waar MKZ heerst
naar Nederland en zouden mogelijk MKZ kunnen verspreiden. Zo trekken
bijvoorbeeld grote aantallen spreeuwen in het najaar naar Zuid-Engeland.
Een kleiner deel van de spreeuwen overwintert in België en
Noord-Frankrijk, of blijft in Nederland. Volwassen kieviten zouden ook
een risico kunnen vormen. Zij overwinteren vooral in Engeland,
West-Frankrijk, Spanje en Portugal. Een andere risicogroep zouden de
ganzen zijn. Dit ligt echter minder voor de hand, omdat deze dieren in
het najaar vanuit meer noordelijk en noord-oostelijk gelegen streken
naar Nederland zijn gekomen. Zij kunnen derhalve het virus onmogelijk
meegebracht hebben. Het is onmogelijk om een bepaalde vogelsoort met de
verspreiding van MKZ in verband te brengen, omdat de uitbraak van MKZ in
Nederland tijdens de trekperiode van miljoenen vogels heeft
plaatsgevonden.
Hoewel trekvogels vanuit met MKZ besmette gebieden naar Nederland kunnen
vliegen, zijn de risico's op verspreiding van het virus beperkt. Dit
komt voornamelijk omdat trekvogels enorm veel tijd aan het onderhouden
en schoonmaken van hun verenpak besteden, onder meer door het nemen van
baden, voor ze aan de lange vlucht beginnen.
Besmetting van wilde hoefdieren
Er leven veel grote hoefdieren in het wild, zoals edelherten, reeën,
wilde zwijnen en damherten. Het leefgebied van edelherten, damherten en
wilde zwijnen is voornamelijk beperkt tot de Veluwe, reeën leven
verspreid door heel Nederland. De besmettingsrisico's via deze
hoefdieren zijn anders dan de risico's van besmetting door bijvoorbeeld
vogels, omdat deze evenhoevige dieren zelf ook MKZ kunnen krijgen en
verspreiden. De aanwezigheid van wilde hoefdieren, brengt een risico met
zich mee voor de (intensieve) veehouderij, maar -en dit moeten we ons
goed realiseren- vooral ook andersom.
Besmetting van wilde hoefdieren vindt meestal plaats doordat ze eten op
plaatsen waar besmet vee heeft gegraasd. Onderzoek heeft uitgewezen dat
wilde hoefdieren zeer resistent zijn tegen MKZ-infectie (Forman et al.,
1974a; Gibbs et al., 1975). Edelherten en damherten zijn nauwelijks
vatbaar voor MKZ en vertonen minder ernstige symptomen als bijvoorbeeld
runderen, schapen en varkens. Voor reeën en wilde zwijnen zijn de
infecties iets ernstiger, maar de meeste dieren herstellen volledig van
de ziekte (Forman et al., 1974a; MAFF-website, 2001; ).
De onderzoekers concludeerden dat onder normale omstandigheden
hertachtigen geen factor van belang zijn in het verspreiden van MKZ bij
een eventuele epidemie onder vee. Herten zijn terughoudend in het
gebruik van dezelfde habitat als gedomesticeerde dieren. Omdat zieke
dieren sterk plaatsgebonden gedrag vertonen, spelen ze bij de verdere
uitbreiding en verplaatsing van de ziekte geen verdere rol (Gibbs et
al., 1975; Forman et al., 1974b; schriftelijke mededeling Gibbs, 2001).
Grote en kleine grazers ingezet in natuurgebieden
In Nederland worden vele grote en kleine grazers ingezet voor begrazing
van natuurgebieden, voornamelijk om runderen, paarden en schapen. Vaak
worden hiervoor zogenaamde oerrassen of zeldzame huisdierrassen
gebruikt. De Dierenbescherming meent dat deze dieren niet als in het
wild levende dieren, maar als gehouden dieren te beschouwen zijn. Ze
dienen dan ook als zodanig behandeld te worden. Voor deze dieren gelden
derhalve dezelfde overwegingen als voor andere landbouwhuisdieren; de
Dierenbescherming is van mening dat deze dieren preventief gevaccineerd
moeten worden tegen MKZ, zonder de voorwaarde dat de dieren daarna
gedood moeten worden.
3. Maatregelen mogelijk bij een uitbraak van MKZ
Beperken migratie van wilde dieren
Om de risico's van verspreiding van MKZ door in het wild levende dieren
te beperken, is het van belang dat de dieren zich zo weinig mogelijk
verplaatsen door het veld. Immers, zoals we hebben ervaren bij de
uitbraak van MKZ onder vee, zijn transportbewegingen een grote
verspreidingsfactor. Bij een uitbraak is het vooral van belang
migratie/bewegingen van grote hoefdieren zoveel mogelijk te beperken.
Dit kan worden bereikt door de ingerasterde terreinen volledig af te
sluiten (alle uitgangen en wildwissels), zodat er tijdelijk geen
uitwisseling van dieren kan plaatsvinden. Daarnaast dienen de dieren,
zowel in de ingerasterde terreinen als ook in de vrije wildbaan, met
rust gelaten te worden. Verstoring leidt tot vluchtreacties en dus tot
verplaatsing van dieren. Verstoring kan plaats vinden door bijvoorbeeld
wandelaars, houtkap en autoverkeer maar vooral ook door jacht (Lardinois
& van der Veen, 1991; Hoogeveen, 1991). Deze activiteiten dienen
derhalve te worden gestaakt.
Inmiddels zijn er al verschillende maatregelen genomen om verplaatsing
van dieren te beperken. Zo zijn op de Veluwe de verschillende
ingerasterde terreinen, wildviaducten en wildtunnels afgesloten. In heel
Nederland zijn verschillende bos- en natuurgebieden afgesloten voor
publiek. Met deze maatregel wordt menselijke insleep van het virus
beperkt en worden extra wildbewegingen door verontrusting voorkomen.
Daarnaast heeft het Ministerie van LNV een totaal jachtverbod ingesteld
in Nederland. Dit geldt ook voor lopende vergunningen voor het doden van
dieren om schade te voorkomen.
Vaccineren van wilde dieren
Bij de vraag of we moeten ingrijpen in de wilde populatie hoefdieren
spelen twee principes een belangrijke rol, de erkenning van de
intrinsieke waarde en de zorgplicht die wij hebben voor dieren (zie
onder punt 1).
Vaccinatie is vanuit de erkenning van de intrinsieke waarde uitgesloten.
Hoewel er een mogelijk besmettingsgevaar dreigt voor de hoefdieren, is
de Dierenbescherming van mening dat in het wild levende dieren met rust
dienen te worden gelaten. Er is geen zwaarwegende reden om van dit
principe af te wijken, zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Er
is hierdoor dus sprake een andere situatie dan bijvoorbeeld bij het
inenten van vossen tegen hondsdolheid in de grensstreek, waarbij de
volksgezondheid een rol speelt.
De zorgplicht is bij besmetting met MKZ niet aan de orde. Hoewel de
wilde hoefdieren tengevolge van menselijk handelen in een situatie
gekomen zijn waar ze niet om hebben gevraagd, zullen de dieren naar
verwachting niet ernstig ziek worden en ook niet uitzichtloos lijden.
Vanwege de sterke resistentie die wilde hoefdieren hebben tegen de
ziekte (zie onder punt 2) wordt verwacht dat zij goed van MKZ zullen
herstellen, als ze al ziek worden. Volgens Groot Bruinderink gaat bij
een uitbraak van MKZ onder wilde hoefdieren de voorkeur uit naar het
laten uitwoeden van de ziekte (Groot Bruinderink et al., 2000).
Er kleven bovendien risico's aan het vaccineren. Het is, gezien het
leefgebied van de dieren, uitgesloten dat alle dieren gevaccineerd
kunnen worden. Voor het vaccineren moeten de dieren 'gevangen' worden;
ze kunnen in een kraal worden gelokt of in een 'fuik' worden gedreven.
Ook is het mogelijk ze met een vaccinatie-pistool te schieten. Op welke
manier het vaccineren ook plaats zal vinden, de dieren zullen veel
stress ondervinden, waardoor ze opgejaagd worden en vluchtpogingen
ondernemen. Dergelijk bewegingen van dieren zijn in deze situatie niet
wenselijk. Bovendien sluit vaccinatie eventuele besmetting niet uit. Als
de dieren al besmet zijn, dan kunnen ze ook na vaccinatie nog een poosje
andere dieren besmetten. Tenslotte geeft vaccinatie op zichzelf een
kans, zij het een kleine, op een uitbraak.
Doden van wilde dieren
Het doden van dieren die als vector zouden kunnen dienen, zoals
bijvoorbeeld vogels, knaagdieren en vossen, is zinloos. Het is
onmogelijk alle mogelijke contacten tussen dieren en besmettingshaarden
uit te sluiten, door enkele willekeurige dieren te doden.
Het bij een besmetting uitroeien van volledige populaties hoefdieren is
eveneens onmogelijk en leidt tot een verspreiding van dieren over een
groter gebied en werkt derhalve contra-productief. Bij afschot van
territoriaal levende reeën, wordt bovendien migratie van reeën naar het
opengevallen territorium in de hand gewerkt. Het bejagen van dieren moet
daarom uitgesloten worden. Bovenstaande geldt niet alleen voor pogingen
om hele populaties uit te roeien, maar ook voor afschot van enkele
dieren om te onderzoeken of de dieren besmet zijn met MKZ. Door
verstoring wordt ongewenste verplaatsing van dieren in de hand gewerkt.
Ook levert jacht een toename van menselijke activiteiten in het
buitengebied en extra transporten op, waardoor besmettingsrisico
vergroot wordt.
4. Samenvattend standpunt van de dierenbescherming
De Dierenbescherming erkent de intrinsieke waarde van dieren. In het
wild levende dieren dienen met rust gelaten te worden. Ze moeten in hun
natuurlijke en zelfstandige geaardheid kunnen leven, hun habitat en hun
leefmilieu dient in stand te worden gehouden en in algemene zin moet de
natuur haar werk kunnen doen. De Dierenbescherming keurt het vaccineren
van in het wild levende hoefdieren af. Het veroorzaakt veel stress bij
de dieren en brengt extra risico's van besmetting met zich mee. Het
doden van enkele dieren om te onderzoeken of de dieren met MKZ besmet
zijn en zeker het systematisch uitroeien van wilde populaties
hoefdieren, is voor de Dierenbescherming onacceptabel.
Transmissierisico's kunnen alleen beperkt worden door
migratiemogelijkheden van de dieren tijdelijk te minimaliseren en de
dieren volledige rust te gunnen.
5. Literatuur
Forman, A.J. & E.P.J. Gibbs (1974a). Studies with foot-and-mouth disease
virus in British deer (red, fallow and roe); Clinical disease. J. Comp.
Path. Vol. 84: 215-220.
Forman, A.J., Gibbs, E.P.J., Baber, D.J. , Herniman, K.A.J. & I.T.
Barnett (1974b). Studies with foot-and-mouth disease virus in British
deer (red, fallow and roe); Recovery of virus and serological response.
J. Comp. Path. Vol. 84: 221-229.
Gibbs, E.P.J., Herniman, K.A.J., Lawman, M.J.P. & R.F. Sellers (1975).
Foot-and-mouth disease in British deer: transmission of virus to cattle,
sheep and deer. Vet. Record, 96: 558-563.
Hoogeveen, Y.R. (1991). Herten op het hazepad. Schuwheid en de
beïnvloeding daarvan. Zoogdier, 2 (4): 17-21.
Groot Bruinderink, G.W.T.A., Lammertsma, D.R. & R. Pouwels (2000). De
geschiktheid van natuurgebieden in Noord-Brabant en Limburg als
leefgebied voor edelhert en wild zwijn. Alterra-rapport no. 86. Alterra,
Wageningen.
Lardinois, R. & H.E. Van de Veen (1991). De Veluwe natuurlijk! Een
herkansing en eerherstel voor onze natuur. Schuyt & Co B.V., Haarlem.
MAFF-website (2001).
HTTP://www.MAFF.gov.uk/animalh/diseases/fmd/risk.htm