Titel: Belastingherziening 2001
De voorzitter van de vaste commissie
voor Financiën van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal
Binnenhof 21
2513 AA DEN HAAG
Datum
Uw brief (Kenmerk)
Ons kenmerk
12 maart 2001
WDB 2001-00122 U
Onderwerp
Aanvullend schriftelijk antwoord Belastingherziening 2001
De heer Stevens heeft tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van de diverse wetsvoorstellen inzake de Belastingherziening 2001, op 12 december 2000 enkele schriftelijke vragen gesteld (die als noot zijn opgenomen in de handelingen: Handelingen 1, 2000-2001, blz. 12-555). Bij de beantwoording van deze vragen via mijn brief van 9 februari 2001 (WDB 2001-00078), is abusievelijk het antwoord op een van de vragen van de heer Stevens niet opgenomen. Dit betreft de vraag van de heer Stevens om een reactie op de brief van Westland/Utrecht Hypotheekbank N.V. van 12 december 2000, waarin wordt gepleit voor een overgangsregeling ten behoeve van zogenoemde bijleenhypotheken.
Naar aanleiding daarvan merk ik op dat over de positie van
bijleenhypotheken tijdens de parlementaire behandeling van de
Belastingherziening 2001 diverse malen van gedachten is gewisseld.
Resultaat van deze gedachtewisseling is geweest dat ik voor bepaalde
bijleenhypotheken een overgangsregeling heb toegezegd. De strekking
van deze toezegging en de achtergronden daarvan zijn in de nota naar
aanleiding van het verslag van de Veegwet (kamerstukken I, 2000-2001,
27 466, blz. 9-11) uiteengezet. Kort samengevat komt deze
overgangsregeling er op neer dat de tot en met 31 december 2000
bijgeleende rente, voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting
2001, als onderdeel van de eigenwoningschuld wordt geaccepteerd.
Inmiddels heb ik deze
overgangsregeling in een besluit vastgelegd (besluit van 21 december
2000, nr. CPP2000/3088; afschrift bijgevoegd). De brief van
Westland/Utrecht Hypotheekbank N.V. voegt geen nieuwe gezichtspunten
of argumenten toe aan de eerdere gedachtewisseling, laatstelijk nog
met uw Kamer bij de behandeling van genoemde Veegwet over de
bijleenhypotheken en de overwegingen die tot de hiervoor genoemde
overgangsregeling hebben geleid.
De staatssecretaris van Financiën,
W. Bos